Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2808

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
C/02/396568 / FA RK 22-1657
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouding zorgregeling en hoofdverblijf minderjarigen in afwachting van GI-rapportage

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelt een zaak over het hoofdverblijf en de zorgregeling van twee minderjarige kinderen na een langdurig traject van ouderschapsbemiddeling en ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling (GI) adviseerde een co-ouderschap, maar kon tijdens de zitting de gestelde vragen niet beantwoorden, waardoor de rechtbank de zaak aanhoudt.

De ouders hebben uiteenlopende standpunten over het hoofdverblijf en de zorgregeling, waarbij de man het hoofdverblijf bij zich wil en de vrouw het bij haar wil houden met een co-ouderschapsregeling. De GI constateerde overbelasting bij de vrouw en conflicten, maar twijfelt aan de praktische uitvoerbaarheid van co-ouderschap bij de man.

De rechtbank verwacht een uitgebreide briefrapportage van de GI met beantwoording van specifieke vragen over het advies en de situatie tussen de ouders. Tevens zal de Raad voor de Kinderbescherming een aanvullend schriftelijk advies uitbrengen. De zaak wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting, waarbij ook de verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden behandeld.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling aan in afwachting van een aanvullende rapportage van de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/396568 / FA RK 22-1657
Datum uitspraak: 3 maart 2026
beschikking van 3 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden, gevestigd te Terneuzen,
en
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M. Janse, gevestigd te Bergen op Zoom.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming west Zeeland,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 28 juli 2022 met alle daarin vermelde stukken;
- het bericht van [hulpverlening] met bijlagen van 30 september 2024;
- het bericht van de Raad van 11 oktober 2024;
- F9-formulier van mr. Van den Branden van 21 november 20224 met bijlage;
- F9-formulier van mr. Janse van 26 november 2024;
- het bericht van de Raad van 7 april 2025 met als bijlage het raadsrapport, ingekomen op 8 april 2025;
- F9-formulier van mr. Janse van 21 mei 2025 met bijlage;
- het bericht van de GI van 5 februari 2026;
- F9-formulier van mr. Janse van 9 februari 2026 met bijlage;
- F9-formulier van mr. Van den Branden van 9 februari 2026 met bijlage;
- het door de man ingediende verweerschrift van 16 februari 2026 met bijlagen.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 19 februari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een tweetal vertegenwoordigsters namens de GI.
1.3.
De minderjarigen zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken aan. Zij hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hebben een kindgesprek gehad. Tijdens de zitting is kort samengevat wat de minderjarigen hebben verteld en de aanwezigen hebben hierop kunnen reageren.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank verwijst naar de eerdere beschikking van 28 juli 2022. Partijen zijn bij beschikking van 28 juli 2022 verwezen naar het Uniform HulpAanbod (hierna te noemen: UHA). Iedere verdere beslissing is in afwachting van het UHA-traject aangehouden.
2.2.
Bij bericht van 30 september 2024 heeft [hulpverlening] laten weten dat het UHA-traject negatief is afgesloten. Uit het UHA-rapport blijkt dat de ouders een ouderschapsbemiddelingstraject van anderhalf jaar hebben doorlopen. De ouderschapsbemiddeling geeft aan dat er momenteel niets meer te bemiddelen valt. De ouders zijn wel akkoord met ambulante hulp (IPT), zodat de vrouw en [minderjarige 1] in de opvoedsituatie ondersteund blijven, parallel aan de start van systeemtherapie. Deze therapie is geadviseerd aan de vrouw en [minderjarige 1] om verdiepend te gaan werken op hun interactie en contact.
2.3.
Bij bericht van 11 oktober 2024 heeft de Raad aangegeven een IOI-interventie het meest in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te vinden. De Raad ziet dit als een laatste kans gesprek voor de ouders om overeen te komen over de door de rechtbank gestelde onderzoeksvragen. Van belang is dat voor de kinderen duidelijk wordt bij welke ouder zij hun hoofdverblijf hebben en hoe de contactregeling met de andere ouder eruitziet en dat zij hierin voorspelbaarheid ervaren.
2.4.
Bij bericht van 7 april 2025 heeft de Raad het raadsrapport aan de rechtbank toegestuurd. De Raad verzoekt de minderjarigen onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west voor de duur van een jaar. Daarnaast adviseert de Raad de definitieve beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling van en met de minderjarigen aan te houden voor de duur van negen maanden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling.
2.5.
Op 14 mei 2025 zijn de minderjarigen door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar, te weten met ingang van 14 mei 2025 en tot 14 mei 2026.
2.6.
Uit het bericht van de GI van 5 februari 2026 blijkt dat de jeugdbeschermer in de beginperiode bij de vrouw heeft waargenomen dat zij overbelast is geraakt. Er zijn met name conflicten tussen de moeder en [minderjarige 1] , waarbij er één fysiek incident heeft plaatsgevonden.
De GI is van mening dat er een meer evenredige zorgverdeling met de man moet komen, maar de GI vindt het te ver gaan om de hoofdverblijven van de kinderen bij de man te bepalen. De man heeft tot op heden niet laten zien dat hij een co-ouderschap praktisch vorm kan geven. De jeugdbeschermer heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de man dit zou kunnen realiseren bij een volledig hoofdverblijf van beide kinderen.
De GI kan zich wel voorstellen dat het hoofdverblijf bij de vrouw blijft en er een 50/50 verdeling van de zorgregeling wordt vastgelegd of dat de het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw en het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man wordt bepaald.
2.7.
Via het bericht van zijn advocaat van 9 februari 2026 heeft de man aangegeven dat [minderjarige 1] al jaren standvastig is in zijn mening bij de man te willen wonen. De man geeft aan dat dit ook voor [minderjarige 2] geldt. De kinderen hebben dit ook tegen de jeugdbeschermer gezegd. Voor de man is het onbegrijpelijk dat er niet naar de kinderen wordt geluisterd. De kinderen uiten bij hem nog steeds regelmatig dat zij zich heel ongelukkig voelen in de huidige woonsituatie.
[minderjarige 1] staat op dit moment voor 6 A vakken onvoldoende en in totaal 8 tekorten op A. Dit mogen er maar twee zijn., waarvan ook maar één van de combinatie Nederlands-Engels-Wiskunde. De vrouw heeft aan de man aangegeven dat de kinderen niet luisteren en dat zij daarom niet tot weinig toeziet op het huiswerk. De man is er daarnaast achter gekomen dat [minderjarige 1] (bij de vrouw) vele uren op zijn telefoon zit. Voor de man zijn dit redenen om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen.
De communicatie tussen de ouders is slecht. Een terugkerend thema zijn de te kleine schoenen van de kinderen.
Ook komen er op het werk van de man veranderen, die betekenen dat hij aanpassingen in zijn werk zal moeten doen. De man zal ofwel minder moeten gaan werken of binnen het vier-ploegensysteem blijven, maar dan zal de man terug in functie moeten. Beide opties betekenen dat het inkomen van de man zal dalen.
De man vult verder zijn verzoek aan dat indien het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt bepaald, het verzoek van de vrouw aangaande de alimentatie gewijzigd dient te worden, in die zin dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld.
2.8.
Bij bericht van haar advocaat van 9 februari 2026 geeft de vrouw aan dat haar standpunt ten aanzien van de zorgregeling is gewijzigd en dat zij haar verzoeken als volgt aanpast:
I. te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw is;
II. een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man, waarbij er gewisseld wordt op maandag na school en waarbij ten aanzien van de vakanties en feestdagen de volgende regeling geldt:
Voorjaarsvakantie: even jaren bij de vrouw van vrijdag na school tot maandag voor school, oneven jaren bij de man;
Meivakantie:even jaren de eerste week bij de man van vrijdag na school tot zaterdag 10.00 uur, de tweede week bij de vrouw van zaterdag 10.00 uur tot maandag voor school. In de oneven jaren andersom en wanneer de kinderen conform de co-ouderschapsregeling de week voor de meivakantie bij de ouder zijn die de kinderen in de eerste week van de meivakantie heeft dan vindt de wissel plaats op maandagochtend om 10 uur en wordt de reguliere co-ouderschapsregeling gevolgd en verblijven de kinderen twee aaneengesloten weken bij ieder van de ouders;
Zomervakantie:in de oneven jaren de eerste helft van de vakantie bij de vrouw en de laatste helft bij de man, even jaren eerste helft van de vakantie bij de man en laatste helft bij de vrouw en waarbij tevens geldt:
  • Het eerste deel van de zomervakantie start vanaf de dag van de officieel landelijke schoolvakantie en de laatste dag is de eerste maandag na het einde van de officiële landelijke schoolvakantie. Voor en na de zomervakantie wordt de reguliere zorgregeling gevolgd;
  • De wissel in de zomervakantie vindt plaats in het middelste weekend op zaterdag om 10.00 uur.
Herfstvakantie:even jaren bij de man van vrijdag na school tot maandag voor school, in de oneven jaren bij de vrouw;
Kerstvakantie:oneven jaren de eerste week vanaf de laatste schooldag bij de man met Kerst (24, 25 en 26 december) en de tweede week met Oud- en Nieuwjaarsdag bij de vrouw (vanaf in ieder geval 30 december om 20.00 uur). In de even jaren andersom. Partijen streven erna dat de kinderen gedurende één week bij iedere ouder verblijft en er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de hiervoor genoemde verdeling van de feestdagen.
Vader- en Moederdag, Koningsdag, Pasen, Pinksteren en Hemelvaart:conform zorgregeling.
Ten aanzien van de kinderalimentatie verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 250,19 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 januari 2022 onder de bepaling dat de man gerechtigd is om eens per kwartaal € 100,00 per kind in mindering te brengen, steeds bij de betaling van de alimentatie voor de eerste maand van ieder kwartaal.
2.9.
De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Hij verzoekt het verzoek van de vrouw om een co-ouderschap vast te stellen af te wijzen. Ten aanzien van de kinderalimentatie verzoekt de man primair, indien het hoofdverblijf van de kinderen bij hem wordt bepaald, het verzoek van de vrouw af te wijzen en subsidiair indien het verzoek van de vrouw tot co-ouderschap wordt toegewezen het verzoek tot kinderalimentatie af te wijzen voor zover dit in strijd is met het zelfstandige verzoek van de man onder VI.
De man handhaaft zijn volgende zelfstandige verzoeken, bij beschikking, onder wijziging van het door partijen op 28 augustus 2019 ondertekende ouderschapsplan en vult zijn zelfstandige verzoeken aan:
I. Te bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het hoofdverblijf bij de man zullen hebben;
II. Een basis zorg- en contactregeling te stellen waarbij de kinderen eenmaal per 14 dagen een weekend bij de vrouw verblijven, van vrijdagmiddag na school (de vrouw haalt de kinderen uit school) tot maandagochtend voor school (de vrouw brengt de kinderen naar school).
III. Een vakantieregeling vast te stellen zoals in de punten 12 en 13 van het verweerschrift van 9 februari 2026;
IV. Dat ten aanzien van het vervoer zal gelden dat de ouder waar de kinderen zijn, tenzij de wissel op school plaatsvindt de kinderen naar de andere ouder zal brengen, met de uitdrukkelijk vermelding dat dit alleen zal gelden wanneer beide ouders in [woonplaats] wonen. In geval een van e ouder buiten [woonplaats] gaat wonen/verblijven, si die ouder verantwoordelijk voor het halen en brengen. Als ook met de uitdrukkelijke vermelding dat de kinderen op de fiets worden gebracht.
V. Te bepalen dat de door de man te betalen kinderalimentatie op nihil wordt gesteld.
VI. Indien de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen niet bij de man bepaalt dan verzoekt de man subsidiair het hoofdverblijf bij de vrouw te houden.
VII. Indien de rechtbank het hoofdverblijf niet bij de man bepaalt en een co-ouderschap vast stelt: de door de man te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 184,- per kind per maand, waarbij voorts uitdrukkelijk wordt opgenomen dat de man gerechtigd is om eens per kwartaal € 150 per kind in mindering te brengen.
Hij stelt dat het co-ouderschap niet in het belang van de kinderen is. Qua vakanties komen de verzoeken van de vrouw grotendeels overeen met die van de man. De man geeft daarbij nog aan dat de ouder waar de kinderen verblijven de kinderen uit school haalt en de ouder waar de kinderen verblijven de kinderen naar school brengt.
Ten aanzien van de meivakantie merkt de man op dat wanneer er een co-ouderschap wordt vastgelegd de aanvullingen van de vrouw moet worden afgewezen, wat betekent dat de wisseling op de zaterdag om 10 uur moet blijven staan. Op die manier kan de man, zoals zijn gezin en de kinderen gewend zijn, een week op vakantie naar Spanje.
Ten aanzien van de kerstvakantie merkt de man op dat de eerste week loopt vanaf de laatste schooldag tot 30 december om 20.00 uur. De man vindt het praktischer als er gewisseld wordt op zaterdag middenin de vakantie om 10.00 uur, hetgeen partijen al jaren zo doen. Voor 2026 zou er op zondag om 10.00 uur gewisseld kunnen worden en voor 2027 op vrijdagochtend halverwege de vakantie oom 10.00 uur omdat dan de feestdagen in de weekenden vallen. Vanaf 2028 kan de wisseling weer op zaterdag om 10.00 uur. De man is van mening dat de kinderen in de even jaren de volledige kerst bij de vrouw zijn en met Oud en Nieuw bij de man en andersom.
Voor wat betreft de zomervakantie gaan de kinderen op donderdagmiddag om 14.00 uur voorafgaand aan de zomervakantie naar de ouder die de eerste drei weken met de kinderen zal doorbrengen. De wissel is in het middelste weekend op zaterdag om 10.00 uur. De andere ouder heeft dan de laatste drie weken van de zomervakantie tot aan de ochtend dat de kinderen weer naar school moeten.
De man verzoekt om Hemelvaart aan te laten sluiten bij het opvolgende weekend, de wisseling is dan op woensdag na school.
De verdere voortzetting van de zaak
2.6.
Tijdens de zitting van 19 februari 2026 zijn er aan de GI vragen gesteld over het door de GI gegeven advies. Doordat de jeugdbeschermer van dit gezin niet aanwezig was en er enkel vervangers uit een ander team op de zitting aanwezig waren, konden de vragen niet, althans niet voldoende, worden beantwoord. Om die reden was ook de Raad niet in staat om een nader advies uit te brengen (zoals zij volgens het raadsrapport van 7 april 2025 zouden doen).
2.7.
De rechtbank heeft met alle aanwezigen besproken de zaak aan te houden tot de zitting van [datum] 2026 om [uur] . De rechtbank betreurt dit ten zeerste, omdat dit voor de kinderen wederom een periode van onduidelijkheid betekent. Het is voor de komende periode aan de ouders om de situatie voor de kinderen te vergemakkelijken. Met name voor [minderjarige 1] en zijn schoolresultaten is het van belang dat de ouders hier aandacht voor hebben.
2.8.
De rechtbank verwacht, zoals ter zitting besproken, twee weken voorafgaand aan de zitting van [datum] 2026 een briefrapportage van de GI, waarin een toelichting gegeven wordt op de brief van 5 februari 2026. Daarbij wordt aan de GI verzocht om, in ieder geval, de volgende vragen te beantwoorden:
- Waarom adviseert de GI een co-ouderschap?
- Wat zijn de redenen van de GI dat er niet geadviseerd wordt om het hoofdverblijf van de kinderen bij de man te bepalen en als het ware de huidige zorgregeling om te draaien, zodat de kinderen een weekend in de veertien dagen bij de vrouw zijn?
- Hoe komt het dat de GI er geen vertrouwen in heeft dat de man de zorg voor de kinderen kan realiseren wanneer het hoofdverblijf bij hem wordt bepaald?
- Hoe ziet de GI de huidige situatie tussen de ouders, waarbij zij nagenoeg niet met elkaar kunnen communiceren, in het kader van een co-ouderschapsregeling?
De rechtbank verwacht verder van de GI een overzicht van alle relevante ontwikkelingen tussen partijen die zich tot dan toe hebben voorgedaan. Voor zover de GI van oordeel is dat haar eerder advies, al dan niet door deze recente ontwikkelingen, moet worden aangepast, dient zij dit de rechtbank gemotiveerd te berichten.
2.9.
De Raad heeft aan deze vragen van de rechtbank toegevoegd:
- Wordt er voldoende bereidheid en veranderbaarheid gezien om de ouderschapsbemiddeling in te zetten of is ouderschapsbemiddeling een te lichte vorm om de communicatie tussen de ouders te verbeteren?
2.10.
De rechtbank zal de zaak aanhouden tot de zitting van [datum] 2026. Deze zaak zal dan gelijktijdig behandeld worden met het nog door de GI in te dienen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Op de hieronder genoemde pro forma datum verwacht de rechtbank van de GI dat de briefrapportage bij de rechtbank binnen is. Deze dient ook naar de Raad en (de advocaten van) partijen te worden gestuurd. De Raad heeft dan vervolgens een week de tijd om een schriftelijk advies uit te brengen en deze aan de rechtbank en aan (de advocaten van) partijen te sturen.
2.11.
Voor wat betreft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , het volgende. Beide kinderen hebben voorafgaand aan de zitting van 19 februari 2026 hun mening duidelijk kenbaar gemaakt. Omdat de moeder heeft aangegeven dat [minderjarige 2] van mening veranderd is, zal de rechtbank de kinderen nogmaals een uitnodiging voor een kindgesprek sturen. Het is aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] of zij gebruik willen maken van deze uitnodiging.
Afschrift beschikking naar GI
2.12
Omdat de GI in deze zaak geen belanghebbende is, maar informant, zal de rechtbank bepalen dat een afschrift van deze beschikking naar de GI wordt gestuurd, zodat de GI op de hoogte is van hetgeen de rechtbank van de GI verwacht.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
houdt de verdere beslissingen op de verzoeken aan tot de zitting
van [datum] 2026 om [uur]bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 (4331 JE) te Middelburg (mr. Hopmans voor de duur van 120 minuten) in afwachting van de briefrapportage van de GI (zoals vermeld in rechtsoverwegingen 2.8., 2.9. en 2.10.) welke uiterlijk op
28 april 2026 pro formanaar de rechtbank en (de advocaten van) partijen dient te worden gestuurd.
3.2.
bepaalt dat de Raad uiterlijk op
5 mei 2026 pro formaschriftelijk (aanvullend) adviseert naar aanleiding van het bericht van de GI;
3.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor (de advocaten van) partijen, de GI en de Raad voor de
zitting van [datum] 2026 om [uur];
3.4.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking naar de GI stuurt;
3.5.
bepaalt dat de griffier [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een uitnodiging voor een kindgesprek stuurt.
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, op 3 maart 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op:

Voetnoten

1.In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.