De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder, die samen met de vader het ouderlijk gezag uitoefent. De vader communiceert slecht met de moeder en toont een ambivalente houding ten opzichte van hulpverlening, wat de ontwikkeling van de kinderen ernstig bedreigt.
De kinderrechter heeft de kinderen eerder onder toezicht gesteld tot 18 maart 2026 en bij een tussenbeschikking het hoofdverblijf bij de moeder vastgesteld. De GI verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling met een jaar, omdat de doelen nog niet zijn bereikt en de situatie onrustig blijft. De moeder stemt in met het verzoek en benadrukt de noodzaak van stabiliteit en duidelijke grenzen.
De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld: de kinderen worden nog steeds ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door het gebrek aan onbelast contact met beide ouders en het ontbreken van samenwerking tussen de ouders. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende vanwege de houding van de vader. Daarom is een gedwongen kader noodzakelijk. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 18 maart 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.