ECLI:NL:RBZWB:2026:2812

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/422100 FA RK 24-2112
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Bollen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:397 lid 1 BWArt. 1:402a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve zorgregeling en onderhoudsbijdrage voor minderjarige na geschil ouders

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats, zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie voor hun minderjarige kind.

Na een uitgebreid onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en diverse schriftelijke en mondelinge standpunten van partijen, concludeert de rechtbank dat het in het belang van het kind is om geen hoofdverblijfplaats vast te stellen vanwege de gespannen relatie tussen de ouders. De zorgregeling wordt vastgesteld waarbij het kind in de ene week van vrijdag na school tot dinsdag na school bij de vader verblijft en in de andere week van maandag na school tot woensdag naar school bij de vader verblijft, met een gelijkmatige verdeling van vakanties en feestdagen.

De rechtbank weegt de adviezen van de Raad en de wensen van het kind mee en wijst de verzoeken tot wijziging van het hoofdverblijf af. De onderhoudsbijdrage van de vader wordt definitief vastgesteld op €220,57 per maand, gebaseerd op de actuele inkomensgegevens van 2024. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt een zorgregeling vast zonder hoofdverblijfplaats en bepaalt een onderhoudsbijdrage van €220,57 per maand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/422100 FA RK 24-2112
datum uitspraak: 19 februari 2026
Nadere beschikking betreffende hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat, voorheen mr. M.M.M. Minkels,
thans mr. J.M. Molkenboer,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.A.E.C.J.M. Hooft.
1. Het verdere procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikkingen van deze rechtbank van 20 november 2024 en 18 december 2024 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van mr. Molkenboer, namens mr. Minkels, van 5 juni 2025;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 juni 2025;
- de brieven van mr. Hooft van 26 juni 2025 en 24 oktober 2025, waarvan laatstgenoemde met bijlage;
- de brief van mr. Molkenboer van 6 november 2025 met bijlagen.
1.2. Bij (tussen)beschikking van 20 november 2024 is de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen en daarover te rapporteren en te adviseren:
1. in hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de man, tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
2. welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is het meest in het belang van [minderjarige] ?
3. is in aanvulling op de hulpverlening door de [hulpverlening], verdere hulpverlening voor [minderjarige] of partijen ter ondersteuning van een onbelast contact tussen [minderjarige] en de beide ouders noodzakelijk?
Bij deze beschikking is bepaald dat partijen, totdat hierover anders of definitief wordt beslist, uitvoering blijven geven aan de zorgregeling waarin [minderjarige] bij de vader verblijft van zaterdag 12.00 uur tot woensdag naar school in de ene week en in de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school. De beslissing op het verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] is aangehouden tot 4 december 2024. De beslissing op de verzoeken met betrekking tot het hoofdverblijf, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten is aangehouden tot 6 februari 2025.
1.3. Bij (tussen)beschikking van 18 december 2024 is de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 1 april 2024 voorlopig, totdat de rechtbank op de overige verzoeken heeft beslist, vastgesteld op
€ 198,= per maand en is iedere verdere beslissing aangehouden.
1.4. De aangehouden verzoeken betreffende hoofdverblijf, zorgregeling en de onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] zijn verder besproken op de zitting van 6 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de man, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.
1.5. [minderjarige] is opgeroepen voor een kindgesprek. Zij heeft ervoor gekozen om niet bij de kinderrechter op gesprek te gaan.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten wordt verwezen naar de tussenbeschikkingen van 20 november 2024 en 18 december 2024. In aanvulling daarop acht de rechtbank het van belang te vermelden dat [minderjarige] bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 juli 2025 met ingang van die datum tot 30 april 2026 onder toezicht is gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant.

3.De verzoeken

3.1.
Aan de rechtbank liggen nog de volgende (deels gewijzigde) verzoeken van vrouw ter beoordeling voor, samengevat:
- bepaling dat [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;
- een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) over [minderjarige] vast te stellen, althans de zorgregeling te wijzigen, waarbij:
- de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar van maandag uit school (dan wel 18.00 uur) tot en met woensdag naar school toe, alsmede van de daaropvolgende vrijdag uit school (dan wel 18.00 uur) tot en met dinsdag naar school toe;
- een vakantie- en feestdagenregeling te bepalen zoals opgenomen op pagina 7 en 8 van ‘de reactie van de vrouw op het raadsrapport en wijzigingen verzoeken’.
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van primair € 400,= per maand en subsidiair op € 281,= per maand, met ingang van 1 april 2024;
3.2.
Aan de rechtbank liggen nog de volgende (deels gewijzigde) verzoeken van de man ter beoordeling voor, samengevat:
primair:
- het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen dan wel de zorgregeling te wijzigen, aldus dat de vrouw en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar om het weekend van vrijdag uit school, dan wel 18.00 uur, tot en met maandagochtend naar school, dan wel 9.00 uur;
- een vakantie- en feestdagenregeling te bepalen zoals omschreven onder punt 41 en 42 van het verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken;
- subsidiair:
- een zorgregeling vast te stellen dan wel de zorgregeling te wijzigen, aldus dat hij en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, de ene week van maandag uit school, dan wel 9.00 uur tot en met woensdag tot aan school, dan wel 9.00 uur en de andere week van vrijdag uit school, dan wel 18.00 uur tot en met woensdag naar school, dan wel 9.00 uur.
- vaststelling van een door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 35,= per maand.

4.De verdere beoordeling

Hoofdverblijf en verdeling zorg- en opvoedtaken
Het advies van de Raad
4.1.
De Raad heeft op verzoek van de rechtbank onderzoek gedaan ter beantwoording van de hiervoor in rechtsoverweging (r.o.) 1.2. vermelde vragen en op 6 juni 2025 een onderzoeksrapport en advies uitgebracht.
4.2.
Uit het rapport komt naar voren dat [minderjarige] een temperamentvol meisje is dat zich over het algemeen voorspoedig ontwikkelt. Over de fysieke veiligheid van [minderjarige] bestaan geen zorgen. Er zijn wel zorgen over de emotionele veiligheid van [minderjarige] als gevolg van het inmiddels geruime tijd ontbreken van een constructieve samenwerking tussen de ouders en het diskwalificeren van ouders naar elkaar. [minderjarige] is zich bewust van de strijd die tussen de ouders gaande is en ervaart onrust. Zij zit klem in haar gevoelens van loyaliteit naar beide ouders, zoekt de oorzaak van de onrust bij zichzelf en probeert de situatie op te lossen. De ouders hebben ieder een eigen visie op wat goed is in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De Raad ziet dat de man veel zorgen heeft over het welzijn van [minderjarige] en dat hij zich daarin niet gehoord voelt. Ook de vrouw heeft wantrouwen jegens de man als opvoeder. Bij de hulpverlening bestaan geen zorgen over de basale zorg en veiligheid van [minderjarige] bij beide ouders. In het onderzoek is gebleken dat beide ouders [minderjarige] een passende opvoedingsomgeving kunnen bieden. Ondanks de inzet van hulpverlening vanuit de [hulpverlening] , gericht op Parallel Solo Ouderschap, hebben ouders geen overeenstemming kunnen bereiken over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De man is veel bezig met de opvoedsituatie bij de vrouw en het lukt hem niet om de opvoedsituaties van de ouders gescheiden te houden
.De Raad vindt het zorgelijk dat de man zich blijft focussen op het kleiner maken van de rol van de vrouw in het leven van [minderjarige] . Dit belemmert de stap naar constructieve samenwerking met de vrouw wat juist in het belang is van [minderjarige] . Aan de andere kant werkt belemmerend dat de vrouw zo min mogelijk contact met de man wenst te hebben. Zij heeft moeite met het samenwerken met de man, maar wil geen aanvullende hulp voor het verbeteren van de communicatie met hem.
4.3.
De Raad vindt het voor de (identiteit)ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk om positief en onbelast contact te kunnen hebben met beide ouders. Tussen [minderjarige] en beide ouders bestaat een positieve band. [minderjarige] heeft aangegeven graag contact te willen met haar beide ouders en de zorgregeling niet te willen wijzigen. Ook de ouders willen dat [minderjarige] in contact met hen beiden opgroeit. Het is in het belang van [minderjarige] dat er een beslissing wordt genomen over een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, omdat dit rust en duidelijkheid voor haar en haar ouders brengt. Om een zo evenredig mogelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders na te streven, adviseert de Raad een zorgregeling vast te stellen waarbij de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende de ene week van vrijdag uit school (of op schoolvrije dagen vanaf 18.00 uur) tot woensdag naar school en de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school. In deze regeling kunnen de overdrachtsmomenten via school verlopen, wat kan bijdragen aan minder gespannen momenten tussen de ouders als [minderjarige] daarbij aanwezig is. De Raad adviseert om de zorg tijdens vakanties en de feestdagen tussen de ouders evenredig te verdelen. Daarbij vindt de Raad het belangrijk dat [minderjarige] in de (zomer)vakanties maximaal twee aaneengesloten weken bij dezelfde ouder is. Gelet op de leeftijd van [minderjarige] is het voor haar te belastend als zij een periode van drie aaneengesloten weken een van haar ouders moet missen. Het ontbreken van constructieve samenwerking tussen de ouders bemoeilijkt een aaneengesloten verblijf van drie weken bij een van hen, omdat het in die situatie lastig is om contactmomenten tijdens de vakanties met de andere ouder onbelast te laten verlopen.
4.4.
De Raad adviseert om de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de vrouw in de Basisregistratie Personen (BRP) niet te wijzigen. De Raad vindt het daarnaast niet noodzakelijk dat er een hoofdverblijfplaats voor [minderjarige] wordt vastgesteld. Door een beslissing van de rechtbank waarin het hoofdverblijf bij een van de ouders wordt bepaald, wordt de ouderstrijd verder aangewakkerd, wat kan leiden tot een verdere verwijdering tussen de ouders en dat is niet in het belang van [minderjarige] . Volgens de Raad is de gewenste rust en duidelijkheid gelegen in een goede onderlinge samenwerking tussen de ouders en niet in vaststelling van een hoofdverblijfplaats.
De nadere standpunten van partijen
4.5.
De man heeft in zijn schriftelijk reactie op het raadsrapport en tijdens de zitting de betrouwbaarheid en de volledigheid van het raadsrapport in twijfel getrokken. Hij vindt de kwaliteit van het onderzoek onvoldoende en voelt zich onvoldoende gekend in zijn zorgen. De Raad heeft de signalen van zorg over het functioneren van de vrouw niet of onvoldoende meegenomen en de tekenen die wijzen op gedragsverandering bij [minderjarige] , op manipulatie en loyaliteitsconflicten, gedurende het onderzoek gebagatelliseerd en niet onderzocht. De uitkomsten van het raadsonderzoek zijn volgens de man op essentiële onderdelen gebaseerd op onvolledige, deels onjuiste en niet-geobjectiveerde informatie en het beeld dat is ontstaan komt niet overeen met de werkelijkheid. Zijn zorgen zijn niet serieus genomen. Hij heeft nog steeds grote zorgen over de opvoedsituatie bij de vrouw. De vrouw mist de pedagogische en opvoedkundige vaardigheden om [minderjarige] de opvoeding te geven die zij nodig heeft en plaatst [minderjarige] in onveilige situaties. Zijn zorgen zien niet alleen op de fysieke verzorging van [minderjarige] , maar ook op haar emotionele welzijn in het gezin van de vrouw. Veilig Thuis en de school van [minderjarige] hebben aangegeven dat er zorgen zijn, maar daar is nooit iets mee gedaan. Er is tot nu toe geen passende hulpverlening ingezet. Hij voelt zich machteloos. Zijn grootste zorg is dat [minderjarige] door de situatie van gedeelde feitelijke zorg tussen partijen later totaal onnodig met zichzelf in de knoop komt en een opleiding zal gaan volgen die onder haar niveau ligt. Hij vreest ook dat de opvoedingsstijl van de vrouw toekomstige keuzes van [minderjarige] op een negatieve manier zal beïnvloeden. De man vraagt de conclusies van het raadsrapport met de nodige voorzichtigheid te bezien, dan wel de zorgregeling aan te passen zodat [minderjarige] minder aan de opvoedingssituatie bij de vrouw wordt blootgesteld.
4.6.
De vrouw betwist dat er grond is voor de zorgen die de man heeft uitgesproken. Zij herkent die zorgen niet. Zij sluit zich aan bij het advies van de Raad, en vindt het niet in het belang van [minderjarige] aan om de huidige zorgregeling uit te breiden met een overnachting. [minderjarige] geeft ook zelf aan dat zij niet wil dat de zorgregeling in duur wijzigt. De verzochte zorgregeling sluit bovendien beter aan bij de zorgregeling die voor haar twee andere kinderen geldt en voorkomt onrust doordat de wisselmomenten plaatsvinden via school.
De overwegingen van de rechtbank
4.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] belast. Geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd (artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De rechter kan ook op verzoek van de ouders of van een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken en de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft (artikel 1:253a lid 2 BW). Lid 5 van artikel 1:253a BW schrijft voor dat de rechtbank, alvorens te beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, onderzoekt of een vergelijk tussen de ouders tot de mogelijkheden behoort.
4.8.
Ondanks de inspanningen van henzelf en van de betrokken hulpverlening hebben partijen geen afspraken kunnen maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het hoofdverblijf. Ook tijdens de zitting is gebleken dat een aantal geschilpunten partijen verdeeld blijft houden. Zij zijn het er niet over eens welk aandeel ieder van hen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te hebben. De rechtbank constateert dat het partijen niet lukt om in gezamenlijkheid tot afspraken te komen. Omdat het voor [minderjarige] belangrijk is dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling, zal de rechtbank een beslissing nemen.
4.9.
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek van de Raad bestaat uit het ophalen van informatie uit gesprekken met ouders, [minderjarige] , bij het gezin betrokken hulpverleners en een leerkracht van [minderjarige] . Dit is conform de reguliere werkwijze van de Raad, zoals neergelegd in zijn kwaliteitskader en besproken met ouders bij aanvang van het onderzoek. De Raad baseert zijn conclusies in het rapport op de informatie die de Raad bij verschillende informatiebronnen heeft opgehaald. Het rapport is in zoverre concludent en de adviezen van de Raad zijn voorzien van een motivering die begrijpelijk is. De rechtbank neemt de adviezen van de Raad uit het rapport van 6 juni 2025 dan ook mee in de te maken afweging.
4.10.
De rechtbank ziet dat de man zorgen heeft over de opvoedstijl van de vrouw, en hij benoemt daarbij zaken die zich volgens hem in het verleden hebben voorgedaan. Er zijn geen zorgen gesignaleerd door de informanten die bij het raadsonderzoek zijn betrokken. De rechtbank gaat voor haar beslissing uit van het actuele beeld dat in het raadsrapport beschreven is. De bevindingen in het raadsrapport geven geen aanleiding tot zodanige zorgen dat wijziging van de zorgregeling overeenkomstig het verzoek van de man gerechtvaardigd is. [minderjarige] functioneert in de huidige zorgregeling en er zijn geen signalen dat zij niet goed in deze regeling gedijt. Het door de man genoemde argument dat hij meer (dan de vrouw) ondersteuning kan bieden bij het schoolwerk van [minderjarige] vindt de rechtbank van ondergeschikt belang. Voor de rechtbank is het belangrijker dat [minderjarige] zich prettig voelt bij de regeling en dat deze tegemoet komt aan haar wens dat ze zowel tijd met haar vader als met haar moeder kan doorbrengen. De rechtbank acht het voor [minderjarige] het meest in haar belang dat in de weekenden waarin zij bij de man verblijft, het wisselmoment op de vrijdag uit school is. In haar beoordeling heeft de rechtbank meegewogen dat de dynamiek tussen partijen ingewikkeld is en dat zij niet in staat zijn tot constructief overleg. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat zij van de gespannen situatie tussen partijen zo weinig mogelijk meekrijgt en dat de overdracht van [minderjarige] niet in aanwezigheid van haar beide ouders plaatsvindt. Dit betekent dat het weekend bij vader eerder begint (een extra overnachting van vrijdag op zaterdag). Gelet op de wens van [minderjarige] om geen wijziging aan te brengen in de verdeling van de zorg tussen de ouders, zal de rechtbank bepalen zij aansluitend aan dat weekend bij vader verblijft tot dinsdag na school en dat [minderjarige] in de andere week van maandag uit school tot woensdag naar school bij de man verblijft. De zorgregeling loopt voor [minderjarige] dan gelijk met de zorgregeling die voor haar twee broers geldt. [minderjarige] verblijft gelijktijdig met haar broers bij de vrouw en dat geeft haar in de visie van de rechtbank ook meer rust. Dit is dan ook de reguliere zorgregeling die de rechtbank hierna zal bepalen. Op de verdeling van de zorg tijdens de vakanties en feestdagen gaat de rechtbank hierna, in rechtsoverweging 4.12. en verder in.
4.11.
De rechtbank volgt het advies van de Raad om het hoofdverblijf van [minderjarige] niet bij een van de ouders te bepalen. Gelet op de bevindingen van de Raad is de rechtbank er niet van overtuigd dat het voor [minderjarige] het meest in haar belang is dat haar hoofdverblijf bij een van de partijen wordt bepaald. De strijd tussen partijen loopt gemakkelijk en snel op en aannemelijk is dat een beslissing over het hoofdverblijf eerder een averechts effect zal hebben en voor nieuwe discussies en onrust zal zorgen, gelet op de grote betekenis die ouders toekennen aan het hoofdverblijf. De rechtbank wil onderstrepen dat ouders gelijkwaardig zijn, en daar komt bij dat de zorgregeling die de rechtbank bepaalt binnen de marche van een co-ouderschap valt. In de omstandigheid dat het aandeel van de vrouw in de zorg voor [minderjarige] bij deze zorgverdeling iets groter is dan het aandeel van de man, ziet de rechtbank in deze zaak geen grond om het verzoek betreffende het hoofdverblijf toe te wijzen. [minderjarige] staat in de BRP ingeschreven op het adres van de vrouw en de rechtbank gaat ervan uit dat deze inschrijving ongewijzigd blijft. De rechtbank benadrukt dat zij geen redenen ziet om die inschrijving te wijzigen. De verzoeken van partijen om het hoofdverblijf te bepalen zullen worden afgewezen.
4.12.
De rechtbank heeft tijdens de zitting met partijen gesproken over de verdeling van de zorg over [minderjarige] tijdens de vakanties en feestdagen. Op de punten waar partijen overeenstemming hebben bereikt, volgt de rechtbank partijen daarin. Voor zover partijen geen overeenstemming konden bereiken, heeft de rechtbank een beslissing genomen, op basis van de standpunten van partijen en het advies van de Raad. Dit resulteert in de volgende beslissingen.
4.13.
Een verdeling van de zorg tijdens de zomervakantie, waarbij [minderjarige] op basis van een zes-wekelijkse cyclus in de oneven jaren de eerste week bij de man, de tweede en derde week bij de vrouw, de vierde en vijfde week bij de man en de zesde week bij de vrouw verblijft en in de even jaren de eerste week bij de vrouw, de tweede en derde week bij de man, de vierde en vijfde week bij de vrouw en de zesde week bij de man verblijft, vindt de rechtbank het meest in het belang van [minderjarige] . Dit is conform het advies van de Raad. Partijen zijn het erover eens dat [minderjarige] in het laatste weekend van de zomervakantie altijd bij de man zal verblijven, zodat zij aansluitend aan haar verblijf bij hem aan haar eerste schooldag kan beginnen.
4.14.
Partijen zijn het erover eens dat tijdens de herfst- en carnavalsvakanties de reguliere zorgregeling doorloopt. Zij hebben afgesproken dat zij één keer per jaar gedurende een van deze twee vakantieweken met [minderjarige] op vakantie kunnen gaan en dat zij elkaar zes weken van te voren van hun voorgenomen vakantie op de hoogte brengen. Tijdens die vakantieweek loopt de reguliere zorgregeling dan niet door. Partijen zijn het er verder over eens dat onder de vakantieweek wordt begrepen de doordeweekse dagen plus aansluitend de dagen van het weekend, waarin de ouder volgens de reguliere zorgregeling de zorg voor [minderjarige] heeft.
4.15.
De rechtbank acht de door de vrouw verzochte zorgregeling voor de meivakantie het meest in het belang van [minderjarige] en zal overeenkomstig dat verzoek beslissen. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van de man om in de week dat hij de zorg voor [minderjarige] heeft, te regelen dat hij of een ander beschikbaar is om voor haar te zorgen.
4.16.
Partijen zijn het erover eens dat de reguliere zorgregeling tijdens de kerstvakantie doorloopt. Zij zijn het er verder over eens dat [minderjarige] op kerstavond bij de ouder verblijft bij wie zij op dat moment volgens de reguliere zorgregeling is, dat [minderjarige] op eerste kerstdag bij de man verblijft en op tweede kerstdag bij de vrouw. Voor wat betreft Oud en Nieuw beslist de rechtbank dat [minderjarige] in de even jaren oudjaar viert bij de vrouw (tot nieuwjaarsdag 13.00 uur), dat [minderjarige] in de oneven jaren oudjaar viert bij de man (tot nieuwjaarsdag 13.00 uur)
4.17.
De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] op haar verjaardag bij die ouder verblijft bij wie zij op dat moment volgens de reguliere zorgregeling feitelijk is. Dit ter voorkoming van wisselmomenten en daarmee onrust tijdens de verjaardag van [minderjarige] .
4.18.
Partijen zijn het erover eens geworden dat [minderjarige] op de verjaardagen van partijen bij de jarige ouder verblijft. Voor de verjaardag van de man hebben partijen afgesproken dat [minderjarige] op de dag van zijn verjaardag uit school naar de man toegaat en tot en met de volgende ochtend 10.00 uur of naar school.
4.19.
De rechtbank zal beslissen dat de reguliere zorgregeling tijdens de paasdagen doorloopt. Daartoe is in aanmerking genomen dat Pasen elk jaar verspringt met als gevolg dat [minderjarige] in het ene jaar de paasdagen bij de man zal verblijven en in het andere jaar bij de vrouw.
4.20.
Tot slot zijn partijen het erover eens dat [minderjarige] op de studiedagen bij de ouder verblijft bij wie zij op grond van de reguliere zorgregeling ’s ochtends is.
Onderhoudsbijdrage
4.21.
De rechtbank heeft zich in haar tussenbeschikking van 18 december 2024 voor haar beslissing over de door de man verschuldigde onderhoudsbijdrage gebaseerd op de wettelijke maatstaven, de behoefte en de draagkracht (art. 1: 397 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, verder: BW). In rechtsoverweging 4.5. van die beschikking heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Nu de rechtbank voor de berekening van de behoefte niet ervan uitgaat dat partijen in gezinsverband hebben samengeleefd, zoekt de rechtbank voor de bepaling van de behoefte aansluiting bij de meest actuele netto besteedbare inkomens van partijen. Anders dan partijen hebben betoogd, berekent de rechtbank de behoefte aan de hand van de inkomensgegevens die over 2024 beschikbaar zijn.”
4.22.
De rechtbank heeft vervolgens op basis van het inkomen van iedere partij in 2024 berekend dat het gemiddelde eigen aandeel in de kosten van [minderjarige] € 362,= per maand bedraagt (rechtsoverweging 4.8. van die beschikking).
4.23.
De advocaat van de man heeft op de zitting het standpunt ingenomen, zo begrijpt de rechtbank, dat de rechtbank ten onrechte voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] is uitgegaan van de inkomensgegevens van partijen van 2024. De rechtbank zou daarmee afgeweken zijn van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen en van een uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2017, dat voor de vaststelling van de behoefte in de situatie waarin onderhoudsplichtige ouders niet met elkaar hebben samengewoond, aangesloten dient te worden bij het netto besteedbaar inkomen dat partijen destijds bij het beëindigen van de relatie genoten.
4.24.
De rechtbank overweegt als volgt. De beslissing over de behoefte die de rechtbank in de beschikking van 18 december 2024 heeft gegeven, kwalificeert als een bindende eindbeslissing. De vervolgens opgelegde bijdrage is weliswaar voorlopig van aard, maar dat voorlopige karakter is uitsluitend ingegeven door mogelijke wijzigingen in de draagkracht van partijen, en in het bijzonder door mogelijke wijziging van de toepasselijke zorgkorting. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
4.25.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de beslissing over de behoefte van [minderjarige] berust op een onjuiste juridische grondslag. Anders dan de man betoogt, volgt noch uit de wet, noch uit de rechtspraak van de Hoge Raad, noch uit de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie dat bij de bepaling van de eigen bijdrage van ouders in de kosten van een minderjarige waarvan de ouders niet met elkaar hebben samengewoond, de behoefte bepaald dient te worden aan de hand van het inkomen dat iedere ouder verdiende op het moment van het eindigen van de relatie. De rechtbank ziet daarom geen grond om tot een heroverweging over te gaan van hetgeen reeds in de beschikking van 18 december 2024 over de behoefte van [minderjarige] is beslist.
4.26.
In de tussenbeschikking van 18 december 2024 heeft de rechtbank verder de totale draagkracht van partijen berekend op € 765,= per maand. Met partijen is tijdens de zitting op 6 november 2025 over de hoogte van de draagkracht gesproken. Gebleken is dat zij het erover eens zijn dat zich ten aanzien van de draagkracht van beide partijen geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan, zodat de rechtbank van de aldus berekende draagkracht uitgaat.
4.27.
Bij de berekening van het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] heeft de rechtbank in voormelde beschikking een zorgkorting in aanmerking genomen van 35%. Gelet op de zorgregeling die de rechtbank in deze beschikking zal vastleggen, blijft dit percentage ongewijzigd en is geen sprake van een relevante wijziging op grond waarvan de vastgestelde bijdrage opnieuw dient te worden berekend. De rechtbank past de wettelijke indexering van artikel 1:402a lid 1 BW naar analogie toe op de voorlopige bijdrage die zij in haar beschikking van 18 december 2024 heeft berekend, en zal bepalen dat de definitieve door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] € 220,57 per maand bedraagt.
Proceskosten
4.28.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De verdere beslissing

De rechtbank
5.1.
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016, als volgt zal zijn:
- [minderjarige] verblijft bij de man van vrijdag na school (of bij geen school vanaf 18.00 uur) tot dinsdag na school in de ene week en in de andere week van maandag na school tot woensdag naar school;
- tijdens vakanties, feest- en studiedagen:
Oneven jaren
Even jaren
Zomervakantie
Eerste week: man
Tweede en derde week: vrouw
Vierde en vijfde week: man
Zesde week: vrouw
Eerste week: vrouw
Tweede en derde week: man Vierde en vijfde week: vrouw
Zesde week: man
Meivakantie
Eerste week: vrouw
Tweede week: man
Eerste week: man
Tweede week: vrouw
Eerste kerstdag
Man
Man
Tweede kerstdag
Vrouw
Vrouw
Oudejaarsdag tot nieuwjaarsdag 13.00 uur
Man
Vrouw
Verjaardag man
Man
Man
Verjaardag vrouw
Vrouw
Vrouw
- [minderjarige] verblijft in het laatste weekend van de zomervakantie tot maandag naar school ieder jaar bij de man;
- In de herfst- en carnavalsvakantie loopt de reguliere zorgregeling door. De reguliere
zorgregeling loopt niet door als een van partijen tijdens deze vakantieperiode met vakantie is. Partijen kunnen een keer per jaar in een van deze twee vakantieweken met vakantie gaan, waarover zij zes weken van tevoren met elkaar in overleg gaan. Onder de vakantieweek wordt begrepen de doordeweekse dagen plus aansluitend de dagen van het weekend waarin de ouder volgens de reguliere zorgregeling de zorg heeft voor [minderjarige] ;
- In de kerstvakantie loopt de reguliere zorgregeling door, waarbij [minderjarige] op kerstavond bij de ouder verblijft bij wie zij op dat moment volgens de reguliere zorgregeling is;
- [minderjarige] verblijft op haar verjaardag bij de ouder bij wie zij op dat moment volgens de reguliere zorgregeling verblijft;
- [minderjarige] verblijft op de verjaardag van de man vanaf school bij de man tot de volgende ochtend tot school of 10.00 uur;
- Op de paasdagen loopt de reguliere zorgregeling door;
- [minderjarige] is op de studiedagen bij de ouder bij wie zij volgens de reguliere zorgregeling ’s ochtends verblijft;
5.2.
bepaalt dat de man vanaf de dag van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van € 220,57 (tweehonderdtwintig euro en zevenenvijftig eurocent) per maand;
5.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen en, in tegenwoordigheid van mr. Molema, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.