Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2870

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445536 / FA RK 26-1070
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting voorlopige voogdij Stichting Jeugdbescherming Brabant over minderjarige

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 maart 2026 een nadere beschikking gegeven over de voorlopige voogdij van een minderjarige. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag, maar zij geeft geen invulling aan dit gezag en heeft aangegeven de zorg niet te kunnen en willen dragen. De Stichting Jeugdbescherming Brabant (GI) was reeds bij beschikking van 2 maart 2026 belast met de voorlopige voogdij tot 16 maart 2026.

Tijdens de mondelinge behandeling, die met gesloten deuren plaatsvond, is vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een ander oordeel. Hoewel de moeder twijfels heeft geuit over haar afstandsbesluit en samen met de vader onderzoekt of zij zelf de zorg kunnen dragen, is het noodzakelijk dat de GI voorlopig de voogdij blijft voeren om een gezagsvacuüm te voorkomen.

De kinderrechter heeft daarom besloten de voorlopige voogdij te verlengen van 16 maart 2026 tot 2 juni 2026, met de mogelijkheid tot verlenging indien voor die datum een voorziening in het gezag wordt verzocht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt geregistreerd in het centraal gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De voorlopige voogdij van Stichting Jeugdbescherming Brabant over de minderjarige wordt verlengd tot 2 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445536 / FA RK 26-1070
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over de voorlopige voogdij
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ROTTERDAM-DORDRECHT,
locatie Rotterdam,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
uitdrukkelijk domicilie kiezende bij het [accommodatie] te [plaats] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- de beschikking van 2 maart 2026 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordiger van de GI (
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijke gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 2 maart 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 2 maart 2026 en tot 16 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Thans ligt ter beoordeling voor of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een ander oordeel betreffende de verzochte voorlopige voogdij, alsmede het resterende deel van het verzoek, te weten de voorlopige voogdij over de periode van 16 maart 2026 tot 2 juni 2026.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het ingediende verzoekschrift.
4.2.
De GI heeft aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] . Zij verblijft in een pleeggezin en doet het daar goed. Afgelopen week heeft de moeder bij het [accommodatie] om foto’s van [minderjarige] gevraagd en om een update over hoe het met haar gaat. Ook gaan de ouders binnenkort op bezoek bij [minderjarige] in het pleeggezin. Gisteravond is bij de GI het bericht binnengekomen van het [accommodatie] dat de moeder haar twijfels heeft over haar besluit tot het doen van afstand. Zij heeft veel met de vader van [minderjarige] gesproken en zij gaan samen kijken of zij toch zelf de zorg voor [minderjarige] kunnen dragen. Dit moet de komende periode verder onderzocht worden door het [accommodatie] en de Raad.

5.De beoordeling

5.1.
Bij beschikking van 2 maart 2026 is de GI belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige [minderjarige] voor de duur van twee weken, te weten tot 16 maart 2026. De kinderrechter dient nu te beoordelen of er na het horen van de betrokkenen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Daarnaast moet zij het resterende deel van het verzoek beoordelen.
5.2.
Op grond van de inhoud van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling oordeelt de kinderrechter dat de voorlopige voogdij nog steeds dringend en noodzakelijk in het belang van [minderjarige] is. De moeder, die van rechtswege het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige] , heeft stellig aangegeven de zorg voor [minderjarige] niet te kunnen en willen dragen. Zij geeft thans geen invulling aan haar ouderlijk gezag. Onlangs heeft de moeder bij het [accommodatie] aangegeven dat zij haar twijfels heeft over haar besluit tot het doen van afstand. De kinderrechter hoopt dat er in het belang van [minderjarige] tot een passende oplossing gekomen kan worden. In de komende periode moet hier dan ook verder onderzoek naar worden verricht. Op dit moment is het echter nog steeds noodzakelijk dat er beslissingen in het belang van [minderjarige] kunnen worden genomen. Op grond van het voorgaande concludeert de kinderrechter dat er geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren zijn gekomen die aanleiding geven tot een ander inhoudelijk oordeel dan in de spoedbeslissing van 2 maart 2026 is verwoord.
5.3.
De kinderrechter dient vervolgens het resterende deel van het verzoek te beoordelen, namelijk de voorlopige voogdij voor de resterende periode van 16 maart 2026 tot 2 juni 2026. De eerder benoemde noodzaak tot voorlopige voogdij is nog steeds aanwezig. Hoewel de moeder op dit moment twijfelt aan haar besluit tot het doen van afstand en hier in de komende periode verder onderzoek naar moet worden verricht, is het nu zo dat de moeder geen invulling geeft aan het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Indien de voorlopige voogdij niet bij de GI wordt belegd, zal er sprake zijn van een gezagsvacuüm, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. De kinderrechter vindt het noodzakelijk dat de GI voor nu belast blijft met de voorlopige voogdij, zodat noodzakelijke (gezags)beslissingen voor [minderjarige] kunnen worden genomen, haar belangen worden behartigd en praktische zaken kunnen worden geregeld.
5.4.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bepaalt dat Stichting Jeugdbescherming Brabant met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast blijft met ingang van 16 maart 2026 en tot 2 juni 2026, zulks met dien verstande dat deze maatregel van rechtswege eindigt op 2 juni 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de kinderrechter een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dit verzoek is beslist;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.