Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2958

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
02-224874-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkstraf opgelegd voor diefstal van fatbike door minderjarige in vereniging

Op 3 juli 2024 heeft de minderjarige verdachte samen met twee anderen een fatbike van het slachtoffer gestolen in Waalwijk. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachten de fatbike heeft weggenomen met het oogmerk zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist dat de fatbike gestolen was en dat hij slechts een rondje reed, maar de rechtbank verwierp deze verklaring wegens gebrek aan geloofwaardigheid en steun in het bewijs. De rechtbank hield rekening met het blanco strafblad van verdachte, de rapporten van de Raad en de moeizame begeleiding door de jeugdreclassering.

De rechtbank legde een werkstraf van 40 uur op, met een vervangende jeugddetentie van 20 dagen indien de werkstraf niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van € 99,98 aan materiële schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 juli 2024. De vordering voor overige schade werd niet-ontvankelijk verklaard en kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur en vervangende jeugddetentie van 20 dagen wegens diefstal van een fatbike, met toewijzing van materiële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-224874-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 april 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats]
wonende aan [adres]
raadsvrouw mr. N. Limbourg, advocaat te Breda.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 31 maart 2026, waarbij de officier van justitie, mr. D.E. van Hout, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 3 juli 2024 al dan niet samen met een ander een fatbike van [slachtoffer] heeft gestolen, dan wel al dan niet samen met een ander die fatbike heeft geheeld.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen de fatbike van [slachtoffer] heeft gestolen, zoals primair ten laste is gelegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde diefstal en subsidiair ten laste gelegde heling. Verdachte is pas nadat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de fatbike van het slot hadden gehaald naar hen toe gelopen. Hij is vervolgens achterop de fatbike gesprongen om hiermee een rondje te rijden. Verdachte wist toen niet dat de fatbike door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was gestolen. Hij ging er ook vanuit dat de fatbike na het rijden van het rondje weer aan de eigenaar zou worden teruggegeven.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 3 juli 2024 te Waalwijk is gaan voetballen met [slachtoffer] . [slachtoffer] had de fatbike van zijn moeder, [slachtoffer] , meegenomen. Hij heeft deze fatbike met een slot aan een hek vastgezet en het alarm ingeschakeld. De sleutels van de fatbike had hij in zijn jaszak gedaan en op de grond gelegd. [medeverdachte 2] heeft enige tijd later de sleutels uit de jaszak van [slachtoffer] gehaald en is met [medeverdachte 1] en verdachte naar de fatbike van [slachtoffer] gelopen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben de fatbike van het slot gehaald, waarbij het alarm afging. Vervolgens zijn zij met zijn drieën op de fatbike weggereden.
Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de fatbike van [slachtoffer] heeft gestolen, zoals primair ten laste is gelegd. De verklaring van verdachte dat hij pas nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de fatbike van het slot hadden gehaald naar hen is toegelopen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Deze verklaring van verdachte wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Bovendien hebben [slachtoffer] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uitdrukkelijk verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen met verdachte naar de fatbike zijn gelopen.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Primair:
op 3 juli 2024 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met anderen, een fatbike die aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 40 uur te vervangen door 20 dagen jeugddetentie voor het geval verdachte deze werkstraf niet, dan wel niet naar behoren, verricht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Nu de verdediging een integrale vrijspraak heeft bepleit, heeft zij geen strafmaatverweer gevoerd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met twee vriendjes schuldig gemaakt aan de diefstal van een fatbike. Deze fatbike was van de moeder van een jongen met wie verdachte en zijn vriendjes net daarvoor hadden gevoetbald. Wat een leuk avondje voetbal had moeten zijn, liep voor deze jongen heel anders af dan hij had verwacht. Hij bleef na de diefstal van de fatbike boos en verdrietig op het voetbalveld achter en wist niet wat hij moest doen. Een onbekende vrouw heeft zich over hem ontfermd en hem uiteindelijk thuis afgezet.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij dit feit heeft gepleegd. Verdachte heeft simpelweg van andermans spullen af te blijven. Dit geldt zeker voor de spullen van een jongen die verdachte kent, waarmee hij net had gevoetbald en die in zijn goede bedoelingen had mogen vertrouwen. Wat de rechtbank voorts stoort, is dat verdachte over dit feit geen openheid van zaken heeft willen geven. Hij heeft geen verantwoordelijkheid voor dit feit willen nemen. Dit roept bij de rechtbank vragen op over zijn houding en algemene gewetensontwikkeling.
De persoon van verdachte
Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met het blanco strafblad van verdachte.
Voorts houdt de rechtbank rekening met de rapporten van de Raad van 17 april 2025 en 23 januari 2026 en de toelichting hierop tijdens de zitting. In het rapport van 23 januari 2026 heeft de Raad één strafadvies geformuleerd dat geldt voor de onderhavige strafzaak en drie andere strafzaken waarvoor verdachte gelijktijdig bij de rechtbank moest voorkomen. Deze strafzaken zijn echter op verzoek van de verdediging wel gezamenlijk, maar niet gevoegd behandeld. De Raad heeft aangegeven dat er op meerdere gebieden zorgen over verdachte zijn. Zo heeft verdachte in zijn jonge leven al veel ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Daarnaast zijn er zorgen over de schoolgang van verdachte, zijn vrijetijdsbesteding en de jongens met wie hij omgaat. Verder zijn er zorgen over de houding en de vaardigheden van verdachte. Het blijft onduidelijk wat er in hem omgaat en waarom hij tot bepaald gedrag komt. Hierdoor is het lastig om goed te kunnen inschatten wat verdachte nodig heeft ter voorkoming van recidive, welk risico hoog wordt ingeschat. Daarom vindt de Raad een breed persoonlijkheidsonderzoek naar verdachte noodzakelijk. Dan kan er beter zicht komen op de (kindeigen) problematiek van verdachte en welke hulpverlening daar het beste bij aansluit. De Raad is met de jeugdreclassering van mening dat deze hulpverlening op een open groep van [organisatie] of een soortgelijke instelling moeten worden gegeven. Al met al adviseert de Raad om aan verdachte (in alle vier de strafzaken van verdachte) op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf en een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met aftrek van dat voorarrest, met als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte tot aan zijn meerderjarigheid onderwijs volgt en/of een zinvolle dagbesteding heeft;
- verdachte zijn medewerking verleent aan de afname van een breed persoonlijkheidsonderzoek;
- verdachte meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk vindt ter voorkoming van recidive;
- verdachte meewerkt aan plaatsing bij [organisatie] dan wel een soortgelijke instelling welke de jeugdreclassering nodig vindt en zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Verder houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met hetgeen namens de jeugdreclassering op de zitting naar voren is gebracht. De jeugdreclassering heeft aangegeven dat de begeleiding van verdachte in het afgelopen anderhalf jaar moeizaam is verlopen. Er zijn in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis in één van de drie andere strafzaken van verdachte aan hem veel voorwaarden gesteld en hulpverlening ingezet. Dit heeft tot weinig althans geen succes geleid. Ook op het gebied van school is er veel ingezet. Uiteindelijk is er een kleinschalige school voor verdachte gevonden, waar hij goede en slechte dagen heeft.
De jeugdreclassering betreurt het dat er in de strafzaken van verdachte geen gedegen persoonlijkheidsonderzoek naar hem heeft plaatsgevonden. Hiertoe zou naar de mening van de jeugdreclassering alsnog moeten worden overgegaan. Aan de hand van de uitkomsten van een persoonlijkheidsonderzoek kan vervolgens aan verdachte passende hulpverlening worden geboden. Wat de jeugdreclassering betreft dient deze hulpverlening op een open groep bij [organisatie] of een soortgelijke instelling te worden gegeven. In de afgelopen periode is immers gebleken dat het thuis niet is gelukt om de zorgen te doen afnemen. Het toezicht en de begeleiding door de jeugdreclassering heeft verdachte er niet van weerhouden om strafbare feiten te blijven plegen. Dit is niet alleen slecht voor de slachtoffers die verdachte hiermee heeft gemaakt, maar ook voor de ontwikkeling van verdachte en zijn toekomst.
De op te leggen straf
Bij de strafbepaling betrekt de rechtbank ook de omstandigheid dat de redelijke termijn waarbinnen deze strafzaak van verdachte moest zijn afgedaan, is overschreden. Deze overschrijding is niet aan de verdediging te wijten. De rechtbank zal dit in strafmatigende zin meewegen.
Tot slot houdt de rechtbank rekening met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en met de straffen die aan verdachte bij vonnissen van heden in de drie andere strafzaken van hem worden opgelegd. In één van deze strafzaken zal een deels voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden die de Raad heeft geadviseerd worden opgelegd.
Alles afwegende vindt de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde werkstraf passend en geboden gelet op de ernst van de feit en de persoon van verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook deze straf opleggen.

7.De benadeelde partij

De materiële schade
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 122,- voor het ten laste gelegde feit.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De door de benadeelde gevorderde schadevergoeding acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van € 99,98 (reparatiekosten kapotte remmen) aan materiële schade. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat feiten en omstandigheden die tot toewijzing van het gevorderde bedrag zouden kunnen leiden niet voldoende vast staan, nu (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd. Uit het dossier blijkt immers niet dat er een telefoonhouder op de fatbike zat en dat deze door toedoen van de diefstal is verloren. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en hoofdelijkheid
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 3 juli 2024.
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair: diefstal door twee of meer verenigde personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een werkstraf, van 40 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
20 dagen;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer] van € 99,98aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer]
€ 99,98te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast;
- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. de Jong, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. E.B. Prenger en mr. C.R.R. Loeve, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. W.T.C. Venekamp, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 14 april 2026.
Mr. C.R.R. Loeve is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij, op of omstreeks 3 juli 2024 te Waalwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
(art 311 lid 1 ahf Pro/sub 4 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 3 juli 2024 te Waalwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fatbike, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
(art 416 lid 1 ahf Pro/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
.