Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2744

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
BRE 24/6232 en 24/6233
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12a Wet LB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gebruikelijk loon en aanslagen inkomstenbelasting 2019 en 2020

Belanghebbende, bestuurder en 100% aandeelhouder van meerdere besloten vennootschappen, maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2019 en 2020. De inspecteur had gebruikelijk loon in aanmerking genomen voor het jaar 2019 op een belastbaar inkomen van €68.838 en voor 2020 op €74.104, inclusief belastingrente.

De rechtbank heeft tijdens de zitting op 26 februari 2026 de beroepen behandeld. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende arbeid had verricht voor de vennootschap [bv2], waarvoor gebruikelijk loon was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat hij geen arbeid had verricht, terwijl de inspecteur dit baseerde op loonadministratie en aangiften.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen, gelet op de loonbetalingen vanuit [bv2] en andere vennootschappen waarbij belanghebbende als directeur-grootaandeelhouder betrokken was. De enkele stelling dat belanghebbende een katvanger zou zijn, was onvoldoende om het gebruikelijk loon te betwisten. Ook de belastingrente werd gehandhaafd omdat daartegen geen zelfstandige gronden waren aangevoerd.

De beroepen werden daarom ongegrond verklaard, waardoor de aanslagen en de belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/6232 en 24/6233
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. N. Idrissi),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 18 juli 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.838. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 491 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 74.104. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking € 687 belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en zijn gemachtigde. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en mr. drs. [inspecteur 2] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Daarvoor beoordeelt de rechtbank of de inspecteur ten onrechte gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 naar de juiste hoogten opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv1] en [bv2] .
4.1.
De onderneming [bv1] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv3] en [bv4] . [bv2] is bestuurder en 100% aandeelhouder van [bv5] .
4.2.
Uit de renseignementen volgt dat belanghebbende de volgende inkomsten heeft genoten in 2019:
Inhoudingsplichtige
Loon
Loonheffing
[bv6]
€ 31.704
€ 6.493
[bv2]
€ 45.000
€ 16.840
4.3.
Uit de renseignementen volgt dat belanghebbende de volgende inkomsten heeft genoten in 2020:
Inhoudingsplichtige
Loon
Loonheffing
[bv6]
€ 6.462
€ 1.485
[bv2]
€ 45.000
€ 16.800
[bv7]
€ 30.418
€ 6.750
4.4.
[bv2] heeft in haar aangiften loonbelasting een bedrag aan loon opgenomen van € 45.000. Belanghebbende is de enige persoon in de loonadministratie.
4.5.
Belanghebbende heeft het loon van [bv2] niet opgenomen in de aangiften IB/PVV 2019 en 2020.

Motivering

Heeft de inspecteur ten onrechte gebruikelijk loon in aanmerking gebracht?
5. Belanghebbende stelt geen arbeid verricht te hebben voor [bv2] waardoor de gebruikelijk-loonregeling niet van toepassing is. De inspecteur voert aan dat belanghebbende wel arbeid heeft verricht. Dit volgt onder meer uit de loonaangifte van [bv2] , aldus de inspecteur.
5.1.
De gebruikelijk-loonregeling van artikel 12a Wet LB 1964 is van toepassing ten aanzien van de werknemer die arbeid heeft verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft in [bv2] . In geschil is de vraag of belanghebbende arbeid verricht heeft voor [bv2] .
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht gebruikelijk loon in aanmerkingen genomen voor de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020. Aan belanghebbende zijn significante lonen verloond vanuit [bv2] en op basis daarvan acht de rechtbank door de inspecteur aannemelijk gemaakt dat er gewerkt is voor dat loon. Belanghebbende was directeur-grootaandeelhouder van meerdere besloten vennootschappen en werd ook verloond vanuit deze andere vennootschappen. De inspecteur heeft hier rekening mee gehouden door maar één keer gebruikelijk loon in aanmerking te nemen. Tegenover de met stukken onderbouwde stellingen van de inspecteur is enkel de blote stelling dat belanghebbende een katvanger is, onvoldoende om te kunnen oordelen dat er geen gebruikelijk loon in aanmerking moet worden genomen.
Belastingrente
6. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslagen IB/PVV 2019 en IB/PVV 2020 in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.