Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2901

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/02/426644 / FA RK 24-4289
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 31 Verdrag van IstanboelArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding beslissing gezag en omgang, raadsonderzoek en voortzetting omgangstraject

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelt een verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag over de minderjarige en een verzoek van de man tot vaststelling van een zorg- en contactregeling. Beide partijen zijn betrokken bij een hulpverleningstraject bij De GezinsManager (De GM) dat sinds juli 2025 is stilgevallen na een incident tijdens een omgangsmoment. De vrouw heeft zorgen geuit over de veiligheid en integriteit van het traject, terwijl de man de begeleiding van De GM positief beoordeelt.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om partijen terug te verwijzen naar De GM voor voortzetting van het omgangstraject en tevens een raadsonderzoek in te stellen naar de gezagsverhoudingen en de veiligheidssituatie, mede vanwege zorgen over mogelijk partnergeweld en de impact daarvan op het kind. De rechtbank acht het noodzakelijk om een gedegen onderzoek te laten verrichten alvorens een beslissing te nemen over het eenhoofdig gezag.

De rechtbank houdt de beslissing op het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag en het verzoek van de man tot vaststelling van een zorg- en contactregeling aan tot 11 september 2026, in afwachting van het rapport van de Raad en voortgangsrapportages over het omgangstraject. Partijen worden geacht medewerking te verlenen aan de voortzetting van het omgangstraject bij De GM, met het oog op het belang van het kind op stabiel contact met beide ouders.

De rechtbank benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij zowel het recht van het kind op bescherming tegen mishandeling en geweld als het recht op contact met beide ouders wordt meegewogen. De vrouw kan niet worden verplicht deel te nemen aan het ouderschapsbemiddelingstraject, omdat dit vrijwillig is. De rechtbank behoudt zich verdere beslissingen voor na ontvangst van het raadsonderzoek.

Uitkomst: Beslissing over eenhoofdig gezag en zorg- en contactregeling aangehouden tot 11 september 2026, met raadsonderzoek en voortzetting omgangstraject.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/426644 / FA RK 24-4289
datum uitspraak: 13 maart 2026
nadere beschikking over gezag en omgang
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur uit Oosterhout,
tegen
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer uit Tilburg,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het verdere procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 3 december 2024 en alle daarin vermelde stukken;
- het e-mailbericht van de griffier van de rechtbank van 7 oktober 2025 gericht aan de advocaten van partijen;
- het F9-formulier van mr. Avontuur van 8 oktober 2025;
- de brief van mr. Molkenboer van 14 oktober 2025 met 1 bijlage;
- de brief van mr. Molkenboer van 15 oktober 2025;
- het e-mailbericht van De GezinsManager van 14 oktober 2025 met 1 bijlage;
- de brief van mr. Molkenboer van 15 oktober 2025;
- de brief van mr. Avontuur van 9 december 2025 met 5 bijlagen.
1.2
De behandeling van de zaak is met gesloten deuren voortgezet op de zitting van
13 februari 2026. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.

2.De nadere beoordeling

2.1
Aan de rechtbank liggen de volgende verzoeken ter beoordeling voor.
Met betrekking tot de vrouw
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat zij belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] , kosten rechtens.
De vrouw voert verweer tegen het (zelfstandige) verzoek van de man tot vaststelling van een zorg- en contactregeling.
Met betrekking tot de man
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. een zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen, waarbij de man en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar:
- wekelijks op woensdag of vrijdag van 10:00 uur tot 19:00 uur;
- gedurende één weekend per maand, te weten het laatste weekend van de maand, van vrijdag 15:00 uur tot en met zondag 18:00 uur;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg bij helfte te verdelen;
2. dan wel een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
3. met compensatie van proceskosten
2.2
Bij beschikking van 3 december 2024 heeft de rechtbank partijen en [minderjarige] verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant voor een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) ten behoeve van de hierna genoemde resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (zware systeemgerichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De beslissingen op de verzoeken tot wijziging van het gezag en de vaststelling van een zorg- en contactregeling zijn aangehouden tot 19 augustus 2025 pro forma in afwachting van het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject en het daarvan opgemaakte rapport.
2.3
De GezinsManager (hierna: De GM) heeft op 13 oktober 2025, op verzoek van de rechtbank, een tussentijdse rapportage uitgebracht. Hierin is, samengevat, het volgende opgenomen. Partijen en [minderjarige] zijn in maart 2025 gestart met een hulpverleningstraject bij De GM. Er zijn twee hulpverleningstrajecten ingezet, namelijk een traject tot omgang en een traject tot ouderschapsbemiddeling. In het kader van het omgangstraject hebben er vanaf april 2025 wekelijks omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] van één uur plaatsgevonden op de locatie van De GM. Sinds mei 2025 is de omgang uitgebreid naar twee uur deels begeleid en deels onbegeleid op locatie van De GM. In het kader van het ouderschapsbemiddelingstraject zijn er individuele gesprekken met partijen gevoerd en is met partijen gewerkt aan hun blauwdruk (opvoedstijl, opvoedwaarden, copings-mechanismen, hechting, liefdestalen, gezin van herkomst, tijdslijn etcetera). Ook zijn er diverse thema’s besproken en is er uitleg gegeven (psycho-educatie). In beide trajecten zijn positieve stappen gezet, tot aan het omgangsmoment dat tussen de man en [minderjarige] heeft plaatsgevonden op 4 juli 2025. Samengevat omschrijft de GM de gebeurtenissen die dag als volgt. Voorafgaand aan dit omgangsmoment, heeft er telefonisch contact tussen partijen plaatsgevonden. De vrouw maakte zich zorgen over de gemoedstoestand van de man en ervaarde de situatie als dreigend. Zij heeft De GM hierover geïnformeerd, waarna door De GM preventief contact is opgenomen met de politie met de vraag of zij in de buurt van De GM aanwezig wilden zijn. De politie heeft hieraan gehoor gegeven, maar is, anders dan besproken en gevraagd, niet laagdrempelig in burger gekomen, maar met twee wagens en vier agenten. Na aankomst van de man bij De GM, heeft er een gesprek met hem plaatsgevonden om een inschatting te maken van zijn gemoedstoestand en om te beoordelen of de omgang door kon gaan. In eerste instantie schrok de man hiervan, waarna hij zich herstelde en zijn excuses heeft aangeboden aan De GM. Ook heeft er nog een gesprek tussen partijen plaatsgevonden, dat ontspannen verliep en waarin de man zijn excuses aan de vrouw heeft aangeboden. Omdat de man rustig was en er geen signalen van onveiligheid waren, is besloten om de omgang tussen de man en [minderjarige] door te laten gaan. Van dit omgangsmoment is een verslag opgemaakt. Nadat de vrouw had laten weten het niet eens te zijn met de inhoud van het verslag, is zij tweemaal uitgenodigd voor een gesprek bij De GM. De vrouw is hierop niet ingegaan, en heeft laten weten de omgang tussen de man en [minderjarige] voorlopig stop te zetten. De vrouw is hierop teruggekomen medio september 2025, waarna aan de vrouw meerdere voorstellen zijn gedaan voor een gesprek met als doel de samenwerking en afstemming verder vorm te geven. Tot op heden is daarvoor nog geen datum gevonden. Doordat het omgangstraject en het ouderschapsbemiddelingstraject begin juli 2025 zijn gestagneerd, zijn nog niet alle resultaten volledig bereikt. Er is nog geen stabiele basis ontstaan voor structureel contactherstel tussen [minderjarige] en de man. Een jeugdbeschermingsmaatregel kan nodig zijn om de noodzakelijke stappen te kunnen borgen en de belangen van [minderjarige] te beschermen. Daarnaast kan een raadsonderzoek inzicht geven in de gezinsdynamiek en hierover advies geven, aldus nog steeds De GM.
2.4
Mr. Molkenboer heeft bij brieven van 14 oktober 2025 en 15 oktober 2025 verzocht om de zaak zo spoedig mogelijk op een nieuwe zitting te behandelen. Hij voert aan dat uit de tussentijdse rapportage van De GM blijkt dat de vrouw het contact met de hulpverlening en de omgang heeft stopgezet waarbij door haar geschermd wordt met oneigenlijke argumenten. Uit de rapportage van De GM blijkt dat er wel ruimte is voor contact tussen de man en [minderjarige] .
2.5
Mr. Avontuur heeft bij brief van 9 december 2025 aan de rechtbank bericht dat op
4 juli 2025 sprake is geweest van een escalatie, waarover de lezingen uiteenlopen. Volgens de vrouw is er door medewerkers van De GM vier keer vanaf verschillende nummers in paniek naar de politie gebeld, omdat de man zou hebben gedreigd de boel kort en klein te slaan. Toen de vrouw ter plaatse kwam met [minderjarige] waren er drie politie-eenheden aanwezig. Hierover is door De GM, tot verbazing van de vrouw, niets opgenomen in het verslag dat over het omgangsmoment van 4 juli 2025 is opgemaakt, omdat dit volgens
De GM niet behoorde tot de omgang. Daarop heeft de vrouw verzocht om een veiligheidsplan, waarop De GM afwijzend heeft gereageerd. De GM ontkende de lezing van de feiten door de vrouw en gaf de vrouw min of meer de schuld van de ontstane situatie. De vrouw heeft geprobeerd opheldering te krijgen over het verloop van het incident, maar de politie heeft afwijzend gereageerd op haar verzoek om informatie. In september heeft de vrouw aangegeven dat de omgang tussen de man en [minderjarige] hervat kon worden. Door toedoen van De GM is dit echter tot op heden niet tot stand gekomen. De vrouw ervaart de handelswijze van De GM als weinig integer, naast de rommelige wijze waarop het traject al vanaf het begin verloopt. Bovendien vreest de vrouw dat De GM weinig tot geen oog heeft voor de veiligheid van [minderjarige] . De vrouw kan niet instemmen met het advies van De GM om een beschermingsmaatregel te treffen, omdat een gecertificeerde instelling werkt vanuit de Methodiek complexe scheidingen, binnen welk model er geen oog is voor ex-partnergeweld en risico’s op kindermishandeling. Dit terwijl GREVIO, zoals blijkt uit haar rapport van oktober 2025, aanbeveelt dat alle lopende gezag- en omgangszaken gescreend zouden moeten worden op partnergeweld. De vrouw zou het wenselijk vinden dat een in de problematiek gespecialiseerde organisatie, zoals Sterk Huis en [hulpverlening] , de begeleiding op zich zou nemen. Sterk Huis en [hulpverlening] kunnen, in tegenstelling tot De GM, een MASIC-screening doen en zij hebben expertise op het vlak van scheidingen met geweld, zoals hier aan de orde. Mede in dit verband verwijst de vrouw nog naar de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5305) waarbij het Hof een verplichting tot onderzoek nodig achtte, ook ter bepaling van een risico op kindermishandeling.
2.6
Ter zitting is met partijen de huidige stand van zaken besproken. Partijen hebben aangegeven dat de trajecten bij De GM geen voortgang meer hebben gekregen na het omgangsmoment op 4 juli 2025. Tussen de vrouw en De GM is over en weer contact geweest over het maken van een afspraak nadat de vrouw had aangegeven de omgang tussen de man en [minderjarige] weer te willen herstarten, maar deze afspraak is tot op heden niet tot stand gekomen. De man heeft na 4 juli 2025 geen omgang meer gehad met [minderjarige] . Evenmin hebben partijen na 4 juli 2025 contact met elkaar gehad.
2.7
De vertegenwoordigster van de Raad heeft op zitting naar voren gebracht dat zij uit het tussentijds rapport van De GM, dat De GM op verzoek van de rechtbank heeft opgemaakt, afleidt dat het hulpverleningstraject bij De GM nog niet is beëindigd. In dit rapport heeft De GM namelijk aangegeven geen contra-indicaties te zien voor omgang tussen de man en [minderjarige] en door te willen gaan met het omgangstraject. De Raad adviseert derhalve om partijen terug te verwijzen naar De GM om het omgangstraject voort te zetten. De Raad ziet op basis van de voorliggende informatie zorgen in de wijze waarop partijen uitvoering geven aan hun gezamenlijk ouderschap over [minderjarige] . Gelet hierop acht de Raad het aangewezen om een nader onderzoek te verrichten naar het gezag, en of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is.
2.8
In reactie op het advies van de Raad is door en namens de vrouw aangegeven dat de vrouw kan instemmen met een onderzoek van de Raad naar het gezag. Belangrijk is dat er helderheid komt over de mogelijkheden van partijen tot gezamenlijk ouderschap en daarmee samenhangend de uitoefening van het gezag over [minderjarige] . Wel acht de vrouw het belangrijk dat de Raad een breed onderzoek verricht, waarbij uitvoering wordt gegeven aan de richtlijnen van GREVIO zoals weergegeven onder 151. sub a van het rapport van GREVIO van oktober 2025. Dit omdat niet alleen tijdens de relatie van partijen, maar ook tijdens een eerdere relatie van de man, zoals de vrouw heeft begrepen van de toenmalige partner van de man, sprake is geweest van dwingende controle/intiem terreur. De vrouw en [minderjarige] moeten daartegen beschermd worden. In een eventueel beschermingsonderzoek door de Raad ziet de vrouw geen heil. Gebleken is dat een ondertoezichtstelling, gezien de methode die bij de uitvoering van een ondertoezichtstelling wordt gehanteerd, geen verbetering brengt in de voorliggende problematiek maar eerder een verslechtering. Het vertrouwen van de vrouw in De GM is door alles wat is voorgevallen geschaad. Desalniettemin kan de vrouw instemmen met een voortzetting van het omgangstraject bij De GM. Een wijziging van zorgaanbieder zou er toe leiden dat de omgang tussen de man en [minderjarige] nog langer stil komt te liggen hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. De vrouw staat niet achter een voortzetting van het ouderschapsbemiddelingstraject bij De GM. De GM mist de benodigde expertise op het gebied van dwingende controle/intiem terreur en biedt hierin niet de juiste begeleiding. Bovendien is het belangrijk dat er duidelijkheid komt over de mogelijkheden van gezamenlijk ouderschap en gezag door middel van het onderzoek van de Raad voordat hierop eventueel verdere hulpverlening wordt ingezet.
2.9
Door en namens de man is in reactie op het advies van de Raad naar voren gebracht dat hij geen bezwaar heeft tegen een onderzoek van de Raad. De man heeft er vertrouwen in dat de Raad een deugdelijk onderzoek zal verrichten. De man bestrijdt dat sprake is van vergelijkbare problematiek in een eerdere relatie van de man. Dit doet in de onderhavige zaak dan ook niet ter zake. Ook heeft de man een andere lezing dan de vrouw over hoe De GM haar rol heeft vervuld vanaf de start van de hulpverleningstrajecten. De man is altijd tevreden geweest over de begeleiding van De GM zowel met betrekking tot het omgangstraject als het ouderschapsbemiddelingstraject en de wijze waarop deze trajecten werden uitgevoerd. De man wenst dan ook dat beide trajecten, maar in ieder geval het omgangstraject, worden voortgezet. Door een conflict tussen de vrouw en De GM is de omgang tussen de man en [minderjarige] stil komen liggen. De man vindt dit erg jammer omdat hij en [minderjarige] net een band met elkaar hadden opgebouwd en zij beiden veel plezier beleefden aan de omgangsmomenten. De man wil zo spoedig mogelijk weer omgang met [minderjarige] , waarbij toegewerkt gaat worden naar onbegeleide omgang en/of een uitbreiding van de omgang in duur.
2.1
Op basis van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat beide partijen kunnen instemmen met een onderzoek van de Raad naar de wijze waarop partijen invulling geven aan het gezamenlijk ouderschap en gezag. Ook de rechtbank ziet noodzaak voor een dergelijk onderzoek. Uit de voorliggende stukken blijkt dat partijen een belaste voorgeschiedenis met elkaar hebben. Desondanks is het partijen gelukt om samen een start te maken met het ouderschapsbemiddelingstraject van De GM. Dit traject is echter na het (laatste) omgangsmoment van 4 juli 2025 volledig stil komen te liggen. Nadien hebben partijen geen enkel contact meer met elkaar gehad over [minderjarige] en/of daartoe initiatieven ondernomen, ondanks dat partijen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] dragen. Gelet hierop en nu de vrouw ter zitting uitdrukkelijk heeft aangegeven niet mee te willen werken aan een voortzetting van het ouderschapsbemiddelingstraject bij De GM, acht de rechtbank het van belang dat er duidelijkheid komt over de mogelijkheden van partijen tot gezamenlijk ouderschap en gezag middels een raadsonderzoek. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het verzoek van de vrouw tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en toekenning van het eenhoofdig gezag aan haar een ingrijpende beslissing is die een zorgvuldige belangenafweging vergt. Op basis van de voorliggende stukken en dat wat tijdens de zitting is aangevoerd acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om een goed gefundeerde en weloverwogen beslissing te nemen op dit verzoek van de vrouw in relatie tot de belangen van [minderjarige] .
De rechtbank zal daarom de Raad verzoeken om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:
- Is eenhoofdig gezag, zoals wordt verzocht door de vrouw, in het belang van [minderjarige] ?
- Bestaat er, bij instandhouding van het gezamenlijk gezag van partijen, een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen partijen en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of is het anderszins in het belang van [minderjarige] te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen?
- Wat hebben partijen nodig aan hulpverlening om te komen tot een goede invulling en uitoefening van het gezamenlijk ouderschap en gezag, en kan dit van partijen ook verwacht worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
2.11
Nu de vrouw concreet en gemotiveerd (met stukken) naar voren heeft gebracht dat sprake is (geweest) van een patroon van dwingende controle / intieme terreur, hetgeen de man betwist, ziet de rechtbank aanleiding de Raad te verzoeken om in zijn onderzoek aandacht te hebben voor de zorgen en risico’s die de vrouw ziet in verband met dit door haar gestelde partnergeweld. Daarbij verwacht de rechtbank van de Raad dat zij tevens inzicht geeft in de methodiek(en) die zij daarbij heeft ingezet. De rechtbank ziet aanleiding het voorgaande uitdrukkelijk toe te voegen nu zij rekening dient te houden met zowel het belang van [minderjarige] en de vrouw om beschermd te worden tegen iedere vorm van mishandeling of geweld (zoals onder andere neergelegd in artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanboel) als met het belang van [minderjarige] en de man tot contact met elkaar (zoals onder andere neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM).
Tot slot overweegt de rechtbank dat het de Raad vrij staat om zijn onderzoek, indien daartoe aanleiding wordt gezien, uit te breiden met een beschermingsonderzoek. De bezwaren die de vrouw daartegen heeft aangevoerd, staan aan een dergelijk onderzoek niet in de weg.
2.12
De rechtbank zal de beslissing op het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag voor de duur van zes maanden aanhouden in afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek, en wel tot 11 september 2026 PRO FORMA. De rechtbank wil uiterlijk op voormelde datum in ieder geval op de hoogte worden gesteld over (de voortgang van) het onderzoek door de Raad, ook als het raadsrapport op dat moment nog niet gereed is. Na binnenkomst van het rapport zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.
2.13
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat partijen open staan voor een voortzetting van het omgangstraject bij De GM dat was gestart (maar is komen stil te liggen) conform de verwijzing uit de beschikking van 3 december 2024. Beide partijen zien het belang in van dit traject en zowel de man als de vrouw zijn bereid om hieraan hun verdere medewerking te verlenen. Ook de rechtbank acht het, conform het advies van de Raad, belangrijk dat dit traject wordt herstart. Daarbij stelt zij voorop dat zij het niet in het belang van [minderjarige] acht dat de omgang tussen hem en de man stil is komen te liggen. Hierdoor is [minderjarige] namelijk nogmaals geconfronteerd met een verlies van de man als ouder, terwijl [minderjarige] en de man een band met elkaar aan het opbouwen waren. Dit is schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] , die moet kunnen rekenen op een stabiel contact met zijn beide ouders. Daarnaast leidt de rechtbank uit het tussentijdse rapport van De GM af dat de omgangsmomenten tussen de man en [minderjarige] goed verliepen, waaraan beiden plezier beleefden en dat sprake was van een positieve interactie. Belangrijk is dan ook dat aan de omgangsmomenten verder gevolg gegeven wordt, waarbij de mogelijkheden tot uitbreiding van de omgangsmomenten worden onderzocht.
2.14
Zoals besproken ter zitting, zullen partijen zich tot De GM wenden met het verzoek om het omgangstraject te vervolgen / te herstarten. De rechtbank verwacht van partijen dat zij De GM in het bezit van deze beschikking stellen. Verder kan de rechtbank zich voorstellen dat tussen De GM en de vrouw, voorafgaand aan de herstart van dit traject, nog een gesprek zal plaatsvinden, om zaken naar elkaar uit te spreken en de samenwerking met elkaar opnieuw vorm te geven. Dit alles in het belang van [minderjarige] , die recht heeft op onbelast contact met zijn beide ouders.
2.15
Overeenkomstig de aanhoudingstermijn met betrekking tot het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag, zal de rechtbank de behandeling van het verzoek van de man tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling eveneens aanhouden voor de duur van zes maanden, dus tot 11 september 2026 PRO FORMA. Daarbij verwacht de rechtbank van partijen uiterlijk op voormelde datum bericht, al dan niet onder overlegging van een (tussentijds) rapport van De GM, over het verloop van het omgangstraject bij De GM alsook de invulling en uitvoering van de omgang tussen de man en [minderjarige] of zoveel eerder als mogelijk.
2.16
Tot slot overweegt de rechtbank dat de vrouw op dit moment niet open staat voor een voortzetting van het ouderschapsbemiddelingstraject bij De GM. De wenselijkheid van een dergelijk traject en de mogelijkheden van partijen daartoe zullen, in het licht van het gezamenlijk ouderschap en gezag, nader worden onderzocht in het raadsonderzoek. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat, hoewel zij de wens van de man tot voortzetting van het ouderschapsbemiddelingstraject bij De GM begrijpelijk acht, daarvoor de medewerking van beide partijen nodig is. Omdat sprake is van hulpverlening in het vrijwillig kader kan de vrouw tot deelname aan het ouderschapsbemiddelingstraject niet worden verplicht.
2.17
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder rechtsoverweging 2.10 vermelde vragen met inachtneming van hetgeen onder rechtsoverweging 2.11 is overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank moet worden ingediend, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan(de advocaten van) van partijen;
3.2
houdt tot 11 september 2026 PRO FORMA aan de beslissing op:
- het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag in afwachting van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda;
- het verzoek van de man tot het vaststellen van een zorg- en contactregeling in afwachting van het bericht van partijen over het verloop van het omgangstraject bij De GM alsook de invulling en uitvoering van de omgang tussen de man en [minderjarige] ;
3.3
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.