Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2748

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/1739
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 Wet IB 2001Art. 6.17 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond: geen aftrek specifieke zorgkosten in inkomstenbelasting 2022

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarin de inspecteur de aftrek voor specifieke zorgkosten van € 5.627 niet heeft erkend. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 behandeld, waarbij belanghebbende niet aanwezig was.

De inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank oordeelt dat de aanslag naar de juiste hoogte is vastgesteld. De inspecteur heeft niet onzorgvuldig gehandeld, ondanks het niet reageren op een uitstelverzoek van belanghebbende. De rechtbank vindt dat dit niet leidt tot een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, mede omdat belanghebbende voldoende tijd heeft gehad om te reageren.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zorgkosten daadwerkelijk op haar drukken en niet door de zorgverzekeraar zijn vergoed. De inspecteur heeft de aftrekpost terecht geweigerd. Ook is er geen aanleiding om af te wijken van de belastingrentebeschikking. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2022 wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs voor aftrek specifieke zorgkosten en geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1739

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 20 februari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.799.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 205 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] . Belanghebbende was niet aanwezig.
1.5.
Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 3 november 2025 naar het [adres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Aangezien uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 4 november aan belanghebbende op dit adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022 naar de juiste hoogte is opgelegd. Daarbij is in geschil of belanghebbende recht heeft op de persoonsgebonden aftrekpost van uitgaven voor specifieke zorgkosten ter hoogte van € 5.627. Verder is in geschil of de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag IB/PVV 2022 naar de juiste hoogte opgelegd. De inspecteur heeft niet onzorgvuldig gehandeld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Hierin heeft zij een aftrek voor specifieke zorgkosten van € 5.627 aangegeven.
4.1.
De inspecteur heeft met dagtekening 9 mei 2023 een voorlopige aanslag opgelegd die gebaseerd is op de aangifte van belanghebbende.
4.2.
Bij brief met dagtekening 30 mei 2024 heeft de inspecteur om informatie over de persoonsgebonden aftrekposten verzocht.
4.3.
Belanghebbende heeft een brief verzonden die door de inspecteur op 19 juni 2024 is ontvangen waarin verzocht wordt om uitstel voor de beantwoording van het informatieverzoek. Daarbij heeft belanghebbende een brief van de huisarts en een factuur overgelegd.
4.4.
De inspecteur heeft niet gereageerd op het uitstelverzoek van belanghebbende.
4.5.
Bij brief met dagtekening 12 augustus 2024 heeft de inspecteur laten weten voornemens te zijn om af te wijken van de ingediende aangifte IB/PVV 2022. Hierin is aangegeven dat de aftrek specifieke zorgkosten naar nihil wordt gecorrigeerd.
4.6.
De inspecteur heeft de definitieve aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld met dagtekening 18 oktober 2024. De inspecteur heeft hierbij geen specifieke zorgkosten in aftrek genomen.

Motivering

Is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet zorgvuldig met de situatie is omgegaan. De inspecteur heeft, aldus belanghebbende, op een vervelende manier aangedrongen terwijl de inspecteur op de hoogte was van de operatie die belanghebbende heeft ondergaan. De inspecteur moet zich, aldus belanghebbende, ook houden aan de gestelde termijnen.
5.1.
De rechtbank heeft geconstateerd dat de inspecteur niet heeft gereageerd op het uitstelverzoek van belanghebbende. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur hier expliciet op moeten reageren maar leidt het enkele niet reageren op dit uitstelverzoek gelet op de specifieke feiten en omstandigheden van dit geval, niet tot een schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Daarbij weegt ook mee dat na het uitstelverzoek medio juni 2024, de inspecteur medio augustus 2024 eerst per brief zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt en toen ook de gelegenheid is geweest om daarop te reageren. Belanghebbende heeft feitelijk vanaf medio juni 2024 gehad tot begin oktober 2024 gehad om te reageren.
5.2.
Ook wat betreft de termijnen, is geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht om verlenging van de beslistermijn zodat belanghebbende langer de tijd had om informatie aan te leveren. Belanghebbende is niet akkoord gegaan waardoor de inspecteur binnen die termijn uitspraak op bezwaar heeft gedaan en niet langer heeft afgewacht tot belanghebbende informatie aanleverde. Dat komt de rechtbank logisch voor en daarin ziet de rechtbank geen schending van enig beginsel.
Heeft belanghebbende recht op persoonsgebonden aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten?
6. Om recht te hebben op persoonsgebonden aftrek, waaronder de aftrek voor specifieke zorgkosten, moet aan cumulatieve voorwaarden voldaan worden. [1] Belanghebbende moet aannemelijk maken dat de kosten in dat jaar zijn gemaakt, ze drukken op belanghebbende en voldoen aan de in de wet opgenomen voorwaarden voor aftrek. Nu de inspecteur de gesteld gemaakte kosten gemotiveerd betwist heeft, rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken de gestelde kosten te hebben gemaakt.
6.1.
Belanghebbende stelt dat belanghebbende en haar kinderen last hebben van diverse klachten. Zo heeft belanghebbende onder meer het prikkelbare darmsyndroom en chronische rugklachten. Belanghebbende heeft stukken overgelegd maar naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze stukken niet dat de zorgkosten op belanghebbende drukken en dat de zorgkosten niet vergoed zijn door de zorgverzekeraar. Belanghebbende heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de zorgkosten voor aftrek in aanmerking komen. De inspecteur heeft deze aftrekposten terecht geweigerd.
Belastingrente
7. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) en artikel 6.17 van de Wet IB.