Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2796

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/1360 WHT en BRE 25/1361 WHT
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 4.3 WhtArt. 6:39 BWArt. 155 Boek 6 BWArt. 2.7 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing beroep op vergoeding betaalde schulden Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht vergoeding van al betaalde schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister wees de aanvragen af wegens onvoldoende bewijs dat de schulden voldeden aan de voorwaarden van de Wht, met name dat de schulden na 31 december 2005 zijn ontstaan en vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de vergoeding van de schuld aan Intrum (oorspronkelijk Neckermann) heeft geweigerd. Uit kredietregistraties en aanvullende stukken blijkt voldoende aannemelijk dat deze schuld na 31 december 2005 is ontstaan en vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Eiseres heeft bovendien na ontvangst van compensatie betalingen gedaan, zodat vergoeding van € 782,67 terecht is.

Voor de andere schulden aan Intrum (ABN Amro) en Riverty is onvoldoende bewijs geleverd dat zij aan de voorwaarden voldoen. De minister heeft daarom terecht deze schulden niet vergoed. De rechtbank wijst het beroep op de schuld aan Intrum (Neckermann) toe en verklaart het beroep op de andere schulden ongegrond. De minister moet het griffierecht vergoeden, maar niet de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit voor de schuld aan Intrum (Neckermann) en beveelt vergoeding van € 782,67, terwijl de overige schulden niet worden vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/1360 WHT en BRE 25/1361 WHT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. L.L. Ross),
en

De minister van Financiën, verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor het vergoeden van al betaalde schulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ten onrechte geweigerd heeft de schuld aan Intrum (een oorspronkelijke schuld aan Neckermann) te vergoeden. De minister heeft wel terecht geweigerd de schulden aan Intrum (een oorspronkelijke schuld aan de ABN Amro) en Riverty te vergoeden. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Het beroep met zaaknummer BRE 25/1360 WHT is gegrond en het beroep met zaaknummer BRE 25/1361 WHT is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor de vergoeding van al betaalde schulden.
Deze aanvraag is voor wat betreft de schulden aan Intrum met het besluit van 4 oktober 2024 (primair besluit I) afgewezen (BRE 25/1360 WHT). Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Deze aanvraag is voor wat betreft de schuld aan Riverty met het besluit van 18 oktober 2024 (primair besluit II) afgewezen (BRE 25/1361 WHT). Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Met de bestreden besluiten van 9 januari 2025 op de bezwaren van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en mr. [gemachtigde] namens de minister.
2.3. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op 18 mei 2021 heeft eiseres een compensatiebedrag van € 30.000,- ontvangen. Zij heeft bij de Sociale Banken Nederland (SBN) op 19 juni 2024 een aanvraag ingediend voor vergoeding van al betaalde schulden.
3.1.
Met het primaire besluit I is aangegeven dat de opgegeven schulden aan Intrum van € 1.342,17 en € 3.800,- niet voor terugbetaling in aanmerking komen. Met het primaire besluit II is aangegeven dat de opgegeven schuld aan Riverty van € 3.090,45 niet voor terugbetaling in aanmerking komt. Deze bedragen worden niet terugbetaald omdat de schulden niet goed kunnen worden beoordeeld. SBN heeft eiseres om extra bewijs gevraagd, maar dat heeft zij niet (op tijd of compleet) aangeleverd.
Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.
Bestreden besluiten
3.2.
Met de bestreden besluiten heeft de minister de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. De bij de aanvraag gevoegde bewijsstukken waren niet voldoende om de schulden te kunnen beoordelen. Nadat eiseres is gevraagd om de ontbrekende informatie aan te leveren, heeft zij op 28 augustus 2024 nog enkele bewijsstukken aangeleverd, maar niet de gevraagde informatie. Daarom beschikte SBN over onvoldoende gegevens om de schulden te kunnen beoordelen. Naar aanleiding van de bezwaarschriften is eiseres bij brieven van 30 oktober 2024 nogmaals in de gelegenheid gesteld om de ontbrekende informatie aan te leveren. Van die gelegenheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt.
Met betrekking tot de schuld aan Intrum (betreffende Neckermann) van € 1.342,17 heeft de minister overwogen dat eiseres geen bewijsstukken, zoals de originele facturen, heeft aangeleverd waaruit blijkt wanneer de schuld is ontstaan. Door het ontbreken van die bewijsstukken kan de minister niet vaststellen of de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en dus ook niet of de schuld voldoet aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. Tevens kan de minister door het ontbreken van bewijsmiddelen niet vaststellen of de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en dus ook niet of de schuld voldoet aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Met betrekking tot de andere schuld aan Intrum (betreffende ABN Amro) heeft de minister overwogen dat deze schuld een doorlopend krediet betreft. Uit het aangeleverde overzicht van mijnkredietregistratie.nl blijkt volgens de minister dat eiseres het doorlopend krediet in 2005 heeft afgesloten, zodat de schuld niet is ontstaan na 31 december 2005. Dat betekent dat de schuld niet voldoet aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht.
De minister deelt niet de stelling van eiseres dat zij in ieder geval een deel van de beide schulden van Intrum terugbetaald zou moeten krijgen omdat uit de stukken afdoende zou blijken dat zij in ieder geval een deel van de schuld heeft afbetaald nadat zij de compensatie heeft ontvangen. Een schuld moet namelijk aan alle voorwaarden voldoen die de Wht stelt om voor terugbetaling in aanmerking te komen.
Met betrekking tot de schuld aan Riverty heeft de minister overwogen dat dit een doorlopend krediet van € 981,- bij Otto betreft. Eiseres heeft geen bewijsstukken aangeleverd, zoals een overzicht van facturen met ontstaansdata, waaruit is vast te stellen of de schuld is ontstaan na 31 december 2005, zoals is vereist in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht. Daarbij komt dat de minister door het ontbreken van een overzicht van de facturen en de bijkomende kosten niet kan vaststellen wat de exacte hoogte van de schuld was. Op het overzicht van mijnkredietregistratie.nl is een kredietbedrag vermeld van € 981,-, maar Riverty noemt een totaal van € 3.943,70, namelijk een bedrag van € 1.668,14 en wettelijke rente van € 1.825,26.
In het overzicht van mijnkredietregistratie.nl staat vermeld dat er op 12 november 2014 sprake was van een betalingsachterstand en op 14 november 2014 van een opeising. Eiseres heeft echter geen bewijsstukken van Infoscore/Otto aangeleverd waaruit blijkt dat (ook) de hoofdsom van het krediet opeisbaar was en dat deze daadwerkelijk is opgeëist. Daardoor is het de minister niet gebleken dat de schuld voldoet aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 4.1, vierde lid, van de Wht.

Beroepsgronden

4. Eiseres heeft aangevoerd dat de bestreden besluiten in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
Met betrekking tot de schuld aan Intrum vanwege een oorspronkelijke schuld aan Neckermann heeft eiseres aangegeven dat de hoofdsom is opgebouwd uit twee bedragen die op 7 februari 2014 een bedrag van € 868,90 behelzen. Daarnaast heeft Intrum op 6 februari 2014 rente overgenomen van € 88,68. Met een rente van 2% per jaar (wat laag zou zijn) zou de totale rente na vijf jaar tot dat bedrag zijn opgelopen. Uit de hoogte van dat bedrag kan worden afgeleid dat de schulden niet eerden dan in 2008 of 2009 moeten zijn ontstaan. De kans dat de hoofdsommen zijn ontstaan voor 1 januari 2006 is nihil. De opeisbaarheid van de schulden blijkt uit de informatie van Intrum. Daarom voldoet de schuld aan alle voorwaarden van de Wht en dus moeten de door eiseres betaalde bedragen aan haar worden terugbetaald.
Met betrekking tot de schuld aan Intrum vanwege een oorspronkelijke schuld aan de ABN Amro heeft eiseres gesteld dat uit de kredietregistratie blijkt dat er voor het eerst een achterstand is op de kredietbetaling op 2 september 2014. Alleen achterstanden op kredieten worden als schulden gezien. SBN neemt ook alleen die achterstanden over. Dat het krediet eerder is afgesloten dan 2006 maakt niet dat de achterstand niet pas in 2014 kan zijn ontstaan. Dat maakt dat de schuld (zijnde de achterstand) is ontstaan in de in geding zijnde periode, namelijk in 2014. Die achterstand is vervolgens enkele dagen later, ook in september 2014 opgeëist. Daarmee dient de schuld voor vergoeding in aanmerking te komen.
Met betrekking tot de schuld aan Riverty heeft eiseres aangevoerd dat uit de kredietregistratie is af te leiden dat er een opeisbare schuld van € 981,- was in februari of april 2006. De schuld wordt vervolgens logischerwijs groter als er niet wordt afgelost en dus loopt deze op tot een bedrag van € 3.493,45 in 2014. Daarvan is een bedrag van € 1.825,56 aan rente gemoeid. De schuld is onmiskenbaar ontstaan en opeisbaar geworden in de in geding zijnde periode. De opgave komt vanuit kredietregistratie en later van Riverty zelf. Indien niet zonder meer zou kunnen worden vastgesteld welk bedrag daadwerkelijk voor vergoeding in aanmerking komt, dan zou in ieder geval het bedrag van € 981,- aan haar moeten worden terugbetaald. Dit was immers de schuld in 2006 en er is nadien niet meer op afgelost, blijkens het feit dat deze in 2014 door met name rente in zeer grote mate was toegenomen.
Op 7 januari 2026 heeft eiseres aanvullende stukken overgelegd ter onderbouwing van haar schuld aan Intrum vanwege een oorspronkelijke schuld aan Neckermann en haar schuld aan Riverty.

Juridisch kader

5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de minister terecht de door eiseres al betaalde schulden aan Intrum en Riverty niet heeft vergoed. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
6.1.
Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht bepaalt onder welke voorwaarden geldschulden worden overgenomen. Deze voorwaarden zijn onder andere dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en opeisbaar was vóór 1 juni 2021.
6.2.
Voor de beantwoording van de vraag of en op welk moment een schuld, waarvan om overname is verzocht, opeisbaar is geworden, zijn de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) bepalend. Een schuld is in de regel opeisbaar wanneer de schuldeiser nakoming kan vorderen. Is een termijn voor nakoming bepaald, dan is de verbintenis pas na het verstrijken van die termijn opeisbaar (artikel 6:39 van Pro het BW). [1] Dit betekent dat voor de vraag of en wanneer een schuld opeisbaar is van belang is wat partijen daarover hebben afgesproken.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de overeenkomst tussen eiseres en de schuldeisers en de daaraan ten grondslag liggende voorwaarden ontbreken. Er ontbreken dus stukken op basis waarvan het ontstaan van de schuld en de opeisbaarheid kunnen worden vastgesteld. De rechtbank zal op basis van de wel overgelegde stukken beoordelen of toch voldoende aannemelijk is gemaakt dat is voldaan aan de voorwaarden uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Dit zal per schuld worden bekeken.
BRE 25/1360 WHT
Is terecht geweigerd de schuld aan Intrum (Neckermann) te vergoeden?
7. De rechtbank stelt vast dat eiseres eerst in beroep, namelijk een week voor de zitting, een uitdraai van de kredietregistratie betreffende deze schuld heeft overgelegd. Na bespreking ter zitting is dit stuk toegelaten in de procedure. Hieruit blijkt dat deze schuld op 8 februari 2010 is geregistreerd en dat de eerste aflossing op 21 oktober 2009 heeft plaatsgevonden. De minister heeft aangevoerd dat hiermee nog altijd onduidelijk is wanneer de schuld is ontstaan. Eiseres heeft met verwijzing naar de informatie van Intrum gesteld dat op basis van de hoogte van de hoofdsom en de verschuldigde rente beredeneerd kan worden dat de schuld in 2008 of 2009 is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank vindt dit bevestiging in de overgelegde uitdraai van de kredietregistratie. Hoewel op grond van het voorgaande de datum van het ontstaan van de schuld niet exact kan worden vastgesteld, is wel voldoende aannemelijk geworden dat deze schuld is ontstaan na 31 december 2005. Aan deze voorwaarde uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht wordt dus voldaan.
7.1.
Op de overgelegde kredietregistratie wordt verder als datum opeising 6 februari 2014 vermeld. Deze datum komt ook terug in de brieven van Intrum uit 2018. Deze stukken bevestigen elkaar dan ook wat betreft de datum van de opeisbaarheid van de schuld. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de schuld opeisbaar was vóór 1 juni 2021. Ook aan deze voorwaarde uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht wordt dus voldaan.
7.2.
Naast voornoemde voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid geldt in geval van een al afgeloste schuld op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht als voorwaarde voor vergoeding dat de schuld door eiseres is voldaan na ontvangst van het compensatiebedrag op 18 mei 2021.
Eiseres heeft een brief van Intrum van 11 november 2020 overgelegd waaruit blijkt dat zij een betalingsregeling van € 111,90 per maand hebben afgesproken waarbij de eerste betaling vóór 31 december 2020 diende plaats te vinden. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat eiseres in de periode van 25 mei 2021 tot 25 november 2021 een bedrag van € 782,67 (1 x € 111,27 en 6 x € 111,90) aan Intrum heeft betaald. Hoewel Intrum heeft aangegeven dat eiseres de volledige schuld van € 1.342,17 heeft betaald, kan de rechtbank niet vaststellen of de rest van dit bedrag is betaald na de ontvangst van het compensatiebedrag op 18 mei 2021.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze schuld aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor vergoeding op grond van de Wht. De minister heeft dus ten onrechte geweigerd om deze schuld te vergoeden en had een bedrag van € 782,67 aan eiseres moeten vergoeden.
Is terecht geweigerd de schuld aan Intrum (ABN Amro) te vergoeden?
8. De rechtbank stelt vast dat deze schuld betrekking heeft op een doorlopend krediet op een betaalrekening. Uit de door eiseres overgelegde kredietregistratie blijkt dat dit krediet is overeengekomen vóór 1 januari 2006. Daarop wordt namelijk vermeld dat het krediet is geregistreerd op 19 mei 2005 en de eerste aflossing op 11 mei 2005 heeft plaatsgevonden. De schuld uit een dergelijk doorlopend krediet ontstaat echter pas als het krediet (bij het aangaan van de overeenkomst of op een later moment) daadwerkelijk wordt opgenomen. Het is daarom mogelijk dat een deel van de schuld na 31 december 2005 is ontstaan, maar stukken daarover ontbreken en de rechtbank kan dit dus niet vaststellen. Dat betekent dat niet aan alle voorwaarden uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht wordt voldaan en dat de minister terecht deze schuld niet heeft vergoed.
BRE 25/1361 WHT
Is terecht geweigerd de schuld aan Riverty te vergoeden?
9. De rechtbank stelt vast dat deze schuld betrekking heeft op een krediet. Uit de door eiseres overgelegde kredietregistratie blijkt dat het krediet op 3 april 2006 is geregistreerd en dat op 6 februari 2006 de eerste aflossing heeft plaatsgevonden. Op enig moment voorafgaand aan 6 februari 2006 zal het krediet overeengekomen zijn. Daarmee is het mogelijk dat de schuld na 31 december 2005 is ontstaan, maar (ondersteunende) stukken daarover ontbreken. Eiseres heeft dus onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze schuld na 31 december 2005 is ontstaan. Dat betekent dat niet aan alle voorwaarden uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht wordt voldaan en dat de minister terecht deze schuld niet heeft vergoed.
BRE 25/1360 WHT en BRE 25/1361 WHT
Heeft de minister voldoende onderzoek verricht?
10. Eiseres heeft gesteld dat, als de overgelegde stukken niet voldoende waren, de minister nader onderzoek had moeten verrichten bij de schuldeisers. De rechtbank volgt dit niet. Hoewel het uitgangspunt is dat het de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan is om bij de voorbereiding van een besluit de relevante feiten te verzamelen, ligt dat anders bij besluiten die op aanvraag worden genomen. [2] Van een aanvrager mag worden verwacht dat die gegevens worden verstrekt die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs kan beschikken. De rechtbank is van oordeel dat de financiële gegevens over het beloop van de schuld daaronder vallen en dat voor deze gegevens de bewijslast dus op de aanvrager rust. De reden daarvoor is dat eiseres als schuldenaar over deze financiële gegevens zal beschikken of die bij de schuldeiser kan opvragen. De minister is daarbij geen partij en zal die gegevens dus niet of minder eenvoudig kunnen opvragen. Het is daarom de verantwoordelijkheid van eiseres als aanvrager om inzicht te geven in de historie van de schuld, zodat de minister kan beoordelen of aan de voorwaarden van de Wht is voldaan. [3]
Bij het overnemen van niet betaalde schulden onder de Wht is in beginsel sprake van een zelfde bewijslastverdeling. Dat de minister in dergelijke gevallen wel navraag doet bij de schuldeisers, mede ingegeven door het feit dat de minister de positie van schuldenaar in die gevallen overneemt, maakt echter niet dat de minister daartoe gehouden is in het geval van een beoordeling over de compensatie voor al afgeloste schulden.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op rechtsoverwegingen 7. en 7.1. is het beroep met zaaknummer BRE 25/1360 WHT gegrond. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de schuld aan Intrum (een oorspronkelijke schuld aan Neckermann) te vernietigen, te bepalen dat de minister deze schuld tot een bedrag van € 782,67 aan eiseres dient te vergoeden en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
11.1.
Omdat het beroep met zaaknummer BRE 25/1360 WHT gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden.
De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de minister te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten, omdat eiseres eerst in beroep de relevante kredietregistratie heeft overgelegd.
12. Het beroep met zaaknummer BRE 25/1361 WHT is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer BRE 25/1360 WHT gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025 voor zover dat betrekking heeft op de schuld aan Intrum (een oorspronkelijke schuld aan Neckermann);
  • bepaalt dat de minister deze schuld tot een bedrag van € 782,67 aan eiseres vergoedt;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • verklaart het beroep met zaaknummer BRE 25/1361 WHT ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 8 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1
1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
(…)
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden;
(…)
Artikel 4.3
1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.
(…)
3. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:
a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of
(…)

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2025, ro. 6.4. (ECLI:NL:RVS:2025:6312).
2.Dit vloeit voort uit artikel 3:2 en Pro artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2025 (ECLI:NL:RBMNE:2025:221).