ECLI:NL:RBZWB:2026:2744
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gebruikelijk loon en aanslagen inkomstenbelasting 2019 en 2020
Belanghebbende, bestuurder en 100% aandeelhouder van meerdere besloten vennootschappen, maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2019 en 2020. De inspecteur had gebruikelijk loon in aanmerking genomen voor het jaar 2019 op een belastbaar inkomen van €68.838 en voor 2020 op €74.104, inclusief belastingrente.
De rechtbank heeft tijdens de zitting op 26 februari 2026 de beroepen behandeld. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende arbeid had verricht voor de vennootschap [bv2], waarvoor gebruikelijk loon was vastgesteld. Belanghebbende stelde dat hij geen arbeid had verricht, terwijl de inspecteur dit baseerde op loonadministratie en aangiften.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht gebruikelijk loon in aanmerking heeft genomen, gelet op de loonbetalingen vanuit [bv2] en andere vennootschappen waarbij belanghebbende als directeur-grootaandeelhouder betrokken was. De enkele stelling dat belanghebbende een katvanger zou zijn, was onvoldoende om het gebruikelijk loon te betwisten. Ook de belastingrente werd gehandhaafd omdat daartegen geen zelfstandige gronden waren aangevoerd.
De beroepen werden daarom ongegrond verklaard, waardoor de aanslagen en de belastingrente in stand blijven. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.