Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2959

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
02-247750-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 312 lid 1 SrArt. 312 lid 2 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor straatroof met geweld en bedreiging

Op 29 juli 2024 pleegde de minderjarige verdachte samen met een ander een straatroof in Breda waarbij een AirPod en een kabeloplader werden weggenomen van het slachtoffer onder gebruik van geweld en bedreiging. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was en verantwoordelijk voor de gepleegde geweldshandelingen.

De zaak werd inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op 31 maart 2026. De verdediging erkende de diefstal met geweld, maar betwistte enkele geweldshandelingen. De rechtbank verwierp dit en verklaarde het ten laste gelegde bewezen, met uitzondering van wat meer of anders was ten laste gelegd.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer, de persoon van verdachte, het blanco strafblad, de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering, en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank legde een jeugddetentie van 55 dagen op, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 40 uur, met vervangende jeugddetentie van 20 dagen bij niet-naleving.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 55 dagen jeugddetentie waarvan 42 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 40 uur wegens straatroof met geweld en bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-247750-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats]
wonende aan [adres]
raadsvrouw mr. N. Limbourg, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 31 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. D.E. van Hout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 29 juli 2024 al dan niet samen met een ander een straatroof heeft gepleegd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander met geweld en bedreiging met geweld een AirPod en een kabeloplader voor een iPhone van [slachtoffer] heeft weggenomen, zoals ten laste is gelegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging, behoudens voor wat betreft de onder de eerste vier gedachtestreepjes genoemde geweldshandelingen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank acht op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander met geweld en bedreiging met geweld een AirPod en een kabeloplader voor een iPhone van [slachtoffer] heeft weggenomen. De rechtbank acht voor alle in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen wettig en overtuigende bewijs aanwezig. Dat verdachte niet al deze geweldshandelingen zelf heeft gepleegd, maakt dat niet anders. Nu sprake is van medeplegen, is hij ook verantwoordelijk te houden voor de door medeverdachte [medeverdachte] gepleegde geweldshandelingen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 29 juli 2024 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander op de openbare weg, te weten de Rat Verleghstraat, een AirPod en een kabeloplader voor een iPhone die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door:
met een scooter de doorgang van die [slachtoffer] te blokkeren en
die [slachtoffer] de dreigende woorden toe te voegen: “moet ik iets op je trekken?” en “moet ik een mes op je trekken” en
daarbij een hand tegen de keel van die [slachtoffer] te drukken en
die [slachtoffer] meermalen tegen het lichaam te duwen en
die [slachtoffer] meermalen tegen het gezicht te slaan en die [slachtoffer] eenmaal tegen het been te trappen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 8 weken, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) heeft geadviseerd. Daarnaast vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur te vervangen door 40 dagen jeugddetentie voor het geval verdachte deze werkstraf niet dan wel niet naar behoren mocht verrichten.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om bij de strafbepaling rekening te houden met de tijd die verdachte voor dit feit in voorarrest heeft gezeten en de strenge schorsingsvoorwaarden waaraan hij zich twee jaar heeft moeten houden. Ook verzoekt de verdediging om rekening te houden met het feit dat dit een hele oude zaak betreft. De verdediging verzoekt te volstaan met een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest ten tijde van de zitting en daarnaast een werkstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een straatroof.
De rechtbank rekent verdachte dit feit zwaar aan. De straatroof vond plaats op de openbare weg, terwijl het nog licht was. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor het destijds 15-jarige slachtoffer heel beangstigend is geweest toen hij meerdere keren door verdachte en zijn mededader achterna werd gezeten, werd bedreigd en mishandeld. Zoals het slachtoffer in zijn aangifte heeft aangegeven, voelde hij zich door verdachte en zijn mededader erg geïntimideerd. Het slachtoffer zal zich na het incident zeer waarschijnlijk een stuk minder veilig hebben gevoeld op straat dan voorheen. Daarnaast brengen dit soort feiten ook voor de maatschappij en iedereen die daar deel van uitmaakt gevoelens van angst en onrust teweeg.
De houding die verdachte bij de politie en op de zitting ten aanzien van deze feiten heeft laten zien, baart de rechtbank veel zorgen. Verdachte heeft weliswaar toegegeven aanwezig te zijn geweest bij de straatroof, maar heeft daarbij zijn eigen aandeel zo klein mogelijk gemaakt, terwijl uit de bewijsmiddelen het tegendeel blijkt. De rechtbank heeft niet de indruk dat verdachte door heeft wat hij het slachtoffer heeft aangedaan of daar spijt van heeft. De rechtbank houdt met deze houding rekening bij het bepalen van de straf.
De persoon van verdachte
Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met het blanco strafblad van verdachte.
Ook houdt de rechtbank rekening met het rapporten van de Raad van 23 januari 2026 (met als bijlagen de rapporten van de Raad van 17 april 2025 in twee andere strafzaken) en van 23 maart 2026 en de toelichting hierop tijdens de zitting. In het rapport van 23 januari 2026 heeft de Raad één strafadvies geformuleerd dat geldt voor de onderhavige strafzaak en drie andere strafzaken, waarvoor verdachte gelijktijdig bij de rechtbank moest voorkomen. Deze strafzaken zijn echter op verzoek van de verdediging wel gezamenlijk, maar niet gevoegd behandeld. De Raad heeft aangegeven dat er op meerdere gebieden zorgen over verdachte zijn. Zo heeft verdachte in zijn jonge leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Daarnaast zijn er zorgen over de schoolgang van verdachte, zijn vrijetijdsbesteding en de jongens met wie hij omgaat. Verder zijn er zorgen over de houding en de vaardigheden van verdachte. Het blijft onduidelijk wat er in hem omgaat en waarom hij tot bepaald gedrag komt. Hierdoor is het lastig om goed te kunnen inschatten wat verdachte nodig heeft ter voorkoming van recidive, welk risico hoog wordt ingeschat. Daarom vindt de Raad een breed persoonlijkheidsonderzoek naar verdachte noodzakelijk. Dan kan er beter zicht komen op de (kindeigen) problematiek van verdachte en welke hulpverlening daar het beste bij aansluit. De Raad is met de jeugdreclassering van mening dat deze hulpverlening op een open groep van Almata of een soortgelijke instelling moeten worden gegeven. Al met al adviseert de Raad om aan verdachte (in alle vier de strafzaken van verdachte) op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met aftrek van dat voorarrest, met als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte tot aan zijn meerderjarigheid onderwijs volgt en/of een zinvolle dagbesteding heeft;
- verdachte zijn medewerking verleent aan de afname van een breed persoonlijkheidsonderzoek;
- verdachte meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk vindt ter voorkoming van recidive;
- verdachte meewerkt aan plaatsing bij Almata dan wel een soortgelijke instelling welke de jeugdreclassering nodig vindt en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Verder houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met hetgeen namens de jeugdreclassering op de zitting naar voren is gebracht. De jeugdreclassering heeft aangegeven dat de begeleiding van verdachte in het afgelopen anderhalf jaar moeizaam is verlopen. Er zijn in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in deze strafzaak aan verdachte veel voorwaarden gesteld en hulpverlening ingezet. Dit heeft tot weinig succes geleid. Ook op het gebied van school is er veel ingezet. Uiteindelijk is er een kleinschalige school voor verdachte gevonden, waar hij goede en slechte dagen heeft. De jeugdreclassering betreurt het dat er in de strafzaken van verdachte geen gedegen persoonlijkheidsonderzoek naar hem heeft plaatsgevonden. Hiertoe zou naar de mening van de jeugdreclassering alsnog moeten worden overgegaan. Aan de hand van de uitkomsten van een persoonlijkheidsonderzoek kan vervolgens aan verdachte passende hulpverlening worden geboden. Wat de jeugdreclassering betreft, dient deze hulpverlening op een open groep bij Almata of een soortgelijke instelling te worden gegeven. In de afgelopen periode is immers gebleken dat het thuis niet is gelukt om de zorgen te doen afnemen. Het toezicht en de begeleiding door de jeugdreclassering heeft verdachte er niet van weerhouden om strafbare feiten te blijven plegen. Dit is niet alleen slecht voor de slachtoffers die verdachte hiermee heeft gemaakt, maar ook voor de ontwikkeling van verdachte en zijn toekomst.
De op te leggen straf
Bij de strafbepaling betrekt de rechtbank naast de ernst van het feit en de persoon van verdachte ook de omstandigheid dat de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak van verdachte moest zijn afgedaan, is overschreden. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten. De rechtbank zal dit in strafmatigende zin meewegen.
De rechtbank houdt tot slot bij de strafbepaling rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en met de straffen die aan verdachte bij vonnissen van heden in de drie andere strafzaken van hem worden opgelegd, in het bijzonder het vonnis inzake parketnummer 02-401805-24 waarbij aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar en met de (dadelijk uitvoerbare) bijzondere voorwaarden die de Raad heeft geadviseerd is opgelegd.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een jeugddetentie van 55 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij zal (enkel) als algemene voorwaarde worden opgelegd dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. De rechtbank gaat uit van een voorarrest van 13 dagen, zodat verdachte, als hij geen strafbare feiten meer pleegt, in deze strafzaak niet meer naar de jeugdgevangenis hoeft. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte opleggen een werkstraf van 40 uur te vervangen door 20 dagen jeugddetentie, indien verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en op de openbare weg;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 55 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf, van 40 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
20 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. E.B. Prenger en mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. W.T.C. Venekamp, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2026.
Mr. C.R.R. Loeve is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 29 juli 2024 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg te weten de Rat Verleghstraat,
een airpod en/of een kabeloplader (voor een Iphone), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
met een scooter de doorgang van die [slachtoffer] te blokkeren en/of
die [slachtoffer] de (dreigende) woorden toe te voegen: “moet ik iets op je trekken?” en/of “moet ik een mes op je trekken”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
(daarbij) een hand tegen de keel van die [slachtoffer] te drukken en/of
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam te duwen en/of
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal op/tegen/in het gezicht te slaan en/of te stompen en/of die [slachtoffer] tegen het been van te schoppen/trappen;
(art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht)