Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2839

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
24/4238 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen toekenning WIA-uitkering aan werkneemster

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 14 april 2026 uitspraak gedaan in het bestuursrechtelijke geschil tussen een kinderopvangorganisatie en het UWV over de toekenning van een WIA-uitkering aan een werkneemster. Het UWV had aanvankelijk geweigerd een uitkering toe te kennen, maar na bezwaar van de werkneemster werd alsnog een uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 38,12%. De kinderopvang stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld aan de hand van de medische rapportages van de verzekeringsarts en de arts bezwaar en beroep (b&b), alsmede de beoordeling van de arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts b&b had aanvullende beperkingen vastgesteld en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. De rechtbank oordeelde dat deze afwijking goed was onderbouwd en dat de beperkingen niet waren overschat.

Verder achtte de rechtbank de door het UWV gekozen functies geschikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid. Omdat de kinderopvang geen gegronde bezwaren tegen de berekening had ingebracht, werd het percentage van 38,12% bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van het UWV in stand blijft en de kinderopvang geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep van de kinderopvang tegen de toekenning van de WIA-uitkering aan de werkneemster wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4238 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen

[Kinderopvang] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het UWV), verweerder.
(gemachtigde: [gemachtigde 2] )
Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:
[werkneemster], uit [woonplaats] , werkneemster,
(gemachtigde: mr. B.E. Crone).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan werkneemster.
1.1.
Het UWV heeft met het besluit van 12 mei 2023 geweigerd om aan werkneemster een WIA-uitkering toe te kennen. Tegen dit besluit heeft werkneemster bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 11 april 2024 is het bezwaar van werkneemster gegrond verklaard. Daarbij heeft het UWV alsnog een WIA-uitkering toegekend per 5 april 2023 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 38,12%. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Werkneemster heeft geen toestemming gegeven om medische gegevens te verstrekken aan eiseres. Met de beslissing van 9 december 2025 heeft de rechtbank bepaald dat kennisneming van een aantal stukken is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. De rechtbank heeft mr. [gemachtigde 1] bijzondere toestemming verleend om van de genoemde stukken kennis te nemen. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak geen melding maken van specifieke op werkneemster betrekking hebbende medische gegevens, teneinde te voorkomen dat eiseres via deze weg alsnog kennisneemt van haar medische situatie.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Procesorde
4. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.
4.1.
Met het e-mailbericht van 25 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiseres zichzelf en eiseres afgemeld voor de zitting. Daarbij heeft de gemachtigde van eiseres een namens eiseres opgesteld verweer gevoegd met het verzoek dit in de procedure te betrekken.
4.2.
Vaststaat dat dit bericht en het verweer van eiseres niet binnen de termijn van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb zijn ingediend. Voor het antwoord op de vraag of het overleggen van stukken in strijd is met de goede procesorde is doorslaggevend of een zinvolle bespreking van de stukken op de zitting kan plaatsvinden. [1] In dat verband komt aan het procesbelang van de andere partij zwaarwegende betekenis toe. In dit geval gaat het om een reactie namens eiseres op de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b). De rechtbank is niet gebleken dat deze gronden niet eerder aangevoerd hadden kunnen worden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde van eiseres de rechtbank op 11 februari 2026 heeft verzocht om hem de rapportage van de verzekeringsarts b&b toe te zenden. De rechtbank heeft aan dit verzoek op 25 februari 2026 gevolg gegeven. De rechtbank ziet niet in waarom niet eerder dan een maand na toezending daarvan op deze rapportage gereageerd had kunnen worden.
4.3.
Gelet op het feit dat deze gronden pas twee dagen voor zitting zijn ingediend, is het UWV niet in de gelegenheid geweest daarop te reageren. Daar komt bij dat het UWV zich naar aanleiding van de afmelding door eiseres en haar gemachtigde voor de zitting heeft afgemeld. Het toelaten van het verweer zou inhouden dat de behandeling van de zaak had moeten worden geschorst of heropend om het UWV in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, wat in strijd is met een doelmatige procesvoering. De goede procesorde verzet zich er in dit geval tegen om het stuk van 25 maart 2026 toe te laten. De rechtbank laat dit verweer van eiseres dan ook buiten beschouwing.
Inhoudelijke beoordeling
5. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat werkneemster per 5 april 2023 voor 38,12% arbeidsongeschikt is. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Bij deze beoordeling is van belang of werkneemster medische beperkingen heeft en of zij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
6. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht een WIA-uitkering heeft toegekend aan werkneemster per 5 april 2023. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
6.2.
Werkneemster is bij eiseres werkzaam geweest als pedagogisch coach. Voor dat werk is zij uitgevallen vanwege medische klachten.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
7. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op rapporten van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts b&b van het UWV.
7.1.
De verzekeringsarts heeft het dossier van werkneemster, met daarin informatie van de huisarts van werkneemster en de arbo-arts, bestudeerd. Ook heeft hij kennisgenomen van de inhoud van het telefonisch contact tussen werkneemster en de Sociaal Medisch Verpleegkundige
.De verzekeringsarts heeft zelf telefonisch contact met werkneemster gehad en haar daarin psychisch onderzocht
.De beperkingen en de belastbaarheid van werkneemster zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 maart 2023.
De arts bezwaar en beroep (arts b&b) heeft het dossier van werkneemster bestudeerd, haar gezien op de hoorzitting en aansluitend lichamelijk onderzoek verricht. De arts b&b heeft aanvullende beperkingen aangenomen. De FML is aangepast op 18 maart 2024.
7.2
Eiseres heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat onduidelijk is waarom de verzekeringsarts b&b afwijkt van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Niet wordt betwist dat een verzekeringsarts b&b mag afwijken, maar deze afwijking moet volgens de vigerende jurisprudentie in elk geval goed onderbouwd worden. Mogelijk heeft de verzekeringsarts b&b zich laten leiden door wat in het kader van het bezwaar en op de hoorzitting naar voren is gebracht. Deze informatie is echter -in elk geval deels- onjuist.
7.3
De rechtbank overweegt dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door werkneemster gestelde klachten. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van die klachten rekening gehouden. Naar aanleiding van zijn eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts b&b reden gezien om werkneemster meer beperkt te achten dan de verzekeringsarts heeft gedaan en om aanvullende beperkingen op te nemen in de FML. In tegenstelling tot eiseres ziet de rechtbank hierin geen reden om te oordelen dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Eiseres erkent dat het de verzekeringsarts b&b in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar is toegestaan om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b voldoende onderbouwd waarom hij werkneemster meer beperkt acht dan de verzekeringsarts heeft gedaan. De verzekeringsarts b&b heeft per aspect gemotiveerd waarom hiervoor een beperking in de FML moet worden opgenomen. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat werkneemster klachten heeft geclaimd waarvoor geen beperkingen zijn aangenomen, zodat de stelling van eiseres dat de verzekeringsarts b&b zich mogelijk heeft laten leiden door wat in bezwaar en tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht, geen hout snijdt. Het standpunt dat deze informatie (deels) onjuist is, heeft eiseres niet nader onderbouwd, zodat hieraan door de rechtbank voorbij wordt gegaan.
7.4.
De rechtbank is niet gebleken dat in de FML van 18 maart 2024 de beperkingen van werkneemster zijn overschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in die FML.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
8. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: schadecorrespondent (SBC-code 516080), productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank (SBC-code 532040).
8.1
De beroepsgronden van eiseres geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies voor werkneemster. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
9. Op basis van de inkomsten die werkneemster met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 38,12%. Omdat eiseres tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat er voor eiseres niks verandert. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 14 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

In artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Volgens artikel 5 van Pro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844.