Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2747

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
26/294 en 26/694
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 7.4 Waterschapsverordening waterschap ScheldestromenArtikel 4.6 Waterschapsverordening waterschap ScheldestromenArtikel 8.1, eerste lid Waterschapsverordening waterschap ScheldestromenArtikel 1.11, eerste lid Waterschapsverordening waterschap ScheldestromenArtikel 1.11, tweede, derde en vierde lid Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning watergerelateerde werkzaamheden

Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen twee omgevingsvergunningen voor watergerelateerde activiteiten, verleend aan Mortiere Grondexploitatie C.V. en Stichting Amarijn. Verzoeker betwist de vergunningen en vordert schorsing.

De voorzieningenrechter constateert dat de werkzaamheden waarvoor de vergunning aan Amarijn is verleend reeds zijn uitgevoerd, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt. Voor de vergunning aan Mortiere is het spoedeisend belang wel aanwezig, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de vergunning naar verwachting in stand blijft.

De vergunningen zijn getoetst aan de beoordelingsregels uit de Waterschapsverordening Scheldestromen en de Nota vergunningenbeleid waterbeheer 2012. Verzoeker stelt dat de werkzaamheden schade aan zijn woning veroorzaken door wisselende grondwaterstanden, maar dit is onvoldoende onderbouwd met actueel onderzoek.

De voorzieningenrechter volgt het dagelijks bestuur en belanghebbenden die stellen dat de maatregelen juist bescherming bieden en dat aan de voorwaarden voor vergunningverlening is voldaan. De bezwaren van verzoeker bieden geen redelijke kans van slagen op herroeping van de vergunningen.

Daarom worden de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen, zonder toekenning van proceskosten of griffierechtteruggave. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en staat geen hoger beroep of verzet toe.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het spoedeisend belang ontbreekt en de vergunning naar verwachting in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/294 en 26/694

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaken tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Boogaard),
en

Het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen

(gemachtigde: mr. drs. S. Holvast ).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: Mortiere Grondexploitatie C.V. uit Rosmalen, Stichting Amarijn uit Middelburg en Gemeente Middelburg uit Middelburg (de belanghebbenden).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over twee omgevingsvergunningen voor een watergerelateerde activiteit die aan respectievelijk Mortiere Grondexploitatie C.V. (Mortiere) (26/294) en Stichting Amarijn (Amarijn) (26/694) zijn verleend. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Doordat de aan Amarijn vergunde werkzaamheden al zijn uitgevoerd, ontbreekt in deze procedure het spoedeisend belang. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter zal de aan Mortiere verleende vergunning naar verwachting in stand blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 19 december 2025 en 5 januari 2026 worden omgevingsvergunningen voor een watergerelateerde activiteit verleend aan respectievelijk Mortiere en Amarijn Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het dagelijks bestuur heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. De belanghebbenden hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De voorzieningenrechter hecht eraan op voorhand te vermelden dat hij uitsluitend bevoegd is te kijken naar de bestuursrechtelijke aspecten die met de vergunning samenhangen. Hij is zich er van bewust dat er een privaatrechtelijk geschil meespeelt, maar is niet bevoegd daarover te oordelen. Dat betekent dat hij de vergunningen alleen mag schorsen als deze naar verwachting op grond van bestuursrechtelijke overwegingen niet in stand kunnen blijven. Hij kan de vergunningen niet schorsen omdat uitvoering van de vergunningen zou kunnen leiden tot een onrechtmatige daad tegen de verzoeker.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verzoeker deelgenomen. Voor verweerder verschijnen S. Holvast , [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] als gemachtigden. Voor Amarijn verschijnt [vertegenwoordiger 1] . Voor Mortiere verschijnen [vertegenwoordiger 2] , [vertegenwoordiger 3] en [vertegenwoordiger 4] . Voor de gemeente verschijnen [gemachtigde 5] en [gemachtigde 6] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van het besluit
3. Het woonkavel van verzoeker is gesitueerd in de nieuwe woonwijk [woonwijk] in [woonplaats] . Zijn woning was gelegen op de hoogste kavel in het gebied. De gemeente en Mortiere hebben om hem heen allerlei infrastructurele maatregelen uitgevoerd, zoals het dempen en graven van sloten en het ophogen van omliggende percelen. Het perceel van verzoeker is daardoor het laagst liggende perceel geworden.
3.1.
Door het sterk wisselende waterpeil is de woning van verzoeker beschadigd.
3.2.
Op 27 februari 2025 vraagt Amarijn een omgevingsvergunning aan voor het aanleggen van drie nieuwe uitstroombakken in het sloottalud evenwijdig aan de [adres] in [woonplaats] .
3.3.
Op 19 september 2025 vraagt Mortiere een omgevingsvergunning aan voor het aanleggen van een drainage onder de watergang en het plaatsen van duikers, afvoerleidingen, uitstroombakken en krooshekken aan de [straatnaam 1] , [straatnaam 2] , [straatnaam 3] en [straatnaam 4] in [woonplaats] .
3.4.
Op 19 december 2025 wordt de vergunning voor het aanleggen van een drainage onder de watergang en het plaatsen van duikers, afvoerleidingen, uitstroombakken en krooshekken aan de [straatnaam 1] , [straatnaam 2] , [straatnaam 3] en [straatnaam 4] in [woonplaats] verleend aan Mortiere.
3.5.
Op 5 januari 2026 wordt de vergunning voor de drie uitstroombakken verleend aan Amarijn.
3.6.
Op 25 februari 2026 wijst de civiele voorzieningenrechter een vordering tot het verbieden van het uitvoeren van de werkzaamheden af. [1]
Spoedeisend belang
4. Ter zitting is gebleken dat de maatregelen waarvoor de vergunning aan Amarijn is verleend (zaak 26/694) inmiddels zijn uitgevoerd. Het schorsen van de vergunning kan er daarom niet toe leiden dat de werkzaamheden niet meer worden uitgevoerd. Er is in deze zaak dus geen spoedeisend belang meer. De voorzieningenrechter zal niet inhoudelijk ingaan op de beroepsgronden in deze procedure.
4.1.
Mortiere heeft aangegeven dat de aan haar vergunde werkzaamheden de komende twee tot zes weken uitgevoerd zullen worden. Het spoedeisend belang van verzoeker staat in deze zaak (26/294) niet ter discussie.
Toetsingskader
5. De vergunning is verleend voor het bouwen of plaatsen van bouwwerken of objecten in de Beschermingszone leggerwateren en van Waterstaatswerk legger watersystemen. [2] De vergunning is tevens verleend voor het op een ander peil brengen van een leggerwater dan normaal wordt aangehouden [3] en het leggen van kabels of leidingen op, in of boven waterstaatswerken inclusief de bijbehorende beschermingszones. [4]
5.1.
Voor de vergunning gelden de volgende beoordelingsregels.
Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van de Verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. [5]
Daarbij gelden aanvullende voorwaarden. [6] Voor zover van belang worden die bij de inhoudelijke beoordeling benoemd.
5.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoudelijke toetsing 26/294
Moest het dagelijks bestuur de vergunningen weigeren wegens mogelijke schade aan verzoekers woonkavel en opstallen?
6. Verzoeker stelt dat doordat de duiker lager komt te liggen, de grondwaterspiegel in natte periodes stijgt en in droge periodes zakt. Door de wisselende grondwaterspiegel verwacht verzoeker nog meer schade aan zijn woning en opstallen. Dit wordt versterkt door de extra vergunde uitstroomvoorzieningen, onttrekkingspunten en duikers. Hij onderbouwt dit met een rapport van [advies- en ingenieursbureau] van 26 november 2021. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [7] baseert zich op onjuiste feiten en moet daarom niet gevolgd worden.
6.1.
Volgens het dagelijks bestuur heeft het de aanvraag aan de beoordelingsregels uit de Verordening en de Nota vergunningenbeleid waterbeheer 2012 getoetst en wordt daaraan voldaan, zodat de vergunning verleend moest worden.
6.2.
Mortiere en de gemeente Middelburg stellen dat de maatregelen juist het perceel van verzoeker moeten beschermen en dat daarmee voldaan wordt aan de voorwaardelijke verplichting daartoe uit het bestemmingsplan.
6.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het dagelijks bestuur terecht de vergunning zoals die is ingediend heeft getoetst aan de beoordelingsregels als opgenomen in artikel 1.11 van de Verordening. Verzoeker relateert zijn bezwaren niet direct aan het beoordelingskader, maar stelt indirect last te krijgen van wateroverlast door een wisselend grondwaterpeil.
6.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt mocht stellen dat aan alle voorwaarden voor vergunningverlening is voldaan. Daarbij overweegt hij dat de Afdeling al heeft geoordeeld dat het college van de gemeente Middelburg zich mocht verlaten op de adviezen van [adviesorganisatie] en de Stab. Het rapport van [advies- en ingenieursbureau] , waar verzoeker naar verwijst, ziet volgens de Afdeling niet op de meest actuele onderzoeken en maatregelen. Ook de voorzieningenrechter constateert dat. Mortiere heeft op grond van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting om hydrologische maatregelen uit te voeren die het perceel van verzoeker beschermen en heeft onderbouwd waarom de vergunde maatregelen nodig zijn. Verzoeker heeft met de verwijzing naar het rapport van [advies- en ingenieursbureau] niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen desondanks schade aan zijn opstallen zullen veroorzaken als gevolg van wisselende grondwaterstanden. Dat komt omdat dit rapport niet gaat over de actueel vergunde maatregelen. Het dagelijks bestuur had daarom geen aanleiding om de vergunning te weigeren. De vergunning is daarmee terecht verleend.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter ziet in de bezwaren van verzoeker geen gronden die naar verwachting zullen leiden tot het herroepen van de vergunningen. Deze kunnen naar verwachting, zo nodig met aanvulling van de motivering, in stand blijven. Ook de belangenafweging leidt er niet toe dat de vergunningen geschorst moeten worden tot na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter zal de verzoeken daarom afwijzen.
7.1.
Omdat de verzoeken worden afgewezen is er ook geen aanleiding voor teruggave van het griffierecht of een veroordeling in de vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, , griffier op 9 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen

Artikel 1.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning wateractiviteiten
1. Een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit op grond van deze verordening wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;
het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en
de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.
2. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat, rekening houdend met de waterbeheerprogramma's, regionale waterprogramma's, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende KRW- oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18a, eerste lid, van dat besluit;
de doelstelling van een goed ecologisch potentieel, bedoeld in artikel 2.12a, eerste lid, van dat besluit niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18a, tweede lid, van dat besluit; en
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17a, tweede lid, aanhef en onder d, van dat besluit niet wordt bereikt.
3. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van KRW- oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
4. In afwijking van het derde lid kan een omgevingsvergunning ook worden verleend als:
a. de aanvraag betrekking heeft op:
1. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een KRW-oppervlaktewaterlichaam;
2. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of
3. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een KRW- oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten van menselijke ontwikkeling.
aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en
de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

Nota vergunningenbeleid waterbeheer Scheldestromen 2012

3.5
Beplanting en bebouwing langs leggerwateren in bebouwd gebied
Voor leggerwateren in bebouwd gebied gelden andere voorschriften voor belemmeringen zo als beplantingen en bebouwingen op de onderhoudsstrook.
In bepaalde situaties is onderhoud vanaf één zijde mogelijk. Dit doet zich voor wanneer aan een zijde een openbare ruimte is gelegen zonder belemmeringen of wanneer aan die zijde een particulier perceel is gelegen waarop een erfdienstbaarheid is gevestigd. Aan deze zijde dient dan minimaal een strook van 5 meter vanaf de insteek obstakelvrij te zijn. Voor de andere zijde van het leggerwater kan vergunning worden verleend voor het plaatsen van beplanting/bebouwing conform het beleid. Indien door de betreffende perceeleigenaar een duurzame beschoeiing zoals Filamat wordt aangebracht wordt vergunning verleend tot aan de betuining. Het plaatsen en onderhoud van de beschoeiing is voor rekening van de aanvrager.
Net als in landelijk gebied geldt ook in bebouwd gebied dat bij dichte leggerwateren met een buisleiding een vergunning verleend kan worden voor het plaatsen van beplanting tot op een afstand aan weerszijden van 3 meter en voor het plaatsen van bebouwing tot op 4 meter uit het hart van de buisleiding.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1235.
2.Artikel 7.4 van de Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen (de Verordening).
3.Artikel 4.6 van de Verordening.
4.Artikel 8.1, eerste lid van de Verordening.
5.Artikel 1.11, eerste lid van de Verordening.
6.Artikel 1.11, tweede, derde en vierde lid van de Verordening.
7.ABRvS, 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3667.