Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
- het bericht van de Raad van 25 februari 2026.
- de moeder met haar advocaat;
- de vader;
2.De feiten
3.Het verzoek
4.Het standpunt van de Raad
5.Het standpunt van belanghebbende
6.Het standpunt van informanten
7.De beoordeling
- [minderjarige 1] kan op een veilige manier haar emoties uiten/reguleren (geen automutilatie, geen suïcidale gedachten en geen verdovende middelen).
- [minderjarige 2] kan haar gedachten en gevoelens adequaat uiten (niet door zelfbepalend en opstandig gedrag).
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen openlijk loyaal zijn aan voor hen belangrijke personen zodat zij toekomen aan het ontwikkelen van een eigen identiteit.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een (emotioneel) veilige en stabiele thuissituatie. Dit wil zeggen er wordt in huis niet geschreeuwd, gescholden, gedreigd of elkaar fysiek pijn gedaan en er worden passende regels, grenzen en verwachtingen gesteld. Daarbij worden zij gestimuleerd in hun ontwikkeling en worden hierin ‘gezien en gehoord’ door hun opvoeders.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met volwassenzaken.
- De moeder heeft haar emoties onder controle en heeft inzicht in haar eigen handelen ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgen passend onderwijs of dagbesteding volgens rooster.
- Het is duidelijk welke mogelijkheden er zijn om de vader een ondersteunende rol te laten spelen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
8.De beslissing
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.