ECLI:NL:RBZWB:2026:2811

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/412039 / FA RK 23-3432
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Dijkman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over omgangsregeling op basis van behoeften minderjarige na overeenstemming partijen

Verzoekster heeft een omgangsregeling met de minderjarige gevraagd, waarbij vaste contactmomenten en vakanties werden voorgesteld. De minderjarige woont bij verweerster, die het eenhoofdig ouderlijk gezag heeft. Na een jeugdtraject en positieve ontwikkelingen in de relatie tussen verzoekster en de minderjarige, is gebleken dat het contact goed verloopt zonder vaste afspraken.

Partijen hebben gezamenlijk verzocht om het verzoek tot een vaste omgangsregeling in te trekken en in plaats daarvan een regeling vast te leggen waarbij het contact in onderling overleg en afgestemd op de behoeften van de minderjarige plaatsvindt. De rechtbank begrijpt dit als een wijziging van het oorspronkelijke verzoek en stemt hiermee in.

De rechtbank wijst de ingetrokken verzoeken af en bepaalt dat het contact tussen verzoekster en de minderjarige zal worden afgestemd op basis van de behoeften van de minderjarige. Een mondelinge behandeling is achterwege gelaten omdat partijen overeenstemming hebben bereikt.

De beschikking is gegeven door rechter Dijkman, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat het contact tussen verzoekster en de minderjarige in onderling overleg en op basis van de behoeften van de minderjarige zal plaatsvinden en wijst de ingetrokken verzoeken af.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/412039 / FA RK 23-3432
datum uitspraak: 18 februari 2026
beschikking over een omgangsregeling
in de zaak van
[verzoekster] ,
hierna: verzoekster,
wonende te [woonplaats] ,,
advocaat: mr. P. Rodrigues de Carvalho te Rotterdam,
tegen
[verweerster] ,
hierna: verweerster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.A.E. van der Poel te Hoogerheide.
1. Het procesverloop
1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het verzoek van 17 juli 2023 met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 19 juli 2023;
- het bericht van 23 oktober 2023 van mr. Rodrigues de Carvalho met als bijlage het vonnis in kort geding van 4 oktober 2023 (zaaknummer C/02/411077 / KG ZA 23-300);
- het bericht van 30 januari 2024 met bijlage van het verdeelloket regio West-Brabant West;
- het bericht van 2 september 2024 van de gemeente Bergen op Zoom;
- het bericht van 21 november 2024 van de gemeente Bergen op Zoom;
- het bericht van 12 juni 2025 van de gemeente Bergen op Zoom met bijlagen;
- het op 25 juli 2025 door mr. Van der Poel ingediende F9-formulier;
- het op 24 november 2025 door mr. Rodrigues de Carvalho ingediende F9-formulier met bijlage;
- het op 25 november 2025 door mr. Van der Poel ingediende F9-formulier.

2.De feiten

2.1
Op [geboortedag] 2014 is als kind van verweerster geboren het thans nog minderjarige kind
[minderjarige](hierna: [minderjarige] ).
2.2
Verweerster en de heer [de vader] zijn gehuwd geweest. De heer [de vader] is de vader verzoekster en hij is eveneens de vader van de hiervoor genoemde minderjarige [minderjarige] .
2.3
Het huwelijk tussen verweerster en de heer [de vader] (hierna: de vader) is op 29 juni 2021 middels echtscheiding beëindigd.
2.4
De vader is op 12 november 2021 overleden.
2.5
Verweerster is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.6
[minderjarige] woont bij verweerster.

3.Het verzoek en de beoordeling

3.1
Verzoekster heeft verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
A. een omgangsregeling tussen verzoekster en [minderjarige] vast te stellen die luidt als volgt:
- [minderjarige] verblijft ieder laatste weekend van de maand van vrijdagavond na het eten tot zondag 17:00 uur bij verzoekster, waarbij verzoekster [minderjarige] op vrijdag na het eten ophaalt bij verweerster en verweerster [minderjarige] op zondag om 17.00 uur ophaalt bij verzoekster,
althans een zodanige omgangsregeling tussen verzoekster en [minderjarige] vast te stellen als de rechtbank in de gegeven omstandigheden rechtvaardig acht;
B. een omgangsregeling tijdens de vakantie- en feestdagen vast te stellen die luidt als volgt:
• [minderjarige] verblijft ieder jaar de eerste week van de zomervakantie aaneengesloten bij verzoekster, waarbij verzoekster [minderjarige] op maandag om 12.00 uur thuis ophaalt en verweerster
[minderjarige] op maandag de week erop bij de vrouw haalt om 12.00 uur;
• [minderjarige] verblijft in de oneven jaren op kerstavond (24 december) vanaf 18.00 uur en eerste
kerstdag (25 december) bij verzoekster, waarbij verzoekster [minderjarige] op kerstavond om 18.00 uur bij verweerster haalt en verweerster [minderjarige] op tweede kerstdag (26 december) om 12.00
uur bij verzoekster haalt;
• [minderjarige] verblijft in de even jaren op kerstavond (24 december) en eerste kerstdag (25 december) bij verweerster en tweede kerstdag (26 december) bij verzoekster, waarbij verzoekster [minderjarige] tweede kerstdag om 12.00 uur bij verweerster haalt en verweerster [minderjarige] op
27 december om 12.00 uur bij verzoekster haalt;
• [minderjarige] verblijft in de even jaren op eerste Paasdag van 12.00 uur tot tweede Paasdag 12.00
uur bij verzoekster, waarbij verzoekster op eerste Paasdag [minderjarige] om 12.00 uur bij verweerster
haalt en verweerster [minderjarige] op tweede Paasdag om 12.00 uur bij verzoekster ophaalt;
• [minderjarige] verblijft in de oneven jaren op tweede Paasdag van 12.00 uur tot tweede Paasdag
20
uur bij verzoekster, waarbij verzoekster op eerste Paasdag [minderjarige] om 12.00 uur bij verweerster haalt en verweerster om 20.00 uur bij verzoekster ophaalt;
• [minderjarige] zal ieder jaar het eerste weekend na haar verjaardag van vrijdagavond na het eten
tot zondag 17.00 uur bij verzoekster verblijven, waarbij verzoekster haar op vrijdag na het
eten ophaalt bij verweerster en verweerster haar op zondag om 17.00 uur weer ophaalt
bij verzoekster,
althans een zodanige vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen als de rechtbank in de
gegeven omstandigheden rechtvaardig acht.
3.2
Partijen en [minderjarige] zijn bij vonnis van 4 oktober 2023, in de zaak met zaaknummer C/02/411077 / KG ZA 23-300, ten behoeve van deze bodemprocedure verwezen voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West.
3.3
Op 12 juni 2025 heeft de gemeente Bergen op Zoom de rechtbank laten weten dat partijen het traject positief hebben afgerond.
3.4
Op 25 juli 2025 heeft mr. Van der Poel namens verweerster laten weten dat de situatie inmiddels tot rust is gekomen en dat er sprake is van een stabiel en constructief contact tussen [minderjarige] en verzoekster. Zij onderhouden rechtstreeks contact via de telefoon of WhatsApp op een wijze en in een frequentie die voor beiden erg prettig is. Van een vaste afspraak voor maandelijks contact is geen sprake. Wel vindt er met enige regelmaat contact plaats, geheel in overleg en afgestemd op [minderjarige] ’s wensen. [minderjarige] voelt zich comfortabel bij contactmomenten in haar eigen omgeving. Verweerster stelt dat het niet noodzakelijk is een vaste contactregeling vast te leggen, aangezien de huidige situatie naar behoren functioneert.
3.5
Op 24 november 2025 heeft mr. Rodrigues de Carvalho namens verzoekster de rechtbank laten weten dat het contact tussen verzoekster en [minderjarige] goed verloopt en dat er onderling overleg plaatsvindt met verweerster. Partijen willen voorkomen dat er druk op [minderjarige] wordt gelegd en ervaren dat de huidige contactmomenten goed werken. Zij achten het daarom niet wenselijk dat er een vaste omgangsregeling wordt opgelegd waarbij [minderjarige] tot contact zou worden verplicht. Om deze reden trekt verzoekster haar verzoeken onder A en B van het petitum in. Partijen zijn overeengekomen dat het wel wenselijk is dat in een beschikking wordt vastgelegd dat er contact dient plaats te vinden tussen verzoekster en [minderjarige] , mits afgestemd op de behoeften van [minderjarige] . Verzoekster verzoekt dan ook in de beschikking op te nemen dat het contact tussen verzoekster en [minderjarige] in onderling overleg tussen partijen zal worden afgestemd en zal plaatsvinden op basis van de behoeften van [minderjarige] . Een nadere mondelinge behandeling is dan niet nodig. De rechtbank begrijpt dit verzoek als een wijziging van de eerdere verzoeken van verzoekster.
3.6
Op 25 november 2025 heeft mr. Van der Poel aan de rechtbank laten weten dat verweerster instemt met de inhoud van de brief van mr. Rodrigues de Carvalho van 24 november 2025. Ze kan zich verenigen met de bepaling dat contact tussen verzoekster en [minderjarige] in onderling overleg tussen partijen zal worden afgestemd op basis van de behoeften van [minderjarige] . Een mondelinge behandeling kan dan ook achterwege blijven en de zaak kan schriftelijk worden afgedaan.
3.7
De rechtbank begrijpt dat partijen overeenstemming hebben bereikt. De rechtbank zal, nu de afspraak tussen partijen niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, overeenkomstig de overeenstemming tussen partijen beslissen, in die zin dat de rechtbank zal bepalen dat het contact tussen verzoekster en [minderjarige] in onderling overleg tussen partijen zal worden afgestemd en zal plaatsvinden op basis van de behoeften van [minderjarige] . De ingetrokken verzoeken zullen worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
bepaalt dat het contact tussen verzoekster en [minderjarige] in onderling overleg tussen partijen zal worden afgestemd en zal plaatsvinden op basis van de behoeften van [minderjarige] ;
4.2
wijst de ingetrokken verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026, in tegenwoordigheid van drs. Swint, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.