Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2863

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445148 / JE RK 26-270
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige bij ouder zonder gezag

De zaak betreft een verzoek van Jeugdbescherming Brabant (GI) om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de moeder zonder gezag. De minderjarige is sinds zijn derde levensjaar onder voogdij van de vader, die het gezag heeft. Na beëindiging van een eerdere ondertoezichtstelling in 2024 en contactverlies met de moeder, ontstonden in 2025 opnieuw zorgen over de minderjarige, waaronder schoolverzuim, somberheid en vermoedelijke gameverslaving. De minderjarige ging toen bij de moeder wonen, met wie het contact was hersteld.

De GI stelt dat de situatie bij de moeder veilig is en dat de minderjarige, die bijna vijftien jaar is, duidelijk aangeeft niet terug te willen naar de vader vanwege spanningen. De vader betwist dit en verwijt de moeder en GI nalatigheid bij de terugplaatsing, maar erkent dat een gedwongen terugplaatsing mogelijk averechts werkt. De moeder ondersteunt het verzoek en benadrukt dat de minderjarige het goed doet bij haar.

De kinderrechter oordeelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. Gezien de positieve ontwikkeling bij de moeder, de leeftijd en de wens van de minderjarige, wordt het verzoek toegewezen. De kinderrechter benadrukt het belang van het stimuleren van contact tussen de ouders en de minderjarige en erkent de inzet van de vader in het verleden. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt direct.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de moeder zonder gezag en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445148 / JE RK 26-270
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N.J.R.M. Elings uit Molenschot.
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 22 april 2022 is het gezag van de moeder beëindigd en is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de vader. De vader heeft [minderjarige] niet erkend.
2.2.
[minderjarige] verblijft de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 oktober 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 oktober 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder zonder gezag te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
Door de GI is middels het verzoek en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat [minderjarige] gedurende een lange periode onder toezicht gesteld is geweest, welke is beëindigd in oktober 2024 omdat het goed ging met [minderjarige] bij de vader. Met de moeder was geen contact meer en ook haar gezag was beëindigd. Op 28 oktober 2025 is echter opnieuw een ondertoezichtstelling uitgesproken omdat [minderjarige] niet goed in zijn vel zat, niet naar school wilde, er zorgen waren over een gameverslaving bij [minderjarige] en hij geen hulpverlening wilde. [minderjarige] is bij de moeder gaan wonen, met wie het contact weer was hersteld. De vader stelde regels en kwam in conflict met [minderjarige] . Bij de moeder werd hij gelaten en kon hij meer zijn eigen ding doen. Inmiddels verblijft [minderjarige] een jaar bij de moeder. De jeugdbeschermer (die ook bij de eerdere ondertoezichtstelling betrokken was) ziet dat de moeder haar rol en verantwoordelijkheid in de tussentijd goed heeft opgepakt. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is respectvol en aardig. De moeder pakt haar ouderrol en zij probeert [minderjarige] te stimuleren in contact met de vader. Gezien wordt dat [minderjarige] in ontwikkeling is. Hij gaat elke dag naar school, ziet er gezond en verzorgd uit, is open in zijn contact en kan goed vertellen hoe hij in deze situatie staat. [minderjarige] is heel stellig in zijn wens om niet terug te willen naar de vader, omdat er dan weer sprake zal zijn van spanningen en ruzies tussen hen. [minderjarige] wil wel contact met de vader maar dan op zijn eigen manier en niet middels een vaste zorgregeling. De GI is van mening dat de situatie bij de moeder voldoende veilig is en dat mede gezien de leeftijd van [minderjarige] er naar zijn wens geluisterd moet worden. De GI begrijpt de frustraties van de vader, maar terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader is op dit moment niet haalbaar. [minderjarige] heeft zelf zijn keuze gemaakt en hierin moet worden meebewogen. De GI handhaaft het verzoek, en zegt toe de komende tijd te zullen gaan kijken of [minderjarige] gemotiveerd kan worden voor een vaste zorgregeling met de vader.
4.2.
Door en namens de vader is middels het verweerschrift en op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat er grote zorgen om [minderjarige] zijn geweest met als gevolg dat hij in oktober 2025 opnieuw onder toezicht is gesteld. In die beschikking is door de rechtbank ook bepaald dat [minderjarige] terug moest naar de vader. [minderjarige] is toen terug naar de vader gestuurd zonder enige begeleiding of hulp. De thuisplaatsing was dan ook gedoemd te mislukken. De vader heeft geprobeerd grenzen te stellen en [minderjarige] terug op de rit te krijgen, waardoor [minderjarige] vervolgens weer naar de moeder is vertrokken. De moeder heeft lak gehad aan de uitspraak van de kinderrechter en heeft hem in huis gehaald. Omdat de GI heeft nagelaten de moeder te sturen en geen begeleiding heeft geboden bij de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader, heeft dit kunnen gebeuren. De vader maakt zich grote zorgen om [minderjarige] , gezien de geschiedenis en het beeld dat hij nu van [minderjarige] heeft. Gevoelsmatig zou de vader graag zien dat opnieuw wordt besloten dat [minderjarige] wordt thuisgeplaatst bij hem. De vader beseft echter dat hierdoor de kans bestaat dat hij [minderjarige] nog verder van zich afduwt en dat is het laatste wat hij wil. Namens de vader wordt gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter over het verzoek van de GI.
4.3.
Door de moeder is op de zitting, kort samengevat, aangevoerd dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] krijgt wat hij nodig heeft. [minderjarige] zegt het fijn te hebben bij de moeder en doet het goed bij haar. [minderjarige] luistert, gaat op tijd naar bed en gaat weer iedere dag naar school. Op school zijn geen zorgen over hem. De moeder probeert [minderjarige] te stimuleren in contact met de vader en is niet bezig met het opstoken van [minderjarige] tegen de vader, zoals de vader beweert. De moeder staat achter het verzoek van de GI.

5.De beoordeling

5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [minderjarige] heeft sinds zijn derde levensjaar bij de vader gewoond. Na contactverlies met de moeder en beëindiging van de ondertoezichtstelling in 2024, zijn er in 2025 toch weer forse zorgen over [minderjarige] ontstaan. Zo had hij geen goed dag- en nachtritme, was vermoedelijk sprake van een gameverslaving, was hij somber en ging hij niet naar school. De vader heeft geprobeerd om hierin grenzen te stellen en [minderjarige] te stimuleren, maar dit werkte averechts waardoor [minderjarige] naar de moeder is vertrokken. Inmiddels woont [minderjarige] een jaar bij de moeder en is van genoemde zorgen geen sprake meer. [minderjarige] heeft zich herpakt bij de moeder en heeft de sterke wens om bij de moeder te blijven wonen. De GI schat ook in dat de situatie bij de moeder voldoende veilig is, er wordt een goed contact gezien tussen [minderjarige] en de moeder en gezien wordt dat de moeder haar ouderrol en verantwoordelijkheid goed opgepakt heeft. Kijkend naar de wens van [minderjarige] , die inmiddels bijna vijftien jaar is, en het feit dat hij het goed maakt bij de moeder en er van de eerdere zorgen geen sprake meer is, maakt dat de kinderrechter het nu in het belang van [minderjarige] acht dat hij bij de moeder blijft wonen. De kinderrechter zal het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing bij de ouder zonder gezag, in dit geval de moeder, dan ook toewijzen. De kinderrechter begrijpt dat dit voor de vader heel frustrerend is en beaamt dat een en ander niet goed is verlopen. Wanneer de kinderrechter beslist dat een minderjarige terug moet worden geplaatst, dient dit ook daadwerkelijk te gebeuren. Daar had direct op moeten worden ingegrepen. Dat is echter niet gebeurd. Er is inmiddels een jaar verstreken en dat maakt dat de huidige situatie, waarin [minderjarige] het goed doet, en gezien de leeftijd en wens van [minderjarige] , naar het oordeel van de kinderrechter moet worden voortgezet. Dat maakt dat het verzoek van de GI wordt toegewezen.
5.3.
De kinderrechter acht het van belang dat de ouders zich bewust raken van het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] verkeert. De ouders zitten niet op een lijn en [minderjarige] dient hiermee continu om te gaan. Dit is niet hoe het hoort, [minderjarige] hoort kind te zijn en niet met volwassen zaken bezig te zijn. De kinderrechter vraagt de moeder in belang van [minderjarige] hem zo veel mogelijk te stimuleren in het contact met de vader, en hem het gevoel te geven dat hij het fijn mag hebben bij de vader en van de vader mag houden. Ook de vader dient [minderjarige] emotionele toestemming te geven voor het contact met de moeder.
5.4.
Tot slot wenst de kinderrechter nog op te merken dat zij ziet dat de vader een hele lange periode met alle liefde en aandacht voor [minderjarige] heeft gezorgd en hem heeft opgevoed, wat [minderjarige] heeft gemaakt tot de jongen die hij nu is. De vader verdient hiervoor een groot compliment.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder zonder gezag met ingang van 12 maart 2026 tot 28 oktober 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 25 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.