Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2860

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/445149 / JE RK 26-271
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ondertoezichtstelling minderjarige wegens persoonlijke problematiek ouders

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar, later gewijzigd tot 6 december 2026, vanwege zorgen over de opvoedsituatie. De moeder heeft een licht verstandelijke beperking en moeite met het bieden van passende zorg, terwijl de vader een beperkt probleem-inzicht heeft en de hulpverlening niet volledig afmaakt. De minderjarige woonde met haar moeder in een voorziening en is recent overgeplaatst naar een moeder-kindvoorziening.

De ouders zijn behoorlijk opgeroepen voor de zitting, maar verschenen niet. De kinderrechter concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de persoonlijke problematiek van de ouders, die intensieve opvoedondersteuning nodig hebben. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende, omdat de vader niet volledig meewerkt en de moeder niet zelfstandig de bedreiging kan wegnemen.

De kinderrechter wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling toe tot 6 december 2026, zodat de maatregel gelijkloopt met die van de oudere zus. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige onder toezicht van een gecertificeerde instelling tot 6 december 2026 vanwege ernstige bedreiging van haar ontwikkeling door persoonlijke problematiek van de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445149 / JE RK 26-271
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026;
  • de op 19 februari 2026 aan de moeder en de vader verzonden aangetekende en niet-aangetekende oproepbrieven;
  • de op 16 maart 2026 retour ontvangen aan de moeder en de vader gerichte aangetekende oproepbrieven, met op beide enveloppen de mededeling: niet afgehaald, retour afzender.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De moeder en de vader zijn niet zijn verschenen. Uit de stukken is gebleken dat de aangetekende en niet-aangetekende oproepbrieven zijn gestuurd naar het adres waarop zij in het BRP stonden ingeschreven ten tijde van de indiening van het verzoek. Dit blijkt uit een controle op 18 februari 2026. De moeder en de vader zijn dan ook behoorlijk opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 1] woonde op het moment van indiening van het verzoek met haar moeder bij [accommodatie] , een voorziening van Sterk Huis. [minderjarige 1] heeft een oudere zus, [minderjarige 2] , geboren [geboortedag 2] 2022, die onder toezicht staat van de GI tot 6 december 2026. Op 4 maart 2026 zijn de moeder en beide kinderen ter overbrugging overgeplaatst naar een moeder-kind voorziening in de regio [plaats] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad onderbouwt het verzoek als volgt. Volgens de Raad is het huidige advies aan de moeder om met de kinderen te verblijven in een 24-7-uurs ouder-kindsetting. De moeder heeft met momenten moeite om haar aandacht te verdelen tussen de kinderen. Zij bevriest dan en heeft moeite met grenzen stellen. De moeder is bereid om de geadviseerde hulpverlening voort te zetten. Een belemmering van de moeder is dat zij als gevolg van haar licht verstandelijke beperking minder leerbaar is en zij moeite heeft aan te sluiten bij wat [minderjarige 1] nodig heeft. De Raad maakt zich zorgen om het (probleem)inzicht en de leerbaarheid van de vader. De vader heeft de gezinsopname voortijdig verlaten, omdat hij intimiderend zou zijn geweest naar de medewerkers van [accommodatie] . De vader betwist dit. De vader geeft aan dat als de spanningen tussen hem en de moeder oplopen, hij wegloopt uit de situatie. De Raad vraagt zich af, hoe hij dit gaat oplossen, als het niet wenselijk of mogelijk is, dat hij wegloopt. In het verleden hebben de ouders veelvuldig conflicten met elkaar gehad. Nu de vader de hulpverlening en sturing vanuit [accommodatie] niet helemaal heeft afgemaakt, vreest de Raad dat [minderjarige 1] blootgesteld gaat worden aan eventuele spanningen tussen de ouders. Op dit moment zijn die zorgen er niet, omdat de moeder 24-7-uur per week wordt begeleid. De Raad acht intensieve opvoedondersteuning essentieel om zo beter zicht te kunnen krijgen op het (opvoeders)handelen van beide ouders. De vader heeft echter aangegeven dat een intensieve setting niet passend voor hem is. De Raad betwijfelt of ambulante hulpverlening voldoende gaat zijn om de opvoedsituatie volledig in beeld te krijgen en de situatie blijvend te verbeteren, voor wanneer de moeder en de kinderen weer bij de vader komen te wonen. Ondanks dat de vader heeft uitgesproken open te staan voor hulpverlening, vraagt de Raad zich af of het volledig meewerken en het toepassen van de adviezen, lukt met het oog op de (on)mogelijkheden van de vader. De rol van de hulpverlening moet zijn het waarborgen van het geadviseerde (vervolg)traject en het zicht houden op de (thuis)situatie en/of het bijsturen, hiervan indien nodig. De Raad vraagt om de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar, omdat binnen deze termijn duidelijk kan worden of de moeder zelf in staat is om haar eigen keuzes te (blijven) maken en of de vader zich bereidwillig en meewerkend gaat opstellen. Het gaat om kwetsbare ouders met persoonlijke problematiek. Zij hebben intensieve hulpverlening nodig om een stabiele en veilige opvoedsituatie te kunnen creëren. Gelet op de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] wijzigt de Raad zijn verzoek in die zin, dat hij nu vraagt om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot 6 december 2026.
4.2.
De GI geeft aan dat er vanuit [accommodatie] is geadviseerd om de moeder met de kinderen te plaatsen in een perspectiefbiedende moeder-kindvoorziening. Momenteel is die plek gevonden in de regio [plaats] , maar zodra er plek is in de eigen regio van de moeder, worden zij daar geplaatst. De moeder ontvangt behandeling en begeleiding. De begeleider van de vader heeft namens hem aangegeven dat het voor hem niet mogelijk is om in een 24-uursvoorziening te verblijven. De GI heeft grote zorgen om beide ouders. De vader woont momenteel in zijn eigen woning. De zorgen om de moeder zitten met name in de combinatie van draagkracht en draaglast en het houden van structuur. De moeder kan dat niet bieden, als het met haar minder goed gaat. De moeder wordt dan volgens de GI overvraagd en kan dan niet in het belang van de kinderen handelen. De GI ziet echter ook dat de moeder, ondanks haar beperkingen en het belaste verleden, uiteindelijk wel de keuzes maakt die in het belang van de kinderen nodig zijn. De GI verwacht dat de moeder permanent begeleiding nodig zal hebben. De GI steunt de wens om de ondertoezichtstelling ten aanzien van beide kinderen gelijk te laten lopen. Daarom is geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek tot 6 december 2026. Bij toewijzing van het verzoek zal de verschenen vertegenwoordiger ook de jeugdbeschermer van [minderjarige 1] worden.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Hij legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] wordt ernstig bedreigd, omdat haar beide ouders kampen met persoonlijke problematiek, waardoor zij niet goed in staat zijn om een voor [minderjarige 1] geschikte en veilige opvoedsituatie te creëren. De moeder heeft een licht verstandelijke beperking, waardoor zij minder leerbaar is. Zij heeft moeite om aan te sluiten bij wat [minderjarige 1] nodig heeft. De vader heeft een beperkt probleeminzicht. Beide ouders hebben intensieve opvoedondersteuning nodig, om zicht te krijgen en houden op het opvoedershandelen. Volgens de Raad is ambulante hulpverlening ontoereikend. De ouders hebben hulpverlening nodig om het intensieve hulptraject voort te zetten en om daar waar nodig extra hulp in te zetten.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder is bereid om hulp te aanvaarden, maar is zelfstandig niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen. De vader zegt dat hij hulp wil aanvaarden, maar laat uit zijn handelen zien, dat hij daartoe niet bereid is. Er zijn daarnaast zorgen over de houding van de vader en de invloed daarvan op de bereidheid van de moeder om mee te blijven werken. In dit kader is mede relevant dat de zus van [minderjarige 1] ook onder toezicht is gesteld.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter zal het gewijzigde verzoek van de Raad dan ook in het belang van [minderjarige 1] toewijzen als na te melden. Aldus kan de maatregel ten aanzien van beide kinderen gelijk lopen. Het restdeel van het verzoek zal worden afgewezen.
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.7.
De kinderrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 12 maart 2026 tot 6 december 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 3 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.