De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 15 maart 2026. De GI stelt dat de kinderen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd door de dynamiek van fors huiselijk geweld en dwingende controle van de vader.
Tijdens de mondelinge behandeling werd tevens het verzoek van de moeder behandeld om haar het alleenouderschap toe te kennen en de vader het contact met de kinderen voor twee jaar te ontzeggen. De vader verzocht om aanhouding van de beslissing op dit verzoek. De GI onderbouwt het verlengingsverzoek met recente incidenten, waaronder een anonieme melding die leidde tot plaatsing in een safehouse en het voorlopig ontzeggen van contact tussen vader en kinderen.
De kinderrechter oordeelt dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn behaald. Er is noodzaak tot verdere hulpverlening aan zowel de vader als de moeder, en pedagogische ondersteuning voor de kinderen. De regie voor het herstarten van contact ligt bij de GI. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling met een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad vanwege de noodzaak voor de ontwikkeling van de kinderen.