Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2886

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
439526 / FARK 25-4560 en 439530 / JERK 25-1618
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige na intrekking overige verzoeken

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 november 2025 verzoeken van de moeder en vader betreffende het ouderlijk gezag en hoofdverblijf van twee minderjarigen. De moeder verzocht onder meer om ondertoezichtstelling en eenhoofdig gezag, terwijl de vader wijziging van het hoofdverblijf en zorgregeling voor de kinderen vroeg.

Tijdens de zitting en in daaropvolgende correspondentie trokken beide partijen meerdere verzoeken in, behoudens het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van minderjarige 2 bij hem vast te stellen. De rechtbank stelde vast dat minderjarige 2 sinds de zomervakantie 2025 feitelijk bij de vader woont en achtte het in het belang van het kind om de juridische situatie hierop aan te passen.

De rechtbank bepaalde daarom voorlopig het hoofdverblijf van minderjarige 2 bij de vader met ingang van 13 maart 2026 en hield de definitieve beslissing aan tot 15 september 2026. De overige verzoeken werden afgewezen wegens intrekking. De rechtbank benadrukte het belang van goede afspraken over contact en de inzet van de Schottenaanpak om de situatie voor de kinderen te verbeteren.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt voorlopig het hoofdverblijf van minderjarige 2 bij de vader en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummers: C/02/439526 / FA RK 25-4560
C/02/439530 / JE RK 25-1618
datum uitspraak: 13 maart 2026
beschikking
in de zaken van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom,
tegen
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. W.C.G.M. van Hoof uit Tilburg,
over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, hierna te noemen [minderjarige 1] ;
-
[minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012, hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
mr. M. Schram,
advocaat in Rosmalen,
hierna te noemen de gezinsadvocaat.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de kinderrechter over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
In de dossiers van beide zaken zitten de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de vrouw van 4 september 2025 met 2 bijlagen, ontvangen op 5 september 2025;
- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 15 september 2025 met 2 bijlagen;
- het bericht van de gezinsadvocaat van 5 november 2025;
- het verweerschrift van de man van 17 november 2025, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met 1 bijlage;
- het bericht van de griffier van 17 november 2025 gericht aan de gezinsadvocaat;
- het bericht van mr. Van Hoof van 17 november 2025 met 1 bijlage;
- het bericht van de gezinsadvocaat van 18 november 2025 met 7 bijlagen;
- het bericht van de gezinsadvocaat van 19 november 2025;
- het bericht van de gezinsadvocaat van 19 november 2025 met 1 bijlage;
- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 22 december 2025;
- het F9-formulier van mr. Van Hoof van 23 december 2025;
- het bericht van de griffier van de rechtbank van 29 december 2025 gericht aan de gezinsadvocaat;
- het F5-formulier van mr. Bronsveld van 12 januari 2026;
- het F9-formulier van mr. Van Hoof van 21 januari 2026;
- het bericht van de gezinsadvocaat van 6 februari 2026;
- het bericht van de griffier van de rechtbank van 9 februari 2026 gericht aan partijen.
1.2
De zaken zijn gelijktijdig op de zitting van 20 november 2025 met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- de gezinsadvocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn naar hun mening gevraagd. Zij hebben beiden afgezien van een gesprek met de kinderrechter. Wel heeft de gezinsadvocaat een brief van [minderjarige 1] en een brief van [minderjarige 2] ingestuurd waarin zij hun mening hebben gegeven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter de brieven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] samengevat weergegeven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze relatie is geëindigd eind 2014/begin 2015. Uit de relatie van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
2.2
Partijen zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben met ingang van 16 december 2014 tot 16 juni 2017 onder toezicht gestaan van Bureau Jeugdzorg Brabant (thans: Stichting Jeugdbescherming Brabant).
2.4
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres van de vrouw. [minderjarige 1] woont bij de vrouw. [minderjarige 2] woont sinds de zomervakantie 2025 bij de man.

3.De verzoeken

3.1
Bij verzoekschrift van 4 september 2025 heeft de vrouw de rechtbank verzocht om:
I. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van een door de rechtbank te bepalen gecertificeerde instelling en om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen om [minderjarige 2] in een hulp- en opvang locatie te plaatsen (geregistreerd onder zaaknummer C/02/439530 /
JE RK 25-1618);
II. te bepalen dat zij alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] wordt belast (geregistreerd onder zaaknummer C/02/439526 / FA RK 25-4560).
3.2
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt de vrouw
niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans haar verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijf heeft bij de man;
II.
primair: te bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijf heeft bij de man, althans
subsidiair: te bepalen dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken [minderjarige 1] de ene week bij de vrouw zal verblijven en de andere week bij de man, wekelijks wisselend op vrijdagmiddag 18:00 uur (geregistreerd onder zaaknummer C/02/439526 / FA RK 25-4560).

4.De beoordeling

4.1
Ter zitting van 20 november 2025 zijn de verzoeken van partijen behandeld. Partijen en hun advocaten en de gezinsadvocaat zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten en de Raad heeft een advies uitgebracht. Er is gesproken over de huidige stand van zaken en de betrokken hulpverlening. Partijen is informatie gegeven over de mogelijkheid tot het inzetten van de methode van de Schottenaanpak. De behandeling van beide zaken is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich nader te beraden over de inzet van de methode van de Schottenaanpak en wat dit betekent voor de door hen ingediende verzoeken.
4.2
De advocaten van partijen en de gezinsadvocaat hebben de rechtbank na de zitting van 20 november 2025 meerdere malen bericht. Bij F5-formulier van 12 januari 2026 heeft mr. Bronsveld de rechtbank laten weten dat de vrouw, om haar moverende redenen, haar verzoeken intrekt. Mr. Van Hoof heeft de rechtbank bij F9-formulier van 21 januari 2026 bericht dat de man zijn zelfstandige verzoeken vermeld onder II. intrekt, maar zijn zelfstandige verzoek vermeld onder I. handhaaft.
4.3
In reactie op voormelde berichten van partijen heeft de gezinsadvocaat, mede namens beide advocaten van partijen, het volgende aan de rechtbank bij bericht van
6 februari 2026 onder de aandacht gebracht.
Beide partijen hebben, zoals al medegedeeld door hun advocaten aan de rechtbank, verzoeken ingetrokken. De vrouw heeft haar verzoeken tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en tot eenhoofdig gezag van [minderjarige 1] ingetrokken, en de man zijn verzoeken tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en tot wijziging van de zorgregeling van [minderjarige 1] . Wel handhaaft de man zijn verzoek om te bepalen dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijf bij de man heeft.
Na de zitting van 20 november 2025 is er een start gemaakt met de methode van de Schottenaanpak. Er ligt nu een concept-contract Schottenaanpak en gehoopt wordt dat dit getekend gaat worden. Voor de rust en kans van slagen om te komen tot een goede start met de Schottenaanpak is het van belang dat er een tussenbeschikking komt. Daarbij verzoekt de gezinsadvocaat, mede namens beide advocaten van partijen, om in de beschikking vast te leggen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de man zal zijn. Het verblijf van [minderjarige 2] bij de man is nu de feitelijke situatie en in het dagelijks leven ontstaan bezwaren omdat deze feitelijke situatie niet de juridische situatie is. Vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de man wordt daarom in haar belang geacht. De situatie tussen de vrouw en [minderjarige 2] is op dit moment nog niet van dien aard dat het te verwachten is dat [minderjarige 2] op korte termijn haar hoofdverblijf weer bij de vrouw zal hebben.
Volgens de gezinsadvocaat zou ten aanzien van het contactherstel tussen de vrouw en [minderjarige 2] wenselijk zijn om te bepalen dat dit vooralsnog op initiatief van [minderjarige 2] plaatsvindt. Er is hulpverlening betrokken bij [minderjarige 2] en het hele gezin en van daaruit is dit advies ook naar voren gekomen. Op deze manier kan er bij [minderjarige 2] ruimte ontstaan voor het aangaan van contactherstel met de vrouw.
4.4
In reactie op voormeld bericht van de gezinsadvocaat heeft de griffier van de rechtbank aan de advocaten van partijen bij bericht van 9 februari 2026 laten weten dat de rechtbank voornemens is om conform hetgeen de gezinsadvocaat, mede namens hen, aan de rechtbank heeft voorgesteld, te beslissen. Dit houdt in dat er een tussenbeschikking wordt afgegeven waarin het hoofdverblijf van [minderjarige 2] - voorlopig - bij de man wordt bepaald, tenzij partijen daarover een andere visie hebben. In dat geval worden de advocaten van partijen verzocht de rechtbank hierover binnen tien dagen na heden te berichten.
4.5
De rechtbank stelt vast dat op het bericht van de griffier van de rechtbank van
9 februari 2026 niet is gereageerd door partijen binnen de gestelde termijn. Zij overweegt voorts het volgende.
4.6
Nu partijen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 2] uitoefenen is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij hem te bepalen. Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, van het BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter kan, gelet op artikel 1:253a, tweede lid, aanhef en onder sub b van het BW, een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 2] sinds de zomervakantie 2025 bij de man woont. De bepaling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de man is op dit moment dan ook het meest passend, omdat hiermee de juridische situatie in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] voorlopig bij de man te bepalen gezien de ontwikkelingen in deze zaak en de resultaten van de (nog in te zetten) hulpverlening.
Gelet hierop zal de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige 2] - voorlopig - naar de man wijzigen met ingang van 13 maart 2026, de datum van deze beschikking zodat de man [minderjarige 2] op zijn adres kan inschrijven. Een definitieve beslissing op het verzoek van de man zal worden aangehouden voor de duur van zes maanden tot de pro forma datum 15 september 2026. Daarbij wordt van de gezinsadvocaat en de advocaten van partijen verwacht dat zij uiterlijk op voormelde pro forma datum de rechtbank schriftelijk zullen berichten over het verloop van het verblijf van [minderjarige 2] bij de man, de hulpverlening en het contact tussen de vrouw en [minderjarige 2] alsook de actuele stand van zaken op dat moment.
4.7
Voor zover de gezinsadvocaat in haar bericht van 6 februari 2026 aan de rechtbank heeft verzocht om te bepalen dat het contact tussen [minderjarige 2] en de vrouw vooralsnog op initiatief van [minderjarige 2] dient plaats te vinden, overweegt de rechtbank dat zij daarover geen beslissing kan nemen nu een dergelijk verzoek van partijen niet aan de rechtbank voorligt. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen over het contact tussen de vrouw en [minderjarige 2] , in goed overleg met hun advocaten, de gezinsadvocaat en de betrokken hulpverlening, duidelijke en heldere afspraken zullen maken, waarbij de belangen van [minderjarige 2] voorop worden gesteld.
4.8
De overige verzoeken van partijen liggen niet meer ter beoordeling aan de rechtbank voor nu deze zijn ingetrokken. Dit betekent dat deze verzoeken zullen worden afgewezen.
4.9
Tot slot overweegt de rechtbank dat zij hoopt dat het partijen gaat lukken om te starten met de methode van de Schottenaanpak. De rechtbank realiseert zich dat dit veel van de inzet van partijen vraagt. Belangrijk is dat partijen goed voor ogen houden dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeer van belang is dat er een verbetering komt in de huidige situatie zodat zij minder belast worden en zich kunnen richten op hun ontwikkeling.
4.1
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak C/02/439530 / JE RK 25-1618 over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten in voormelde zaak worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
C/02/439526 / FA RK 25-4560
5.1
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat [minderjarige 2] met ingang van heden haar hoofdverblijfplaats
voorlopigbij de man heeft;
5.2
houdt aan de definitieve beslissing op het verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij hem te bepalen tot
dinsdag 15 september 2026 pro forma, en verzoekt de gezinsadvocaat en de advocaten van partijen om de rechtbank uiterlijk op voormelde pro forma datum schriftelijk te berichten zoals is omschreven in rechtsoverweging 4.6 van deze beschikking;
5.3
wijst af het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag;
5.4
wijst af de verzoeken van de man tot wijzing van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en tot wijziging van zorgregeling van [minderjarige 1] ;
5.5
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
C/02/439530 / JE RK 25-1618
5.6
wijst af de verzoeken van de vrouw tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] ;
5.7
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is, bij afwezigheid van mr. Van Leuven, gegeven door mr. Maandag, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.