Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2853

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
C/02/442571 / FA RK 25-6219
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling en raadsonderzoek naar wensen minderjarige in omgangsregeling

De zaak betreft een verzoek van een minderjarige om wijziging van de zorgregeling met haar vader. De minderjarige woont bij haar moeder en wenst meer rust en duidelijkheid, met aanpassingen in de omgangsregeling, waaronder een latere aanvangstijd in het weekend en een andere verdeling van vakanties en feestdagen.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag, maar de communicatie verloopt moeizaam en eerdere hulpverleningstrajecten zijn niet succesvol afgerond. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een nader onderzoek naar de meest passende zorgregeling, gezien de veranderde omstandigheden en de belangen van de minderjarige.

De kinderrechter stelt vast dat de omstandigheden sinds de beschikking van 2017 zijn gewijzigd en dat de wensen van de minderjarige aanleiding geven om haar verzoek te honoreren. Er wordt een voorlopige zorgregeling vastgesteld en de Raad wordt verzocht een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen. De procedure wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport, waarna een nadere zitting zal plaatsvinden.

Uitkomst: De kinderrechter wijst een voorlopige zorgregeling toe en gelast een raadsonderzoek naar de meest passende zorgregeling voor de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/442571 / FA RK 25-6219
datum uitspraak: 12 maart 2026
beschikking op de vraag van de minderjarige door middel van een informele rechtsingang
[minderjarige]
hierna te noemen: [minderjarige]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013,
wonende in [woonplaats 1] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad, is op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) betrokken in de zaak om de kinderrechter over de vraag van de minderjarige te adviseren.

1.Het verloop van de zaak

1.1
Op 2 december en 4 december 2025 heeft de rechtbank een brief ontvangen van
[minderjarige]
1.2
De kinderrechter heeft op 9 januari 2026 met [minderjarige] gesproken over haar brieven.
1.3
Naar aanleiding van dit gesprek heeft de kinderrechter de vader, de moeder en de Raad uitgenodigd voor een zitting. De zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Hierbij zijn verschenen: de vader, de moeder en een vertegenwoordiger van de Raad.
1.4
Op 12 januari 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht ontvangen van de vader. Op 22 januari 2026 heeft de rechtbank tevens een e-mailbericht van de moeder ontvangen.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
De vader en de moeder hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.4
Bij beschikking van deze rechtbank van 29 september 2017 is bepaald dat de navolgende zorgregeling tussen partijen en [minderjarige] heeft te gelden:
  • [minderjarige] verblijft de ene week (zijnde de week dat de moeder op zaterdag werkt) van zaterdagochtend 9:30 uur tot dinsdagochtend bij de vader, waarbij de vader haar op dinsdagochtend naar school brengt, en de andere week verblijft zij bij de vader van zondagochtend 9:30 tot woensdagochtend, waarbij de vader haar op woensdagochtend naar school brengt;
  • [minderjarige] verblijft de helft van de schoolvakanties en de helft van de algemeen erkende (inclusief Christelijke) feestdagen bij de vader, in onderling overleg tussen partijen nader te bepalen;
  • bepaalt dat partijen het halen en brengen van [minderjarige] in goed onderling overleg ieder bij helfte voor hun rekening nemen.

3.De vraag van [minderjarige]

3.1
vraagt de kinderrechter om de zorgregeling met haar vader te wijzigen.
3.2
[minderjarige] heeft in haar brieven en tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij graag rust en duidelijkheid wil. Het is voor haar belangrijk dat haar ouders geen ruzie meer maken over de zorgregeling. Het is namelijk vervelend dat zij hier soms tussenin zit, bijvoorbeeld als zij van de ene ouders iets moet doorgeven aan de andere ouder. Ook vertelt [minderjarige] dat zij de zorgregeling met haar vader graag anders zou zien. Zij is op dit moment, in afwijking van de beschikking van 29 september 2017, ieder weekend van zaterdagochtend 9:30 uur tot maandagochtend voor school bij haar vader. [minderjarige] vindt het fijn bij haar vader, maar wil graag ook één weekend per maand bij haar moeder zijn. Ook wil zij liever om 10:30 uur bij de vader zijn op zaterdag in plaats van om 9:30 uur. Voor de vakanties en feestdagen heeft [minderjarige] ook een voorstel. Zij wil namelijk graag in de voorjaarsvakantie bij haar vader zijn en in de meivakantie wil zij bij haar moeder zijn. In de zomervakantie wil zij wisselend drie weken bij haar vader en drie weken bij haar moeder zijn, waarbij zij in de zomervakantie van 2026 de eerste drie weken bij haar vader wil zijn. In de herfstvakantie wil [minderjarige] graag bij haar vader zijn, waarbij zij het weekend daarvoor of daarna bij haar moeder wil zijn. Met kerst wil [minderjarige] graag één dag bij haar moeder zijn en één dag bij haar vader en met Oud en Nieuw wil zij graag het ene jaar bij haar vader zijn en het andere jaar bij haar moeder. Verder vertelt [minderjarige] dat zij graag op Moederdag bij haar moeder wil zijn en soms op studiedagen bij haar vader wil zijn.

4.De standpunten

4.1
De vader verklaart dat hij samen met de moeder veel hulpverleningstrajecten heeft doorlopen, die telkens door de moeder zijn stopgezet. Gedurende de basisschooltijd van [minderjarige] is uitvoering gegeven aan de zorgregeling zoals in de beschikking van 29 september 2017 is vastgesteld. Toen [minderjarige] naar de middelbare school ging, hebben de ouders een andere zorgregeling afgesproken waarbij [minderjarige] doordeweeks bij de moeder is en in het weekend bij de vader. Op dit moment loopt opnieuw een hulpverleningstraject bij [hulpverlening] waarin de ouders proberen afspraken te maken over de zorgregeling. Tijdens dit traject waren afspraken gemaakt voor december en januari, maar de moeder is deze afspraken niet nagekomen. Er stond een evaluatiegesprek gepland om definitieve afspraken te maken over de zorgregeling, maar dit gesprek heeft de moeder afgezegd. Hierdoor is opnieuw sprake van een impasse, terwijl de vader het juist erg belangrijk vindt dat er duidelijke afspraken worden gemaakt in het belang van [minderjarige] .
4.2
De moeder verklaart dat het niet klopt dat zij de hulpverleningstrajecten telkens heeft stopgezet. Recent hebben de vader en de moeder geprobeerd afspraken te maken over de zorgregeling met behulp van [hulpverlening] . Tijdens dit traject heeft [minderjarige] bij een kindbehartiger aangegeven wat haar wensen zijn. Naar aanleiding van hetgeen [minderjarige] en de ouders hebben aangegeven, heeft de hulpverlening van [hulpverlening] een voorlopige zorgregeling opgesteld voor de maanden december en januari. Nadat de vader zich met de kerstdagen niet aan deze regeling heeft houden, heeft de moeder dat op nieuwjaarsdag niet gedaan. Verder verklaart de moeder desgevraagd dat zij het lastig vindt om met de vader te communiceren vanwege de agressieve houding van de vader.
4.3
De Raad licht toe dat er in 2024 een jeugdbeschermingstafel heeft plaatsgevonden waarbij is besproken dat naast casusregie vanuit de gemeente verschillende vormen van hulpverlening zouden worden ingezet, waaronder een kindbehartiger voor [minderjarige] , intensieve pedagogische thuishulp (IPT) en hulpverlening om de ouderschapscommunicatie te verbeteren. Deze hulpverlening is niet van de grond gekomen. [minderjarige] krijgt de ruzies en strijd tussen de ouders nog steeds mee en zij zit daar tussenin. De Raad vindt het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om een definitieve beslissing te nemen op de vraag van [minderjarige] . De oplossing in deze situatie is namelijk dat de ouders beter met elkaar gaan communiceren. De behoeften van [minderjarige] zullen naarmate zij ouder wordt namelijk steeds veranderen en het is belangrijk dat de ouders hierover met elkaar in gesprek kunnen gaan. De Raad ziet echter hoe moeizaam de communicatie tussen de ouders verloopt en hoeveel emoties dat bij beide ouders oproept. Om die reden zou de Raad graag een raadsonderzoek willen doen naar wat op dit moment de meest passende zorgregeling is voor [minderjarige] .

5.De beoordeling van de kinderrechter

5.1
[minderjarige] heeft de kinderrechter een vraag gesteld via de zogenaamde ‘informele rechtsingang’. De informele rechtsingang biedt een kind van twaalf jaar en ouder een eigen toegang tot de rechtbank. Op informele wijze, zoals bijvoorbeeld met een brief, e-mailbericht of telefoontje, kan een kind een vraag aan de kinderrechter stellen. Niet alle vragen van een kind kunnen door de kinderrechter via de informele rechtsingang worden behandeld. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. Dat betekent dat de kinderrechter over een beperkt aantal onderwerpen een beslissing kan nemen.
Wat zegt de wet?
5.4
Op de vraag van [minderjarige] is allereerst artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Dit artikel gaat over de gezamenlijke uitoefening van het gezag door de ouders, waaronder onder meer de toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
5.5
Op grond van artikel 1:253a lid 4 BW zijn de artikelen 1:377e en 1:377g van het BW van overeenkomstige toepassing.
5.6
Artikel 1:377g BW bepaalt dat de rechter, indien haar blijkt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing over een zorgregeling kan wijzigen op de voet van artikel 1:377e BW. Dit laatste artikel bepaalt dat de rechtbank een beslissing inzake de zorgregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wat vindt de kinderrechter?
5.7
De kinderrechter is gebleken dat na voormelde vaststelling van de zorgregeling bij beschikking van 29 september 2017 de omstandigheden zijn gewijzigd. Er wordt al langere tijd geen uitvoering gegeven aan deze zorgregeling en bij [minderjarige] is de wens ontstaan om de zorgregeling anders vorm te geven. Gelet hierop kan [minderjarige] worden ontvangen in haar vraag.
5.8
De kinderrechter stelt vast dat beide ouders het erover eens zijn dat de onderlinge communicatie momenteel niet goed verloopt en dat zij niet in staat zijn om samen afspraken te maken in het belang van [minderjarige] , onder meer over de zorgregeling en de wensen van [minderjarige] daarin. De kinderrechter maakt zich zorgen over de situatie van [minderjarige] en vindt het belangrijk dat de Raad gaat onderzoeken wat nodig is om de situatie van [minderjarige] te verbeteren en welke zorgregeling het meest aansluit bij het belang en de behoeften van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom de Raad vragen een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
door de ouders tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn
gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van
belang om te vermelden?
5.9
De kinderrechter vindt het belangrijk dat het rapport en het advies van de Raad worden afgewacht alvorens te beslissen op de vraag van [minderjarige] . Zij zal daarom de procedure aanhouden en bepaalt dat de nadere zitting zal plaatsvinden op
[datum] 2026 om [uur]. De moeder, de vader en de Raad worden met deze beschikking voor deze zitting opgeroepen. [minderjarige] zal apart worden uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter.
5.1
Omdat de vader en de moeder tijdens de zitting afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling voor de periode tot het onderzoek door de Raad is afgerond, zal de kinderrechter deze voorlopige afspraken vastleggen in deze beschikking. De vader en de moeder zijn tijdens de zitting de navolgende
voorlopigezorgregeling overeengekomen:
- [minderjarige] verblijft van zaterdagochtend 9:30 uur tot maandagochtend bij de vader,
waarbij de vader haar op maandagochtend een half uur voor schooltijd naar de
moeder brengt;
- [minderjarige] verblijft in de voorjaarsvakantie bij de vader;
- [minderjarige] verblijft de eerste week van de meivakantie bij de moeder en tweede week van
de meivakantie bij de vader;
- [minderjarige] is op Moederdag bij de moeder;
- [minderjarige] verblijft de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader en de laatste
drie weken van de zomervakantie bij de moeder.

6.Brief aan [minderjarige]

6.1
De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing en beide ouders daarvan op de hoogte te stellen. In deze brief die naar het adres van de moeder wordt verzonden, leest [minderjarige] het volgende.
Beste [minderjarige] ,
Op 9 januari 2026 heb jij met de rechter gepraat over de brieven die jij hebt gestuurd. Jij hebt verteld dat je de contactregeling met je vader op een aantal punten anders wil zien. Op 28 januari 2026 heeft de rechter hierover gepraat met jouw ouders en iemand van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechter heeft gehoord wat jouw ouders vinden van jouw wensen en hoe de Raad voor de Kinderbescherming erover denkt. Door alles wat jij en jouw ouders hebben verteld vindt de rechter het lastig om te beoordelen welke regeling het beste voor jou zou zijn. De rechter heeft daarom de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd om dit te onderzoeken en om haar hierover een advies te geven.
De rechter wil het advies van de Raad afwachten en zal daarom nog niet beslissen op jouw vraag. Als het onderzoek klaar is, zal de rechtbank jouw ouders en de Raad voor de Kinderbescherming opnieuw uitnodigen voor een gesprek. Als je wil mag jij dan ook weer met de rechter komen praten. Je zal daarover een brief ontvangen.
Tussen je ouders zijn wel afspraken gemaakt voor de komende maanden. Zij hebben afgesproken dat jij van zaterdagochtend 9:30 uur tot maandagochtend bij je vader bent, zoals het de afgelopen tijd ook is gegaan. Ook hebben zij afgesproken dat je in de voorjaarsvakantie bij je vader bent. In de meivakantie ben je de eerste week bij je moeder en de tweede week bij je vader. Op Moederdag ben jij bij je moeder. Over de zomervakantie hebben je ouders afgesproken dat jij de eerste drie weken bij je vader bent en de laatste drie weken bij je moeder.
Ik hoop dat het voor jou duidelijk is wat er nu gaat gebeuren. Als je nog vragen hebt, mag je altijd opnieuw een brief sturen. De contactgegevens staan in deze brief.
Met vriendelijke groet, namens de rechter,
de griffier.

7.De beslissing van de kinderrechter

De kinderrechter:
7.1
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven in rechtsoverweging 5.8 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport uiterlijk één week vóór hierna te noemen nadere zitting bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de vader en de moeder;
7.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat tussen partijen en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2013, de navolgende
voorlopigezorgregeling geldt:
- [minderjarige] verblijft van zaterdagochtend 9:30 uur tot maandagochtend bij de vader,
waarbij de vader haar op maandagochtend een half uur voor schooltijd naar de
moeder brengt;
- [minderjarige] verblijft in de voorjaarsvakantie bij de vader;
- [minderjarige] verblijft de eerste week van de meivakantie bij de moeder en tweede week van
de meivakantie bij de vader;
- [minderjarige] is op Moederdag bij de moeder;
- [minderjarige] verblijft de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader en de laatste
drie weken van de zomervakantie bij de moeder;
7.3
houdt de behandeling van de zaak aan en roept de vader, de moeder en de Raad op te verschijnen tijdens de zitting van mr. Dijkman van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, op
[datum] 2026 om [uur], teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
7.4
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
7.5
vraagt de griffier [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Mededeling van de griffier:
Voor zover in deze beschikking één of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan tegen deze beschikking hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof:
a. namens de minderjarige door zijn wettelijk vertegenwoordiger of de bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
b. door de minderjarige zelf als zijn aanvraag ziet op de benoeming van een bijzondere curator: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
c. door de anderen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen 3 maanden na de dag van de beschikking;
d. door andere belanghebbenden: binnen 3 maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op een andere manier bekend is geworden. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.