Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2750

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/2081 en 25/2082
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op integrale proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding na naheffingsaanslagen omzetbelasting

Belanghebbende, een ondernemer met een eenmanszaak, maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2017 en 2018. De inspecteur heeft deze aanslagen en de daarbij behorende belastingrente vernietigd na gegrondverklaring van het bezwaar. Belanghebbende vordert vervolgens een integrale proceskostenvergoeding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de uitspraken op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd en dat er geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook is vastgesteld dat alle relevante stukken zijn overgelegd. De overschrijding van de redelijke termijn wordt erkend, maar het financieel belang bij de procedure is beperkt tot de nevenbeslissing over de proceskostenvergoeding.

Gezien het ontbreken van een substantieel financieel belang en het feit dat de naheffingsaanslagen zijn vernietigd, wijst de rechtbank de verzoeken van belanghebbende af en verklaart de beroepen ongegrond.

Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard en verzoeken om proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/2081 en 25/2082
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.B.M.A. Engelen),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 7 maart 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking belanghebbende € 685 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking belanghebbende € 6.926 belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen vernietigd.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur: [inspecteur 1], [inspecteur 2] en mr. [inspecteur 3].

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de proceskosten en of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op integrale proceskostenvergoeding en immateriëleschadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak.
4.1.
Met dagtekening 21 november 2018 is een controlerapport opgemaakt betreffende een controle bij belanghebbende over de jaren 2014 tot en met 2016. Naar aanleiding van deze controle zijn aan belanghebbende geen naheffingsaanslagen opgelegd.
4.2.
Namens belanghebbende is op 29 december 2021 een suppletie omzetbelasting over het jaar 2019 ingediend. Naar aanleiding van deze suppletie heeft de inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd met dagtekening 26 maart 2022. Belanghebbende is tegen deze naheffingsaanslag in bezwaar gegaan. De inspecteur heeft het bezwaar gegrond verklaard omdat de naheffing over het verkeerde tijdvak is opgelegd.
4.3.
De inspecteur heeft met dagtekening 27 augustus 2022 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2017 en een naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2018 opgelegd aan belanghebbende.
4.4.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de twee naheffingsaanslagen. De inspecteur heeft de bezwaren gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen verminderd tot nihil.

Motivering

Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de uitspraken op bezwaar onvoldoende deugdelijk en begrijpelijk heeft gemotiveerd. Hierdoor heeft, aldus belanghebbende, geen integrale heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden.
5.1.
Een uitspraak op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering. [1] De inspecteur heeft bij brief van 25 februari 2025 een toelichting gegeven op de uitspraken op bezwaar. Uit deze brief volgt duidelijk hoe de inspecteur tot zijn beslissing is gekomen. De inspecteur is deels aan de bezwaren tegemoet gekomen. De naheffingsaanslagen zijn verminderd tot nihil. Het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar is afgewezen. Ook deze beslissing is voldoende gemotiveerd door de inspecteur. De omstandigheid dat de inspecteur de standpunten van belanghebbende niet volledig volgt, betekent niet dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld.
5.2.
Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur bij de naheffingsaanslagen tegen beter weten in, dan wel verregaand onzorgvuldig gehandeld heeft, is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen opgelegd naar aanleiding van een suppletie over het jaar 2019 die de adviseur van belanghebbende zelf heeft ingediend. Dat belanghebbende het nadien niet eens was met de suppletieaangifte ingediend door zijn eigen adviseur, welke argumenten de inspecteur steekhoudend vond en dus de naheffingsaanslagen heeft vernietigd, maakt niet dat de inspecteur tegen beter weten in heeft gehandeld door het opleggen van de naheffingsaanslag conform de suppletie. De inspecteur heeft de algemene beginselen van behoorlijk bestuur naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden.
Zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
6. Belanghebbende stelt dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. De rechtbank merkt op dat belanghebbende niet specificeert welke stukken er zouden ontbreken en de rechtbank ook zelfstandig niet inziet welke stukken zouden ontbreken die mogelijk relevant zijn voor de beslechting van de resterende geschilpunten. Het enige concreet genoemde punt in dit kader ziet de rechtbank in de e-mail van 14 februari 2025 van de gemachtigde van belanghebbende waarin wordt gesteld dat het rapport boekenonderzoek van 21 november 2018 bij aanvang van de bezwaarprocedure verstrekt had moeten worden.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de op de zaak betrekking hebbende stukken verstrekt. Voorgaande discussie over het stuk van 21 november 2018 kan hooguit gaan over de vraag of het stuk eerder verstrekt had moeten worden. Dat is in de kern geen discussie is of het stuk wel of niet verstrekt is, maar vat de rechtbank op als een beroep op de schending van enig algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
6.2.
In dat kader voert de inspecteur aan dat de behandelend inspecteur het controlerapport over voorgaande jaren niet eerder bekeken had en dus niet eerder had verstrekt, omdat er geen enkele aanleiding bestond om de dossiers over oudere jaren te raadplegen, nu de naheffingsaanslag op basis van een suppletieaangifte is opgelegd. Die gang van zaken komt de rechtbank logisch voor en voor het oordeel dat enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden zou zijn, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding.
Heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding?
7. Belanghebbende verzoekt om een integrale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat de inspecteur onrechtmatig zou hebben gehandeld. De rechtbank ziet daar onvoldoende aanleiding voor en wijst daarom het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding af.
Heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?
8. Belanghebbende verzoekt om een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8.1.
De inspecteur heeft de bezwaarschriften ontvangen op 8 september 2022. De uitspraken op bezwaar zijn van 7 maart 2025. De redelijke termijn bedraagt twee jaar en eindigt dus op 8 september 2024. De rechtbank doet uitspraak op 9 april 2026.
8.2.
Dit betreft een procedure bij de rechtbank die enkel gaat over de nevenbeslissing of de juiste proceskostenvergoeding is toegekend in de bezwaarfase. De belasting- en belastingrentebeschikking zijn verminderd naar nihil door de inspecteur op 7 maart 2025 bij uitspraak op bezwaar. Het belang bij deze rechtelijke procedure is dus enkel beperkt tot de nevenbeslissing over de proceskosten. Immers, de vernietigde naheffingsaanslag en rentebeschikking maken geen onderdeel uit van deze procedure.
8.3.
Het financieel belang bij het voortzetten van de procedure in beroep is naar het oordeel van de rechtbank afwezig in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024. [2] Bij de vaststelling van het financieel belang wordt namelijk geen rekening gehouden met het belang dat gesteld gemoeid is met nevenbeslissingen van bestuursorganen met betrekking tot zo’n procedure. De rechtszaak bij de rechtbank gaat zoals hiervoor opgemerkt uitsluitend over een nevenbeslissing. De redelijke termijn is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank is een vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden voldoende.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.