Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2840

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/445732 / JE RK 26-380
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Verschoor-Bergsma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens terminale ziekte vader en onenigheid ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 6 maart 2026 een beschikking gegeven over een voorlopige verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen. De vader is terminaal ziek door een hersentumor en zal binnen enkele weken overlijden. De ouders zijn het niet eens over de toekomstige woonplaats en omgangsregeling van de kinderen, wat leidt tot een acute bedreiging voor het welzijn van de kinderen.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een spoedverzoek ingediend om de ondertoezichtstelling voorlopig te verlengen zonder voorafgaand verhoor van de ouders, vanwege het onmiddellijke gevaar voor de kinderen. De kinderrechter acht dit verzoek gegrond en wijst het toe voor een periode van twee weken, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

De ouders verschillen van mening over het netwerk waarin de kinderen na het overlijden van de vader zullen worden opgevangen. De vader wil dat de kinderen bij zijn broer en zus in [plaats] wonen, terwijl de moeder wil dat de kinderen bij haar komen wonen, mits eerst contactherstel plaatsvindt. Door het ontbreken van overeenstemming en wisselende toestemming voor netwerkonderzoeken is er momenteel geen perspectief voor de kinderen.

De kinderrechter bepaalt dat de Raad, de ouders en de GI worden gehoord op een nader te bepalen zitting in Middelburg. Hoger beroep tegen deze beschikking kan binnen drie maanden worden ingesteld door de verzoeker en belanghebbenden.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt voorlopig de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen voor twee weken wegens acute bedreiging door terminale ziekte vader en onenigheid ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445732 / JE RK 26-380
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie: Breda
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Etten-Leur.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoek van de Raad met bijlagen van 6 maart 2026.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 oktober 2022 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 oktober 2023 en tot 6 oktober 2023.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 september 2023 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 6 oktober 2024.
2.5.
Bij beschikking van 4 oktober 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laatstelijk verlengd met ingang van 6 oktober 2024 en tot 6 april 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verzocht voor de duur van drie maanden. De Raad heeft verzocht het verzoek toe te wijzen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter is op grond van het door de Raad ingediende spoedverzoek van oordeel dat het verhoor van de belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.2.
Uit het verzoek blijkt dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Pro Wetboek). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen daarom voorlopig onder toezicht worden gesteld (artikel 1:257 Burgerlijk Pro Wetboek).
4.3.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Gebleken is dat de vader al langere tijd ernstig ziek is vanwege een hersentumor. Hij is momenteel terminaal en zal binnen een aantal dagen of weken komen te overlijden. Het is voor de kinderen nog onduidelijk waar zij zullen gaan wonen, wanneer de vader verslechtert en na het overlijden van de vader, omdat de ouders hier beiden een andere visie op hebben en het niet lukt om gezamenlijk tot afspraken te komen. De kinderen hebben sinds mei 2025 geen omgang meer met de moeder. Sinds begin 2026 is ook het telefonische contact met de moeder gestopt. Het lukt de ouders niet om gezamenlijk tot afspraken te komen over de omgang en de kinderen geven aan moeder niet te willen zien. De vader wil dat de kinderen na zijn overlijden in zijn netwerk worden opgevangen, te weten bij zijn broer (oom) die woonachtig is in [plaats] . Zijn zus (tante) is ook woonachtig in [plaats] . De vader wil ook dat zijn zus betrokken is en blijft wanneer de kinderen bij zijn broer komen te wonen. De moeder wil graag dat de kinderen bij haar komen wonen, maar de moeder en het CJG zijn van mening dat er eerst gewerkt moet worden aan contactherstel tussen moeder en kinderen eer dit bewerkstelligd kan worden. De moeder is van mening dat de kinderen tot die tijd in haar netwerk (oude buren) moeten verblijven tot de kinderen bij haar komen wonen. Dit heeft er mee te maken dat de kinderen dan naar de huidige school kunnen blijven gaan en in dezelfde omgeving bij vriendjes kunnen blijven wonen. Ook is het op die manier makkelijker om de contactopbouw tussen de moeder en de kinderen vorm te geven. De vader geeft echter geen toestemming voor het verblijf van de kinderen in het netwerk van de moeder. De moeder benoemt anderzijds ook geen toestemming te geven voor het verblijf van de kinderen in het netwerk van de vader. De ouders blijven, ook na meerdere gesprekken met jet CJG, bij hun standpunt. Hierdoor is geen perspectief voor de kinderen voor (bij verslechtering in de situatie van de vader) en na het overlijden van de vader. Belangrijke beslissingen blijven ook uit omdat het netwerk niet goed kan worden onderzocht; de ouders geven steeds wisselend toestemming om het netwerk te onderzoeken van de andere ouder of van zichzelf. Tijdens de gesprekken tussen ouders en de Raad geven de ouders uiteindelijk wel toestemming voor een netwerkonderzoek bij de andere ouder, maar blijven zij bij het standpunt dat zij geen toestemming verlenen voor betrokkenheid en een plaatsing in het netwerk van de andere ouder. Hierbij lijkt er sprake van een loyaliteitsconflict bij de kinderen die momenteel wordt versterkt doordat de ouders op dit moment onvoldoende belangrijke besluiten in het belang van hun kinderen kunnen nemen.
4.4.
Om bovenstaande redenen zal de kinderrechter het verzoek voor twee weken toewijzen, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.
4.5.
De Raad, de moeder, de vader en de GI worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde mondelinge behandeling.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Brabant, met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek aan;
5.3.
bepaalt dat de Raad, de moeder, de vader en de GI zullen worden gehoord op de zitting van [datum] 2026 om [uur], welke zitting wordt gehouden in het gerechtsgebouw te Middelburg, Kousteensedijk 2;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking tevens geldt als oproeping voor deze zitting.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.