ECLI:NL:RBZWB:2026:285

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
25/6346 WOO VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening inzake openbaarmaking informatie Wet open overheid niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te verkrijgen met betrekking tot de openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht besloten om geen zitting te houden.

De Awb verplicht tot betaling van griffierecht bij het indienen van een verzoek, zoals bepaald in artikel 8:82 in Pro samenhang met artikel 8:41 Awb Pro. Verzoekster is per aangetekende brief op 13 december 2025 gewezen op deze verplichting en kreeg een termijn van twee weken om het griffierecht te voldoen. Bij niet-betaling binnen deze termijn kan het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

De voorzieningenrechter constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald, waardoor het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat het verzoek niet inhoudelijk wordt behandeld. Daarnaast is vermeld dat de staatssecretaris de feitelijke verstrekking van de gevraagde informatie heeft uitgesteld totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en maakt deze uitspraak openbaar. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6346

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] vof, uit [plaats] , verzoekster

en
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat(de staatssecretaris), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake het openbaar maken van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
2. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. In de Awb is de verplichting opgenomen tot betaling van griffierecht. Dit vloeit voort uit artikel 8:82 van Pro de Awb, in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.
4. Verzoekster is bij aangetekende brief van 13 december 2025 gewezen op de verplichting tot het betalen van griffierecht. Aan verzoekster is meegedeeld dat het griffierecht uiterlijk binnen twee weken moet worden betaald. Verzoekster is er in deze brief tevens op gewezen dat bij niet tijdige betaling het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
5. De voorzieningenrechter constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Het verzoek is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het verzoek niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen.
6. Wellicht ten overvloede wijst de voorzieningenrechter erop dat de staatssecretaris bij brief van 19 december 2025 heeft bevestigd de feitelijke verstrekking van de informatie waarop het besluit van 27 november 2025 ziet uit te stellen totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 23 januari 2026 en openbaar gemaakt door
middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.