Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
De minister van Financiën, verweerder.
Samenvatting
Procesverloop
2.3. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.
Totstandkoming van het bestreden besluit
In het overzicht van mijnkredietregistratie.nl staat vermeld dat er op 12 november 2014 sprake was van een betalingsachterstand en op 14 november 2014 van een opeising. Eiseres heeft echter geen bewijsstukken van Infoscore/Otto aangeleverd waaruit blijkt dat (ook) de hoofdsom van het krediet opeisbaar was en dat deze daadwerkelijk is opgeëist. Daardoor is het de minister niet gebleken dat de schuld voldoet aan artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 4.1, vierde lid, van de Wht.
Beroepsgronden
Juridisch kader
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep met zaaknummer BRE 25/1360 WHT gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2025 voor zover dat betrekking heeft op de schuld aan Intrum (een oorspronkelijke schuld aan Neckermann);
- bepaalt dat de minister deze schuld tot een bedrag van € 782,67 aan eiseres vergoedt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- verklaart het beroep met zaaknummer BRE 25/1361 WHT ongegrond.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
(…)