Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2786

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
25/2799
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks recht op uitkering

Eiseres was werkzaam bij een stichting en haar contract werd per 1 september 2023 omgezet van een vast urencontract naar een nulurencontract. Zij diende een aanvraag in voor een WW-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden door eigen verzoek tot contractwijziging.

Na bezwaar en beroep stelde het UWV dat eiseres recht had op een WW-uitkering vanaf 1 september 2023, maar dat deze niet werd uitbetaald vanwege verwijtbare werkloosheid. Eiseres heeft geen beroepsgronden tegen dit gewijzigde besluit ingebracht en is niet verschenen bij de zitting.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten dat eiseres weliswaar recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald vanwege verwijtbare werkloosheid. Ook de aanvraag voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet wordt afgewezen. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt het UWV tot vergoeding van het griffierecht wegens een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in het eerste besluit.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard; zij heeft recht op een WW-uitkering maar deze wordt niet uitbetaald wegens verwijtbare werkloosheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2799

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit op de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) van het UWV. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft beslist dat eiseres recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet tot uitbetaling komt omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Het UWV heeft om die reden ook terecht bepaald dat eiseres geen recht heeft op een toeslag op grond van de TW. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en procesverloop

2. Eiseres is vanaf 1 april 2023 werkzaam bij [stichting] in [plaats 2] . Per 1 september 2023 is haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 36 uur per week omgezet naar een oproepovereenkomst voor 0 tot 36 uur per week (nulurencontract). Eiseres heeft op 18 oktober 2024 een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 (primair besluit) afgewezen.
2.1.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 april 2025 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit I) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3.
Eiseres heeft op 23 april 2025 beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
2.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft het UWV op 28 november 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II). De wijziging houdt in dat eiseres recht heeft op een WW-uitkering per 1 september 2023, omdat vanaf dat moment de arbeidsovereenkomst is omgezet naar een nulurencontract. Het UWV betaalt de uitkering echter niet uit, omdat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiseres mede betrekking op bestreden besluit II.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Eiseres is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van het UWV
3. In bestreden besluit I is het UWV uitgegaan van de door eiseres op de aanvraag ingevulde ingangsdatum van de werkloosheid van 9 augustus 2023. Tot de datum van
1 september 2023 had eiseres een contract voor 36 uur per week en ook recht op loon tot deze datum. Aangezien er per 9 augustus 2023 geen sprake was van het verlies aan arbeidsuren, ontstond er geen werkloosheid.
3.1.
In bestreden besluit II heeft het UWV bepaald dat, omdat per 1 september 2023 wel sprake was van urenverlies, eiseres per die datum recht heeft op een WW-uitkering. Dit recht wordt echter niet uitbetaald, omdat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden. Uit contact met zowel eiseres als met haar (ex-) werkgever is gebleken dat eiseres op eigen verzoek per 1 september 2023 het contract voor bepaalde tijd heeft laten omzetten van
36 uur per week naar een nulurencontract. Het UVW stelt zich op het standpunt dat eiseres hierdoor verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van de WW. Omdat eiseres geen
WW-uitkering krijgt, heeft zij ook geen recht op een toeslag op grond van de TW.
Het standpunt van eiseres
4. Volgens eiseres is zij werkloos geraakt door het wegvallen van werkuren nadat haar vaste urencontract is omgezet naar een nulurencontract. Vanaf dat moment bood haar werkgever nauwelijks nog werk aan, waarna de arbeidsovereenkomst op 23 augustus 2024 definitief is beëindigd. Deze situatie voldoet volgens eiseres aan de definitie van werkloosheid zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid van de WW, waarmee zij voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een WW-uitkering. Eiseres heeft geen beroepsgronden ingediend ten aanzien van het bestreden besluit II.
4.1.
Daarnaast stelt eiseres dat de beslissing op bezwaar ruim buiten de wettelijke beslistermijn van artikel 4:13 van Pro de Awb van acht weken is genomen. Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 4:14, eerste lid van de Awb, waarin staat dat een bestuursorgaan tijdig dient te beslissen. Dit heeft geleid tot onnodige onzekerheid voor eiseres.
Wettelijk kader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
6. Het UWV heeft ter zitting toegelicht dat het bestreden besluit II in samenhang moet worden bezien met bestreden besluit I. Het betreft een aanvulling, wat betekent dat het UWV de aanvraag van eiseres heeft beoordeeld op zowel de datum van 9 augustus 2023 als de datum van 1 september 2023.
Bestreden besluit I (beoordelingsdatum 9 augustus 2023)
7. Eiseres voert aan dat zij werkloos in de zin van de WW is geraakt door het wegvallen van werkuren vanwege het omzetten van het vaste urencontract naar een nul-urencontract.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV in bestreden besluit I terecht heeft besloten dat eiseres op 9 augustus 2023 niet werkloos was en er daarom geen recht op een WW-uitkering bestond. Op dat moment had eiseres immers nog een contract van 36 uur. Uit de aanvraag bleek ook dat pas per 1 september 2023 sprake was van urenverlies.
Het UWV had daarom in het bestreden besluit I (ook) de beoordelingsdatum van
1 september 2023 moeten betrekken. Dat heeft het UWV niet gedaan. Hierdoor kleeft aan bestreden besluit I een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
Omdat bij bestreden besluit II de datum van 1 september 2023 alsnog door het UWV is beoordeeld, is eiseres door dit gebrek niet benadeeld. Het gebrek zal dan ook met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd.
7.2.
Gelet op bestreden besluit II is niet langer in geschil of vanaf 1 september 2023 sprake is van werkloosheid in de zin van de WW en of eiseres recht heeft op een WW-uitkering. De gronden die betrekking hebben op bestreden besluit I behoeven daardoor geen verdere bespreking meer.
Bestreden besluit II (beoordelingsdatum 1 september 2023)
8. De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen bestreden besluit II geen beroepsgronden heeft ingebracht. Ook is zij niet ter zitting verschenen. Omdat geen gronden zijn aangevoerd, is het beroep voor zover het is gericht tegen bestreden besluit II van rechtswege ongegrond. [1]
Heeft eiseres recht op toeslag van het UWV?
9. Eiseres heeft eveneens een aanvraag ingediend voor een toeslag van het UWV op grond van de TW.
9.1.
Als een werknemer een WW-uitkering krijgt van UWV, kan deze een toeslag op de uitkering aanvragen. Dit kan alleen als het inkomen lager is dan het sociaal minimum. Daarnaast moet de aanvrager een uitkering van het UWV ontvangen.
9.2.
Omdat is vastgesteld dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald, heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op een toeslag op grond van de TW.
Is er sprake van overschrijding van de wettelijke beslistermijn?
10. Eiseres stelt dat het UWV de wettelijke beslistermijn heeft overschreden en dat dit heeft geleid tot onnodige onzekerheid aan haar kant.
10.1.
De rechtbank overweegt dat in de ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift van 19 november 2024 de beslistermijn van 6 maart 2025 staat vermeld. Volgens eiseres heeft het UWV in een brief van latere datum aangekondigd dat uiterlijk op 17 april 2025 een besluit genomen zou worden. Het UWV heeft de beslissing zes dagen na de beslistermijn van 17 april 2025 genomen.
10.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Een bestuursorgaan is in gebreke zodra het een beschikking niet tijdig geeft. De beslistermijn is in dit geval overschreden en eiseres had het UWV schriftelijk in gebreke kunnen stellen. [2] Dit heeft zij niet gedaan en hierdoor kunnen er door de rechtbank geen gevolgen worden verbonden aan de (geringe) termijnoverschrijding.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald. Ook heeft het UWV terecht de TW-uitkering geweigerd.
11.1.
De rechtbank ziet in het onder 7.1. geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek wel aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht. Het UWV moet deze vergoeding betalen en heeft in het bestreden besluit II toegezegd het griffierecht aan eiseres te zullen vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 20 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 4:17, eerste lid van de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven.
Artikel 4:17, derde lid van de Awb bepaalt dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
In artikel 6:22 van Pro de Awb is vastgelegd dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Werkloosheidswet (WW)
In artikel 16, eerste lid onder a van de WW is vastgelegd:
1.Werkloos wordt de werknemer die:
a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2015,
2.Artikel 4:17 van Pro de Awb