Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2945

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
25/2635
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Beleidsregel aanwijzing belastingplichtige en/of WOZ-belanghebbende in keuzesituaties Belastingsamenwerking West-Brabant 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslagen afvalstoffen- en rioolheffing op basis van WOZ-tekenstelling

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing voor de jaren 2024 en 2025, opgelegd door de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant. De aanslagen waren gesteld op naam van belanghebbende, die volgens de Basisregistratie Personen (BRP) vanaf 5 maart 2024 op het betreffende adres stond ingeschreven. Een andere persoon, [persoon], stond pas vanaf 5 januari 2025 ingeschreven.

Belanghebbende voerde aan dat de aanslagen onterecht aan haar waren opgelegd en dat deze op naam van [persoon] hadden moeten worden gesteld, omdat hij feitelijk het langst op het adres woonde en huurder was volgens een huurovereenkomst. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht de aanslagen aan belanghebbende had opgelegd, omdat de beleidsregel bepaalt dat de aanslag wordt gesteld op naam van degene die in de BRP als bewoner staat ingeschreven.

De rechtbank wees het verzoek om uitstel van de zitting af wegens onvoldoende onderbouwing en behandelde de zaak zonder aanwezigheid van belanghebbende of haar gemachtigde. De beroepen werden ongegrond verklaard, de aanslagen bleven in stand en belanghebbende kreeg geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2635
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 13 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van
29 april 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor de jaren 2024 en 2025 op één aanslagbiljet met dagtekening 24 februari 2025 en aanslagnummer [aanslagnummer] de volgende aanslagen opgelegd:
  • een aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2025 van € 251;
  • een aanslag rioolheffing gebruiker woning voor het jaar 2025 van € 350,77;
  • een aanslag watersysteemheffing ingezetenen voor het jaar 2025 van € 82,24;
  • een aanslag zuiveringsheffing woonruimten (eenpersoonshuishouden) voor de periode 1 januari 2025 tot en met 5 januari 2025 van € 6,58;
  • een aanslag zuiveringsheffing woonruimten (meerpersoonshuishouden) voor de periode van 5 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 van € 216,97;
  • een aanslag variabele afvalstoffenheffing voor de periode van 5 maart 2024 tot en met 31 december 2024 van € 57,75.
(hierna tezamen: de aanslagen)
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is op 26 november 2025 door de griffier uitgenodigd om op de zitting van 11 februari 2026 te verschijnen. De gemachtigde heeft bij brief van
24 januari 2026 verzocht om uitstel van de zitting wegens gezondheidsproblemen van gemachtigde. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen (zie 4).
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar [gemachtigde 2] deelgenomen. Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. De rechtbank leidt uit het verdagingsverzoek af dat (de gemachtigde van) belanghebbende op de hoogte was van de zitting en dat zij ervoor heeft gekozen om bij afwijzing van het verdagingsverzoek niet ter zitting te verschijnen. De zitting heeft daarom plaatsgevonden zonder aanwezigheid van (de gemachtigde van) belanghebbende.

Feiten

2. Belanghebbende stond volgens de basisregistratie personen (BRP) vanaf
5 maart 2024 ingeschreven aan de [adres] te [woonplaats] . Belanghebbende is gebruiker van de woning. [persoon] (hierna [persoon] ) stond vanaf 5 januari 2025 ook ingeschreven op dit adres blijkens de BRP.
2.1.
Tot de gedingstukken behoort een huurovereenkomst tussen [stichting] (verhuurder) en [persoon] (huurder). In de huurovereenkomst staat – voor zover relevant – het volgende:
“Artikel 3, de huurperiode
3.1
Deze huurovereenkomst wordt met ingang van 5 maart 2024 aangegaan voor een periode van 12 maanden en eindigt, met inachtneming van het hierna in 3.2 bepaalde, van rechtswege op 4 maart 2025, zodat deze laatste datum de laatste dag van de huurovereenkomst is
(…).”
2.2.
[persoon] stond volgens de BRP vanaf 5 januari 2025 ingeschreven aan de [adres] te [woonplaats] .
2.3.
Tot de gedingstukken behoort een brief met dagtekening 27 januari 2025 van [stichting] gericht aan [persoon] met onderwerp: “huurovereenkomst onbepaalde tijd”. Voorts staat in de brief, voor zover relevant:
“Vanaf 5 maart 2024 huurt u van ons de woning aan de [adres] in [woonplaats] (…)”
2.4.
Per e-mail op 22 april 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de heffingsambtenaar gemaild:
“hierbij doen wij u het huurcontract toekomen van de uiteindelijke bewoner niet zijnde [belanghebbende] ”.
2.5.
Per e-mail op 24 april 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende geantwoord op de vraag of belanghebbende en [persoon] de woning samen hebben betrokken geantwoord:
“Het klopt dat zij beiden de woning hebben betrokken”.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slagen de beroepen van belanghebbende niet en zijn de aanslagen terecht opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Overwegingen

Vooraf: afwijzing verdagingsverzoek
4. De rechtbank heeft op 15 januari 2026 een brief van gemachtigde ontvangen met het verzoek om uitstel van de zitting wegens gezondheidsproblemen (zie 1.3). De rechtbank heeft gemachtigde bij brief van 19 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om het verdagingsverzoek binnen één week met nadere stukken te onderbouwen. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting geen reactie van gemachtigde ontvangen. Gelet op het gebrek aan onderbouwing en de belangen gediend met het doorlopen van de procedure, is het verdagingsverzoek afgewezen.
Zijn de aanslagen terecht aan belanghebbende opgelegd?
4.1.
Belanghebbende stelt dat de aanslagen ten onrechte aan haar zijn opgelegd. Daartoe voert zij aan dat de aanslagen volgens beleidsregels moeten worden opgelegd aan [persoon] , omdat hij feitelijk het langst woonachtig is aan de [adres] te [woonplaats] namelijk sinds 3 maart 2024. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft belanghebbende een stuk getiteld huurovereenkomst, welke betrekking heeft op [persoon] overgelegd (zie 2.1). Volgens belanghebbende volgt uit de huurovereenkomst dat [persoon] huurder en hoofdbewoner is van de woning.
4.2.
Uit artikel 3, aanhef, van de toepasselijke Beleidsregel aanwijzing belastingplichtige en/of WOZ-belanghebbende in keuzesituaties Belastingsamenwerking West-Brabant 2025 (hierna: de Beleidsregel) volgt:

“Voorkeursvolgorde gebruiker woning/woonruimte

Met betrekking tot de belastingen die worden geheven terzake van het gebruik van een woning (afvalstoffenheffing en rioolheffing woningen) dan wel van een woonruimte (watersysteemheffing ingezetenen, zuiveringsheffing en verontreinigingsheffing) wordt de aanslag gesteld op naam van degene die in een Basisregistratie Personen (BRP) als bewoner op dat adres staat ingeschreven.
(…)”
4.3.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende volgens de BRP vanaf
5 maart 2024 staat ingeschreven aan de [adres] te [woonplaats] (zie 2). Verder volgt uit de door de heffingsambtenaar overgelegde BRP-administratie dat [persoon] sinds 5 januari 2025 staat ingeschreven op het adres het voorgenoemde adres (zie 2.2).
4.4.
Dit betekent dat de heffingsambtenaar de aanslagen op grond van artikel 3, aanhef, van de Beleidsregel terecht op naam van belanghebbende heeft gesteld, nu belanghebbende de enige persoon was die blijkens de BRP stond ingeschreven op dit adres op 1 januari van dit betreffende jaar.
4.5.
De stelling van belanghebbende dat [persoon] feitelijk nog eerder dan belanghebbende woonachtig was aan de [adres] , namelijk vanaf 3 maart 2024, slaagt ook niet. De rechtbank ziet enkel aanwijzingen dat [persoon] feitelijk gelijktijdig – en niet eerder – met belanghebbende woonachtig was op dit adres en zich niet heeft ingeschreven in de BRP. Ook als het feitelijk zo is gegaan dat belanghebbende en [persoon] gelijktijdig de woning hebben betrokken, dan nog zou dat het oordeel van de rechtbank niet anders maken. De heffingsambtenaar mag namelijk doorslaggevende betekenis toekennen aan de inschrijving in de BRP en de aanslagen zijn dus niet willekeurig vastgesteld zoals belanghebbende lijkt te betogen.
4.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de aanslagen terecht aan belanghebbende heeft opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen in stand blijven.
5.1.
Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van I.H.D.P. van Doezelaar, griffier, op 13 april 2026. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.