Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2936

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/428326 FA RK 24-5128
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Jong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 244 RvArt. 195 Rv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige vaststelling kinderalimentatie bij onzekerheid over vaderschap en gelast DNA-onderzoek

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak over kinderalimentatie waarbij onzekerheid bestond over het vaderschap van een man ten opzichte van twee minderjarige kinderen. De man had niet meegewerkt aan een eerder gelast DNA-onderzoek, wat leidde tot een verzoek van de vrouw om een voorlopige onderhoudsbijdrage vast te stellen.

Tijdens de zitting gaf de rechtbank aan dat het belang van de kinderen bij duidelijkheid over hun vaderschap groot is, mede vanwege hun behoefte aan een vaderfiguur. De man toonde zich uiteindelijk bereid alsnog mee te werken aan een nieuw DNA-onderzoek en een voorlopige alimentatie te betalen. De rechtbank legde de kosten van het eerdere onderzoek bij de man en gelastte een nieuw DNA-onderzoek door Verilabs.

De rechtbank berekende de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen op basis van het minimumloon in 2009 en de actuele inkomens, rekening houdend met andere onderhoudsverplichtingen. De voorlopige kinderalimentatie werd vastgesteld op €131 per kind per maand, met ingang van de datum van de beschikking. De definitieve beslissing wordt aangehouden tot na het DNA-onderzoek, waarbij de uitkomst bepalend zal zijn voor de definitieve onderhoudsplicht.

Uitkomst: De rechtbank stelt voorlopige kinderalimentatie vast en gelast nieuw DNA-onderzoek om het vaderschap definitief vast te stellen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/428326 FA RK 24-5128
13 maart 2026
beschikking over levensonderhoud
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh,
en
[de man],
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J-M.F. Honders.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 6 juni 2025 van deze rechtbank en de daarin genoemde stukken;
- het op 7 augustus 2025 ingekomen F9-formulier van mr. De Jongh;
- het op 16 september 2025 ingekomen F9-formulier van mr. De Jongh;
- het op 7 oktober 2025 ingekomen F9-formulier van mr. Honders;
- het op 10 oktober 2025 ingekomen bericht van Verilabs;
- het op 10 november 2025 ingekomen F9-formulier van mr. De Jongh;
- de op 14 november 2025 en 11 december 2025 ingekomen berichten van Verilabs;
- het bericht van 18 december 2025 van de rechtbank aan Verilabs;
- het op 5 januari 2026 ingekomen F9-formulier met bijlagen van mr. De Jongh;
- het op 12 januari 2026 ingekomen F9-formulier met bijlagen van mr. De Jongh;
- het op 18 januari 2026 ingediende F9-formulier van mr. Honders met daarbij het op 5 januari 2025 reeds ingediende verweerschrift en producties 1 tot en met 4;
1.2. De zaak is behandeld op de zitting van 19 januari 2026. Partijen waren daarbij aanwezig met hun advocaten.
1.3. Na de zitting heeft de rechtbank op 4 februari 2026 nog een declaratie van Verilabs ontvangen en op 5 februari 2026 het door mr. De Jongh ingediende F9-formulier.
1.4. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun mening gegeven tijdens een zogenoemd kindgesprek op 16 januari 2026. Tijdens de zitting van 19 januari 2026 heeft de rechter de inhoud van die gesprekken met toestemming van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan partijen teruggekoppeld. Zij hebben daarop kunnen reageren.

2.De verdere beoordeling

Het niet uitgevoerde DNA-onderzoek
2.1.
De rechtbank heeft in de beschikking van 6 juni 2025 geoordeeld dat de man aan de vrouw een onderhoudsbijdrage moet betalen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als komt vast te staan dat hij hun biologische vader is. Omdat de rechtbank het belangrijk vond dat op korte termijn duidelijk zou worden of de man de biologische vader van de tweeling is, heeft zij een DNA-onderzoek gelast, uit te voeren door Verilabs.
2.2.
Bij genoemde beschikking heeft de rechtbank ook bepaald dat later aan de hand van de dan bekende feiten en omstandigheden, waaronder de uitkomst van het DNA-onderzoek, een definitieve beslissing zal worden genomen over de verdeling van de door partijen te betalen kosten van het DNA-onderzoek.
2.3.
Uit de hiervoor onder 1.1 genoemde berichten van partijen en Verilabs blijkt dat de man ondanks meerdere uitnodigingen van Verilabs niet heeft meegewerkt aan het door de rechtbank gelaste DNA-onderzoek. Partijen hebben vervolgens beide de rechtbank verzocht om een zitting te plannen.
2.4.
De vrouw heeft bij brief van 5 januari 2026 en tijdens de zitting haar verzoek gehandhaafd. Zij wenst nog altijd dat de rechtbank een door de man aan haar ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te betalen onderhoudsbijdrage vaststelt van € 200,= per maand per kind, met ingang van 1 november 2024.
2.5.
De man heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij niet aan het DNA-onderzoek heeft meegewerkt, omdat hij de kosten daarvan niet kon betalen.
2.6.
De rechtbank heeft met partijen besproken hoe het nu verder moet. Hoewel de man erkent dat hij in de betreffende periode seksueel contact heeft gehad met de vrouw, weet hij niet zeker of hij de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De vrouw voert aan dat er voor haar geen enkele twijfel bestaat dat de man de biologische vader van de kinderen is. Dat blijkt voor haar onder meer uit de wijze waarop de man betrokken is geweest bij haar zwangerschap, uit de omstandigheid dat de man bij de geboorte van de tweeling aanwezig was en uit het gegeven dat hij ook verder in hun leven (af en toe) contact met hen heeft onderhouden. De vrouw heeft benadrukt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wel hebben meegewerkt aan het DNA-onderzoek en dat zij last hebben van de houding van de man. De vrouw heeft verder aangevoerd dat de rechtbank aan het niet meewerken van de man aan het DNA-onderzoek de gevolgtrekkingen kan verbinden die zij geraden acht. Volgens de vrouw moet de rechtbank als vaststaand aannemen dat de man de biologische vader is van de tweeling en vaststellen dat de man daarom een onderhoudsverplichting heeft.
2.7.
De rechtbank heeft de man voorgehouden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kindgesprek hebben duidelijk gemaakt dat zij het contact met de man missen. Zij hebben last van het feit dat er aan de zijde van de man onduidelijkheid zou bestaan over de vraag of hij hun vader is. Voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bestaat daar geen twijfel over. Het doet hen pijn dat de man leuke dingen doet met zijn huidige partner en andere kinderen, maar niet met hen. Zij zouden graag zien dat de man zich ook betrokken toont bij hun levens en zijn teleurgesteld dat het contact met de man sinds de start van deze procedure volledig is verbroken. De rechtbank heeft daarbij benadrukt dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat om een wezenlijk punt dat verband houdt met de vorming van hun identiteit: weten wie hun vader is en de mogelijkheid om een band met hem op te bouwen. Het is daarom in hun belang dat de man duidelijkheid geeft over de vraag of hij hun vader is.
2.8.
Na een korte onderbreking van de zitting waarin de man overleg heeft gevoerd met zijn advocaat, heeft de man gezegd dat hij alsnog bereid is om aan een DNA-onderzoek mee te werken. Ook heeft de man toegezegd dat hij de kosten zal dragen van het eerder gelaste DNA-onderzoek waaraan hij niet heeft meegewerkt. Verder heeft de man zich bereid getoond om een voorlopige kinderalimentatie te betalen, in afwachting van de uitkomst van het nieuwe DNA-onderzoek. Als de uitkomst daarvan is dat de man inderdaad de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, erkent de man zijn onderhoudsplicht en kan de voorlopige kinderalimentatie worden omgezet in een definitieve kinderalimentatie.
2.9.
De vrouw heeft, mede in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , met het voorstel van de man ingestemd.
2.10.
De rechtbank zal in overeenstemming met de afspraak tussen partijen beslissen. Dat betekent het volgende.
Kosten deskundige
2.11.
De rechtbank zal in deze beschikking de man veroordelen tot betaling van de tot op heden gemaakte kosten van de deskundige. Die kosten stelt de rechtbank op basis van de door Verilabs aan de rechtbank gezonden declaratie vast op een bedrag van € 60,= (inclusief BTW). De rechtbank heeft genoemde declaratie op 4 februari 2026 aan partijen gezonden met het verzoek aan partijen om zich daar desgewenst binnen twee weken over uit te laten. De vrouw heeft daarop bij F9-formulier van 5 februari 2026 gereageerd en de rechtbank laten weten dat de man die kosten moet voldoen. De man heeft niet gereageerd. Daaruit leidt de rechtbank af dat de man geen bezwaar heeft tegen de hoogte van de door de deskundige ingediende nota die hij – volgens de afspraak tussen partijen – voor zijn rekening zal nemen. Die kosten dient de man op grond van artikel 244 Rv Pro [1] te voldoen aan de griffier van de rechtbank. Hij zal daarvoor een factuur ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR).
Nieuw DNA-onderzoek
2.12.
De rechtbank zal daarnaast een nieuw DNA-onderzoek gelasten waarin wordt gevraagd te onderzoeken of de man de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarvoor zal de rechtbank opnieuw Verilabs te Gouda aanwijzen als deskundige. Verilabs heeft de rechtbank laten weten dat zij nog beschikt over het eerder door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgestane DNA-materiaal. De vrouw hoeft daarom voor hen niet opnieuw een afspraak te maken. De man zal wel een afspraak met Verilabs moeten maken. Daarvoor moet hij zelf telefonisch contact opnemen via het telefoonnummer 085-105 1415. Hij moet dat binnen één maand na het geven van deze beschikking doen. Indien de man (wederom) niet meewerkt aan het onderzoek, kan de rechtbank daaraan de consequenties verbinden die zij geraden acht.
2.13.
De kosten verbonden aan het nieuwe onderzoek bedragen tenminste € 695,=, inclusief BTW. Die kosten worden verhoogd met minstens € 60,= als partijen ieder afzonderlijk Verilabs bezoeken voor de afname van DNA-materiaal. Genoemde kosten van de deskundige van in totaal € 755,= moeten opnieuw worden voorgeschoten. Omdat het DNA-onderzoek nodig is om vast te stellen of de man de biologische vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dus om vast te stellen of hij onderhoudsplichtig is jegens hen, zal de rechtbank, net als in de beschikking van 6 juni 2025, bepalen dat het voorschot in beginsel voor rekening van de vrouw komt. Omdat aan haar een toevoeging is verleend worden die kosten echter op grond van het in deze zaak toepasselijke artikel 195 Rv Pro (oud) door de staat voorgeschoten.
2.14.
De rechtbank voegt daaraan toe, wederom net als in haar beschikking van 6 juni 2025, dat de beslissing ten aanzien van het voorschot nog niets zegt over wie van partijen de kosten van het tweede DNA-onderzoek uiteindelijk zal moeten betalen of op welke wijze die kosten over partijen worden verdeeld. Die beslissing houdt de rechtbank aan. Dat betekent dat de rechtbank daarover later een beslissing zal nemen op basis van de dan bekende feiten en omstandigheden. De uitkomst van het onderzoek kan daarbij een rol spelen. De rechtbank benadrukt dat als de man opnieuw niet meewerkt aan het DNA-onderzoek, de kosten in ieder geval voor zijn rekening zullen komen.
Kinderalimentatie
2.15.
De afspraak tussen partijen gaat ook over de vaststelling van een voorlopige kinderalimentatie in afwachting van de uitkomst van het nog te verrichten DNA-onderzoek. Als uit genoemd onderzoek blijkt dat de man niet de biologische vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is, dan rust op hem geen verplichting om bij te dragen in hun kosten. De bijdragen die de man dan al aan de vrouw betaald heeft, zal de vrouw aan hem moeten terugbetalen. Komt vast te staan dat de man de verwekker is van de tweeling, dan zal de kinderalimentatie (in beginsel zonder nadere zitting) definitief worden vastgesteld.
2.16.
Omdat partijen het niet eens zijn over de hoogte en de ingangsdatum van de (voorlopig) door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zal de rechtbank die onderhoudsbijdrage en ingangsdatum vaststellen.
2.17.
Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen maakt de rechtbank gebruik van de uitgangspunten die zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
2.18.
Uitgangspunt bij de bepaling van de behoefte van kinderen van ouders die niet in gezinsverband hebben samengeleefd, is dat deze in beginsel bepaald wordt door het gemiddelde te nemen van de afzonderlijke behoeftes van de kinderen berekend op basis van het inkomen van ieder van de ouders.
2.19.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren op [geboortedag] 2009, zodat de inkomens van de man respectievelijk de vrouw in 2009 in beginsel de basis vormen voor de vaststelling van de behoefte van de tweeling.
2.20.
Geen van partijen heeft gegevens verstrekt waaruit hun inkomens in 2009 kunnen worden afgeleid. De vrouw stelt dat aan beide zijden gerekend moet worden met het minimuminkomen. De man betoogt dat hij in 2009 een paar maanden in Nederland woonde. Hij had af en toe een baan. Hij had niet veel inkomen, misschien € 750,= per maand.
2.21.
Partijen zijn het erover eens dat zij in 2009 ieder een minimuminkomen hadden. Omdat zij de rechtbank geen concreet inzicht hebben geboden in hun financiële situatie destijds, zal de rechtbank voor ieder van hen aansluiting zoeken bij het per 1 juli 2009 [2] geldende minimumloon van € 1.398,60 per maand, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. De man heeft zijn stelling dat hij een lager inkomen had onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Ook zal de rechtbank rekening houden met een kindgebonden budget. Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van ieder van partijen komt daarmee op € 17.951,= per jaar, ofwel (€ 17.951 / 12 =) € 1.496,= per maand.
2.22.
De rechtbank heeft een berekening gemaakt die bij deze beschikking is gevoegd en daarvan onderdeel uitmaakt.
2.23.
Bij gelijke (fictieve) inkomens van partijen zal de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij ieder van hen ook gelijk zijn. Het gemiddelde van de afzonderlijke behoeftes zal dus neerkomen op het bedrag berekend op basis van het (fictieve) inkomen van één van partijen. Bij een NBI van € 1.496,= is de behoefte volgens de tabel € 147,= per kind. Geïndexeerd naar 2026 gaat het om een bedrag van € 224,= per kind.
Aandeel in de kosten van de kinderen
2.24.
Vervolgens moet de rechtbank bepalen op welke wijze de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dat opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Dat betekent dat de behoefte van kinderen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het huidige NBI van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2026 bij inkomens vanaf € 2.200,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.200,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.
2.25.
Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
2.26.
De vrouw heeft volgens de door haar overgelegde gegevens een belastbaar inkomen van € 29.112,= per jaar (in 2026). De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 10.504,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag van € 3.141,= per maand.
2.27.
De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 584,= per maand.
2.28.
Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.
2.29.
De man heeft volgens de ingediende salarisspecificaties een inkomen van € 43.371,= bruto per jaar (in 2024). Tijdens de zitting heeft de vrouw erop gewezen dat er volgens de van toepassing zijnde CAO in 2025 op 1 januari en op 1 september een loonsverhoging heeft plaatsgevonden van 2,6% respectievelijk 3,0 %. Daarmee zou het jaarinkomen van de man op € 45.834,= komen. De man heeft ermee ingestemd dat de rechtbank voor de berekening van zijn NBI van dat inkomen uit zal gaan. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 3.090,= per maand.
2.30.
De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 559,= per maand.
2.31.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt die bij deze beschikking zijn gevoegd en daarvan onderdeel uitmaken.
Onderhoudsplicht jegens andere kinderen
2.32.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen besproken op welke wijze zij rekening moet houden met de overige kinderen die partijen hebben en waarvoor zij onderhoudsplichtig zijn. De man heeft gezegd dat hij voor drie andere kinderen gemiddeld € 50,= per kind per maand bijdraagt. De vrouw heeft ermee ingestemd om rekening te houden met de onderhoudsverplichting van de man jegens drie andere kinderen voor een bedrag van in totaal € 150,= per maand. Dat betekent dat voor de man een draagkracht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] resteert van (€ 559 – € 150 =) € 409,= per maand.
2.33.
De vrouw heeft twee andere, jongmeerderjarige kinderen waarvoor zij onderhoudsplichtig is. Voor die kinderen ontvangt zij geen kinderalimentatie. Tijdens de zitting heeft zij ermee ingestemd dat voor de verdeling van haar draagkracht over haar vier kinderen kan worden uitgegaan van de (theoretische) situatie dat zij van de vader(s) van de twee oudste kinderen een bedrag van € 50,= per kind per maand ontvangt. Omdat de rechtbank niet beschikt over de gegevens om de behoefte van bedoelde jongmeerderjarige kinderen van de vrouw vast te stellen, gaat zij uit van een (minimale) behoefte die gelijk is aan de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , namelijk € 224,= per kind. Dat betekent dat van de draagkracht van de vrouw in de situatie dat in de volledige behoefte van haar kinderen wordt voorzien, voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een beschikbare ruimte overblijft van (€ 584 – € 174 – € 174 =) € 236,=.
Verdeling van de kosten
2.34.
De verdeling van de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de kinderen, oftewel:
het aandeel van de man bedraagt: € 409 / € 645 x € 224 = € 142,= per kind;
het aandeel van de vrouw bedraagt: € 236 / € 645 x € 224 = € 82,= per kind.
Zorgkorting
2.35.
De man stelt aanspraak te maken op toepassing van een zorgkorting van 15% op de door hem te betalen kinderbijdrage. De vrouw maakt daartegen bezwaar, omdat er al anderhalf jaar geen enkel contact is geweest tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.36.
De rechtbank zal aan de man een zorgkorting van 5% toekennen. Weliswaar is er op dit moment geen contact tussen de man en de kinderen, maar het is een wens van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de man in de (nabije) toekomst als hun vader betrokken zal zijn in hun leven. De rechtbank spreekt de hoop en de verwachting uit dat in het geval het DNA-onderzoek bevestigt dat de man de vader is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hij het contact met hen zal hernieuwen en op verantwoorde wijze invulling zal geven aan zijn rol als hun vader.
2.37.
De zorgkorting is dan een bedrag van (5% van € 224,=) € 11,= per kind per maand. Het aandeel van de man wordt verminderd met dat bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 131,= per kind per maand.
Ingangsdatum
2.38.
Omdat de rechtbank op dit moment – in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek – een voorlopige beslissing over de kinderalimentatie geeft, zal zij de betalingsverplichting van de man laten ingaan per de datum van deze beschikking.
2.39.
De rechtbank overweegt dat de man er rekening mee moet houden dat de definitieve kinderalimentatie met terugwerkende kracht wordt vastgesteld, waarbij aansluiting wordt gezocht bij de datum van indiening van het verzoekschrift (5 november 2024). De man heeft immers vanaf dat moment rekening kunnen houden met de vaststelling van een door hem te betalen bijdrage.
Conclusie
2.40.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank in afwachting van de uitkomst van het te verrichten DNA-onderzoek, de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking voorlopig – totdat definitief is beslist of tussen partijen anderszins is overeengekomen – vaststellen op € 131,= per kind per maand.
Aanhouding definitieve beslissing over kinderalimentatie
2.41.
De rechtbank zal de definitieve beslissing op het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een kinderalimentatie in afwachting van de uitkomst van het DNA-onderzoek aanhouden tot na te noemen pro forma-datum. In beginsel wordt de zaak vervolgens zonder nadere zitting afgedaan.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt voorlopig – totdat definitief is beslist of tussen partijen anderszins is overeengekomen – dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009, en
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 131,= (honderd eenendertig euro) per maand per kind;
3.2.
stelt de tot op heden gemaakte kosten van de deskundige vast op € 60,= (inclusief BTW);
3.3.
veroordeelt de man tot betaling van de tot op heden gemaakte kosten van de deskundige, zijnde een bedrag van € 60,= (inclusief BTW), welke kosten ten laste van ’s Rijks kas zijn voorgeschoten, te voldoen aan de griffier van de rechtbank door overmaking van het bedrag onder vermelding van “kosten deskundigenonderzoek [achternaam van de vrouw en de man] ” en het zaak- en rolnummer C/02/428326 FA RK 24-5128 binnen veertien dagen nadat hij daarvoor een nota van de griffier (via het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak, het LDCR) heeft ontvangen;
3.4.
gelast (opnieuw) een DNA-onderzoek met betrekking tot de vraag of de man de biologische vader is van de hiervoor genoemde minderjarigen;
3.5.
benoemt Verilabs, Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda als deskundige ter beantwoording van voormelde vraag;
3.6.
bepaalt het voorschot op € 755,= (zevenhonderdvijfenvijftig euro) (inclusief BTW);
3.7.
bepaalt dat voornoemd voorschot vooralsnog ten laste van ’s Rijks kas wordt gebracht;
3.8.
bepaalt dat de benoemde deskundige zijn werkzaamheden zal aanvangen en – zo mogelijk – twaalf weken daarna schriftelijk aan de rechtbank zal rapporteren;
3.9.
houdt iedere verdere beslissing, waaronder de definitieve beslissing over de kinderalimentatie en de beslissing over (de verdeling van) de kosten van het bij deze beschikking gelaste DNA-onderzoek, aan tot
5 juni 2026 (pro forma), zulks in afwachting van het rapport van de deskundige.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van Egeraat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Zie: Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 mei 2009, nr. ASEA/SAS/2009/10764, tot aanpassing van het wettelijke minimumloon per 1 juli 2009,