ECLI:NL:RBZWB:2026:283

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/02/443821 / JE RK 26-36
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.3 Jw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige wegens onhoudbaar gedrag en veiligheidsrisico

De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland om een spoedmachtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp aan een minderjarige geboren in 2011. De minderjarige verblijft reeds onder toezicht en is eerder geplaatst in een jeugdhulpaccommodatie, maar vertoont onhoudbaar en bedreigend gedrag jegens medewerkers. Er is sprake van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen, cognitieve beperkingen en een sociaal-emotionele ontwikkelingsstoornis, waardoor het gedrag onvoorspelbaar is.

De kinderrechter constateert dat het verblijf in de open setting onvoldoende grip biedt en dat onmiddellijke gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om onttrekking aan hulp te voorkomen en veiligheid te waarborgen. De spoedmachtiging wordt verleend voor twee weken, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot reguliere machtiging. Tijdens een mondelinge behandeling zullen alle betrokkenen worden gehoord.

De beslissing is genomen op 9 januari 2026 en schriftelijk vastgelegd op 12 januari 2026. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen drie maanden na dagtekening.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging voor gesloten jeugdhulp voor twee weken wegens onhoudbaar en bedreigend gedrag van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443821 / JE RK 26-36
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. N. Wouters uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen van 9 januari 2026, ontvangen op 9 januari 2026;
  • de mondelinge instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper (wiens naam bekend is bij de rechtbank) op 9 januari 2026.
1.2.
Op 12 januari 2026 is binnengekomen bij de rechtbank de schriftelijke instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper wiens naam bekend is bij de rechtbank.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 27 januari 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 10 juli 2025 met ingang van 27 juli 2025 en tot 27 juli 2026.
2.3.
Bij beschikking van 11 augustus 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 11 augustus 2025 en tot 11 februari 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging te verlenen om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden.

4.De beoordeling

4.1.
Uit het verzoek blijken ter onderbouwing de navolgende feiten en omstandigheden. Er is in de afgelopen jaren meermaals geprobeerd hulpverlening (ook op het gebied van onderwijs) in te zetten voor [minderjarige] . Die hulpverlening heeft echter niet tot de gewenste resultaten geleid. [minderjarige] verblijft op dit moment middels een machtiging tot uithuisplaatsing bij De [accommodatie] . Met deze plaatsing is geprobeerd om [minderjarige] de gelegenheid te bieden om zich leeftijdsadequaat te ontwikkelen. De kinderrechter constateert dat ook deze plaatsing onder druk is komen te staan. Het gedrag van [minderjarige] is onhoudbaar. [minderjarige] heeft medewerkers op de groep in hun buik getrapt, bespuugd en medewerkers bedreigd met de dood. [minderjarige] laat dreigend gedrag zien en benoemt zelf dat dit geen bedreigingen zijn, maar dat hij dit ook daadwerkelijk gaat doen. [minderjarige] bevindt zich in een situatie waarin zijn contacten een aanzienlijk risico vormen voor onveiligheid en gevaar, zowel voor zichzelf als anderen. Er zijn aanwijzingen dat hij mogelijk toegang heeft tot personen binnen een crimineel netwerk. Gelet op het feit dat de vader van [minderjarige] in detentie verblijft, vindt de kinderrechter dit zeer zorgelijk. Bovendien is bij [minderjarige] sprake van cognitieve beperkingen en een sociaal emotionele ontwikkelingsstoornis. Dit maakt dat zijn gedrag moeilijk te voorspellen is en dat hij onberekenbaar gedrag kan laten zien. In de open setting waarin hij nu verblijft is onvoldoende zicht en grip.
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van gesloten jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [1]
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom verleent de kinderrechter een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 9 januari 2026 en tot 23 januari 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het spoedverzoek. Ook het verzoek tot reguliere machtiging gesloten jeugdhulp zal worden aangehouden en tijdens de hierna genoemde mondelinge behandeling worden besproken. De GI, [minderjarige] en de belanghebbenden worden dan in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Tijdens de nader te noemen mondelinge behandeling zal ook het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden behandeld.
4.4.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling dient het volgende stuk door de GI te worden overgelegd, zulks onder gelijktijdige verstrekking aan de belanghebbenden:
- de instemmingsverklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper ten aanzien van het restant van de spoedmachtiging en ten aanzien van de reguliere machtiging, tot stand gebracht op basis van onderzoek van de minderjarige in persoon.
4.5.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 9 januari 2026 en tot 23 januari 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek en het reguliere verzoek aan en bepaalt dat de GI, [minderjarige] en zijn advocaat, de vader en de moeder zullen worden gehoord tijdens de mondelinge behandeling op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg , aan de Kousteensedijk 2 in Middelburg , ten overstaan van de kinderrechter mr. R.A. Borm voor de duur van 60 minuten;
5.3.
Tevens zal het resterende deel van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (C/02/436836 / JE RK 25-1 142) op de hiervoor genoemde mondelinge behandeling worden behandeld;
5.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de GI, [minderjarige] , zijn advocaat, de moeder en de vader;
5.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 12 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).