Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2867

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/444924 / JE RK 26-235
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • De Beer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt om ondertoezichtstelling van de minderjarige voor een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden in een pleegzorgvoorziening. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar kunnen door hun kwetsbare achtergrond en problematiek onvoldoende veiligheid en zorg bieden. De minderjarige is een baby die ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd.

De kinderrechter neemt het verzoek in behandeling en houdt een zitting met gesloten deuren. De Raad, de ouders en de gecertificeerde instelling (GI) zijn aanwezig. De ouders erkennen de ondertoezichtstelling, maar verzetten zich tegen de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing en verzoeken om een kortere termijn.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De ouders accepteren onvoldoende hulp en zijn niet in staat de veiligheid en verzorging van de minderjarige te waarborgen. De machtiging wordt voor zes maanden toegekend, waarbij de GI de ontwikkeling en opvoedsituatie nauwgezet moet monitoren. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/444924 / JE RK 26-235
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.W. de Gruijl uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
advocaat mr. R.W. de Gruijl uit Rotterdam,
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
gevestigd te Eindhoven,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026;
  • het gewijzigd verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de moeder, bijgestaan door mr. V. de Roo (kantoorgenoot van hun advocaat);
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
Aan mevrouw [persoon] van het [hulpverlening] is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/445881 / JE RK 26-406. Op dit zaaknummer is per separate beschikking beslist.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
Bij beschikking van 23 december 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van GI. Deze voorlopige ondertoezichtstelling is daarna verlengd tot 23 maart 2026.
2.4.
Bij beschikking van 21 januari 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is vervolgens verlengd tot 23 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en om een machtiging voor een half jaar te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinsvervangende omgeving (naar de rechtbank begrijpt, een voorziening voor pleegzorg). Ook verzoekt de Raad de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad stelt dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar
ontwikkeling wordt bedreigd. Er zijn zorgen over haar kwetsbare positie waarbij de ouders haar geen basale veiligheid, zorg en opvoeding kunnen bieden en haar opgroeiperspectief niet helder is. De zorg die noodzakelijk is voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging, wordt niet of onvoldoende geaccepteerd. De ouders worden (deels) in staat geacht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn te dragen. Ouders hebben een neutrale derde nodig die in het belang van [minderjarige] optreedt en sturen kan bieden als het nodig is.
De Raad vindt een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk en in het belang van haar verzorging en opvoeding. [minderjarige] dient in een emotioneel en fysieke veilige opvoedomgeving te verblijven, die haar verzorging en opvoeding, aandacht en bescherming biedt en aansluit bij haar opvoedbehoeften. De Raad is van mening dat voor een baby als [minderjarige] een periode van ongeveer 6 maanden als aanvaardbare termijn geldt. Deze periode van 6 maanden is voor [minderjarige] overbrugbaar, omdat ze nu in een veilige setting woont waar voldaan wordt aan haar opvoedbehoeftes en omdat er nu geen bijzonderheden in haar ontwikkeling worden geconstateerd. Mocht terugthuisplaatsing een optie zijn, dan dient er oog te zijn voor hetgeen [minderjarige] binnen het pleeggezin aan relaties heeft opgebouwd.
4.2.
Namens en door de ouders is aangegeven dat de ouders geen reden zien voor de maatregelen. Ze zien echter ook in in welke positie zij ten onterechte terecht zijn gekomen. Zij voeren daarom geen verweer tegen de ondertoezichtstelling, enkel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Zij verzoeken om deze voor een kortere periode van twee, drie maanden toe te wijzen, zodat de ouders de kans krijgen om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kunnen zorgen.
4.3.
De GI staat achter de verzoeken van de Raad. Wel is de GI van mening dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing een jaar moet zijn.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op basis van lid 2 kan de machtiging eveneens worden verleend op verzoek van de Raad.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Er zijn zorgen over de opvoed- en verzorgingsvaardigheden van de ouders. [minderjarige] is een baby en om die reden afhankelijk van de volwassenen om haar heen. De ouders hebben beiden een kwetsbare achtergrond. Zij ontvangen beiden zorg vanuit de Wet langdurige Zorg. De vader heeft niet aangeboren hersenletsel en de moeder kampt met psychische problematiek en psychoses. Bij de moeder is het FACT-team betrokken. Er is daarnaast onvoldoende probleeminzicht bij de ouders. Zij lijken niet in te zien en te beseffen wat voor invloed hun keuzes en gedrag hebben op [minderjarige] . Zij herkennen ook geen onveiligheid in hun situatie ten aanzien van de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] . Dit terwijl de veiligheid van [minderjarige] meermaals ter sprake is gebracht. Bijvoorbeeld toen de ouders naar buiten gingen om te roken, terwijl [minderjarige] huilde en zonder toezicht achterbleef. Daarnaast gaan de ouders in het bijzijn van [minderjarige] in discussie en werden adviezen van de verpleging niet aangenomen.
5.5.
Er is bovendien sprake van een beperkte stressregulatie, impulsief gedrag en verbale agressie. De ouders zijn daarbij niet in staat om adequaat te reageren op de behoeften van een kwetsbare baby en zijn daardoor onvoldoende in staat om haar veiligheid te bieden.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders zijn ambivalent in de aanvaarding van hulp. De GI heeft aangegeven dat er vlak na de bevalling een opname in een moeder kind huis was geregeld. De ouders wilden dit toen niet. Nu is die mogelijkheid niet meer beschikbaar. Op dit moment willen de ouders alle hulp aanvaarden die nodig is zodat [minderjarige] bij hen thuis komt wonen. Zo willen zijn nu wel gezinsdiagnostiek, als dat betekent dat [minderjarige] dan bij hen verblijft.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.8.
De kinderrechter geeft de GI de navolgende doelen mee:
- [minderjarige] groeit op binnen een veilige en stabiele opvoedingsomgeving, waarin regelmaat, rust en structuur wordt geboden, zij gestimuleerd wordt in haar ontwikkeling en er aangesloten wordt bij haar opvoedbehoeften;
- [minderjarige] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat/naar haar mogelijkheden;
- Er is onafhankelijk zicht ontstaan op de opvoedomgeving van ouders, hun persoonlijke situatie alsmede op hun beider opvoedvaardigheden en in hoeverre ouders goed genoeg ouderschap kunnen bieden;
- Er is duidelijkheid over het opgroeiperspectief van [minderjarige] en over welke rol haar ouders in haar leven spelen;
- Ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en houden zich aan de gemaakte afspraken.
5.9.
Er zijn volgens de GI geen plekken beschikbaar voor een gezinsopname. Bovendien is psychische problematiek een contra-indicatie voor een gezinsopname. Gezinsdiagnostiek kan wel geregeld worden. Daarmee kan volgens de GI hetzelfde in kaart gebracht worden en de ouders kunnen dan thuis blijven. De GI ziet geen mogelijkheden om [minderjarige] thuis bij de ouders te laten zijn.
5.10.
De kinderrechter is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De kinderrechter zal deze voor de door de Raad gevraagde duur van zes maanden toewijzen.
5.11.
Het is van belang dat er de komende maanden onderzocht wordt in hoeverre de ouders leerbaar zijn en in hoeverre er sprake is van goed genoeg ouderschap. Van belang is dat de ouders serieus genomen worden en dat aan hen de te nemen stappen worden uitgelegd. De komende zes maanden zijn daarom ook bedoeld om duidelijkheid te verkrijgen over waar [minderjarige] het beste kan verblijven.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 12 maart 2026 en tot 12 maart 2027;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 12 maart 2026 en tot 12 september 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 26 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.