Eiseres heeft op 25 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden een besluit genomen en heeft deze termijn onrechtmatig verlengd. Eiseres stelde verweerder op 11 februari 2026 in gebreke, waarna zij beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een door de rechtbank vastgestelde termijn moet beslissen. De rechtbank verwijst naar een eerdere lijn waarin een nadere beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn wordt gehanteerd, maar stelt in dit geval een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak vast, omdat de langere termijn nog niet was verstreken.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 9 april 2026.