Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2746

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/1937 en 25/1938
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:36c AwbArt. 26c AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering aanslag inkomstenbelasting 2019 wegens aftrekbare zorgkosten en bevestiging verzuimboetes

Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2019 en 2020, inclusief opgelegde verzuimboetes en belastingrente. De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van de beroepen en de juistheid van de aanslagen en boetes.

De rechtbank oordeelde dat de beroepen ontvankelijk zijn omdat de uitspraken op bezwaar niet naar het door belanghebbende opgegeven toezendadres waren verzonden, waardoor belanghebbende niet tijdig bekend was met de uitspraken. Voor het jaar 2019 stelde de rechtbank vast dat de aanslag te hoog was vastgesteld omdat specifieke zorgkosten van €151 niet waren meegenomen. De aanslag werd dienovereenkomstig verminderd. De verzuimboetes voor 2019 en 2020 werden echter terecht opgelegd omdat de vereiste aangiften niet tijdig waren ingediend.

De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking had op de aanslag 2019 en de belastingrentebeschikking, handhaafde de verzuimboetes en verklaarde het beroep voor 2020 ongegrond. De inspecteur werd verplicht het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Uitkomst: Aanslag IB/PVV 2019 verminderd wegens aftrekbare zorgkosten, verzuimboetes voor 2019 en 2020 gehandhaafd, beroep 2020 ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/1937 en 25/1938
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 17 mei 2023 en 25 mei 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.492. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur bij beschikking belanghebbende € 125 belastingrente in rekening gebracht en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.903. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] .
1.5.
Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niemand verschenen. De griffier heeft op 3 november 2025 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 3 november 2025 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de belastingrente- en boetebeschikking(en) terecht en naar de juiste hoogte zijn opgelegd. De rechtbank beoordeelt als eerst of de beroepen ontvankelijk zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de belastingrente- en boetebeschikking(en) terecht opgelegd. De aanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking zijn echter te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 30 augustus 2021 verzocht aan de Belastingdienst om alle correspondentie voortaan naar het [adres] (het toezendadres) te versturen.
4.1.
Per 10 september 2021 is het door belanghebbende aangegeven toezendadres als verplicht toezendadres in het systeem Beheer van Relaties van de Belastingdienst opgenomen.
4.2.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand voor het doen van aangifte IB/PVV 2019. Alle drie de brieven zijn verzonden naar het woonadres van belanghebbende.
4.3.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand voor het doen van aangifte IB/PVV 2020. De uitnodiging en de herinnering zijn naar de woonadres van belanghebbende verzonden. De aanmaning is naar het toezendadres verzonden.
4.4.
Belanghebbende heeft onder andere op 28 april 2020 en 19 augustus 2021 stukken afgegeven op het belastingkantoor te Rotterdam.
4.5.
Belanghebbende heeft op 13 december 2021 een aangiftebiljet IB/PVV 2019 en een aangifte IB/PVV 2020 ingediend.
4.6.
De uitspraken op bezwaar zijn naar het woonadres van belanghebbende verzonden.

Motivering

Zijn de beroepen van belanghebbende ontvankelijk?
5. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [2] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. [3] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4]
5.1.
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [5]
5.2.
Vast staat dat de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2019 17 mei 2023 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 28 juni 2023. Het beroep is bij de rechtbank ontvangen op 8 april 2025. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
5.3.
Vast staat dat de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2020 25 mei 2023 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 6 juli 2023. Het beroep is bij de rechtbank ontvangen op 8 april 2025. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
5.4.
Belanghebbende stelt de uitspraken op bezwaar niet te hebben ontvangen omdat deze naar het woonadres zijn verstuurd terwijl belanghebbende heeft verzocht om deze naar het toezendadres te versturen. De inspecteur voert aan dat de uitspraken op bezwaar inderdaad niet naar het verplichte toezendadres zijn verzonden en acht de termijnoverschrijding verschoonbaar.
5.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet op 17 mei 2023 en 25 mei 2023 bekend geworden met de uitspraken op bezwaar omdat de inspecteur deze naar het verkeerde adres heeft verzonden. Belanghebbende heeft meermaals herinneringen over de bezwaarschriften verzonden naar de inspecteur. De inspecteur heeft dit aangemerkt als een tweede bezwaarschrift en doorgestuurd naar de rechtbank als beroepschrift. Belanghebbende is pas in beroep bekend geworden met de uitspraken op bezwaar. De rechtbank verklaart de beroepen daarom ontvankelijk.
Aanslag IB/PVV 2019
6. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat de aanslag IB/PVV 2019 te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de tandartskosten wel aftrekbaar zijn. De kosten die voor aftrek in aanmerking komen zijn € 1.139. Het drempelbedrag bedraagt € 988. Hierdoor is € 151 aftrekbaar als specifieke zorgkosten.
6.1.
De rechtbank ziet geen reden om hiervan af te wijken. De aanslag IB/PVV 2019 dient daarom verminderd te worden met de € 151 aan specifieke zorgkosten. Het beroep met zaaknummer 25/1937 is in zoverre gegrond.
Zijn de boetebeschikkingen terecht en naar de juiste hoogten opgelegd?
7. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan binnen een in de aanmaning gestelde termijn. [6]
7.1.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand voor het doen van de aangifte IB/PVV 2019. De rechtbank stelt vast dat de brieven naar het juiste adres zijn verzonden. In de aanmaning heeft de inspecteur belanghebbende een termijn gegeven tot 12 januari 2021 om de aangifte IB/PVV 2019 in te dienen.
7.2.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand voor het doen van de aangifte IB/PVV 2020. De rechtbank stelt vast dat de uitnodiging en de aanmaning naar het juiste adres zijn verzonden. In de aanmaning heeft de inspecteur belanghebbende een termijn gegeven tot 5 november 2021 om de aangifte IB/PVV 2020 in te dienen.
7.3.
Belanghebbende stelt voor beide jaren tijdig een aangifte op papier te hebben ingediend bij de Belastingdienst in Rotterdam omdat het digitaal aanleveren niet lukte. De inspecteur heeft op 28 april 2020 een stuk ontvangen wat belanghebbende heeft ingediend als aangifte IB/PVV 2019. De inspecteur heeft op 19 augustus 2021 een stuk ontvangen wat belanghebbende heeft ingediend als aangifte IB/PVV 2020. De inspecteur voert aan dat de stukken die zijn ingediend geen aangiften zijn zoals het model van de Belastingdienst en de aangiften en overigens ook niet zien op de juiste jaren omdat bijvoorbeeld bij de drempel voor de specifieke zorgkosten een bedrag wordt vermeld dat voor het belastingjaar 2016 gold.
7.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende voor beide jaren wel stukken ingediend, maar niet de vereiste aangiften. De stukken die belanghebbende voor de data genoemd in de aanmaningen heeft ingediend, zijn geen aangiften IB/PVV 2019 en IB/PVV 2020. Belanghebbende heeft eerst op 13 december 2021 een aangiftebiljet IB/PVV 2019 ingediend. Deze aangifte is na de in de aanmaning genoemde datum ingediend en is dus niet tijdig ingediend. Omdat belanghebbende niet tijdig de vereiste aangiften voor de jaren 2019 en 2020 heeft ingediend, zijn de verzuimboetes terecht opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de boetes passend en geboden.
Belastingrente
8. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag voor het jaar 2019 zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep met zaaknummer 25/1937 is gegrond omdat de aanslag IB/PVV 2019 te hoog is vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2019 en de daarbij horende belastingrentebeschikking. De verzuimboetebeschikking blijft in stand.
9.1.
Het beroep met zaaknummer 25/1938 is ongegrond. De uitspraak op bezwaar blijft in stand.
9.2.
Omdat het beroep met zaaknummer 25/1937 gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond welke ziet op de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2019 en de daarbij horende belastingrentebeschikking;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar welke betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2019 en de daarbij horende belastingrentebeschikking;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een aanslag berekend naar een verzamelinkomen van € 46.341, met handhaving van de overige elementen van de aanslag;
- verklaart het beroep ongegrond welke ziet op de uitspraak op bezwaar over de aanslag IB/PVV 2020 en de daarbij horende verzuimboetebeschikking;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [7]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
4.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 67a, eerste lid, van de AWR.
7.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.