Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2730

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
12066632 VV EXPL 26-8 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 3 sub d BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonstop wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie is terecht

Werknemer is sinds 2021 in dienst en meldde zich ziek in september 2024. Werkgever schortte in april 2025 de loonbetaling op wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie, maar hervatte deze later. Na advies van de bedrijfsarts om stepped mediation in te zetten, werd werknemer driemaal uitgenodigd voor mediationgesprekken, waarop hij niet verscheen zonder geldige reden.

Werkgever zette daarom vanaf oktober 2025 de loonbetaling stop. Werknemer vorderde in kort geding betaling van het loon over vijf maanden, vermeerderd met wettelijke rente en verhoging. De kantonrechter stelde vast dat werknemer recht op loon heeft tijdens ziekte, tenzij hij zonder geldige reden weigert mee te werken aan redelijke re-integratievoorschriften.

De werknemer kon geen deugdelijke grond voor zijn afwezigheid overleggen, ondanks dat zijn gemachtigde geestelijke problemen aanvoerde. De kantonrechter vond dat dit onvoldoende was onderbouwd. De waarschuwingen voor loonstop waren duidelijk en ontvingen werknemer. Ook de communicatie via de bewindvoerder was adequaat. De vordering werd afgewezen en werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De loonstop wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie is terecht en de vordering tot betaling van loon wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 12066632 \ VV EXPL 26-8
Vonnis in kort geding van 24 maart 2026
in de zaak van
[bewindvoerder] , H.O.D.N. [handelsnaam],
te [plaats] ,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [eiser] ,
eisende partij,
hierna te noemen: respectievelijk de bewindvoerder en [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.Th.A. Nijkamp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10;
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 en de akte vermeerdering van eis.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op [datum] 2021 in dienst getreden van [gedaagde] .
2.2.
Per 9 september 2024 is [eiser] ziek gemeld.
2.3.
Op 24 april 2025 heeft [gedaagde] de loonbetaling opgeschort omdat [eiser] onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie. In de zomer van 2025 is de loonbetaling hervat en het opgeschorte loon betaald.
2.4.
Op 29 juli 2025 heeft [eiser] een telefonisch consult gehad bij de bedrijfsarts. Naar aanleiding daarvan heeft de bedrijfsarts geadviseerd om vanwege nog steeds lopende werk gerelateerde factoren stepped-mediation in te zetten.
2.5.
[gedaagde] heeft VerzuimVizie aangewezen om de mediation te verzorgen. VerzuimVizie heeft [eiser] driemaal uitgenodigd voor een mediationgesprek, de eerste keer een gesprek op 9 september 2025, de tweede keer een gesprek op 26 september 2025 en de derde keer een gesprek op 24 oktober 2025. [eiser] is niet verschenen op die gesprekken.
2.6.
[gedaagde] heeft de loonbetaling vanaf oktober 2025 stopgezet.

3.Het geschil

3.1.
De bewindvoerder vordert – na vermeerdering van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • [gedaagde] te veroordelen om het loon over de maanden oktober, november en december 2025, alsmede januari en februari 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging;
  • [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.
De bewindvoerder legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] ten onrechte de loonbetaling heeft gestopt vanaf oktober 2025.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening nodig is.
4.2.
De bewindvoerder stelt, onweersproken, dat [eiser] zonder het loon is verstoken van inkomsten en dat de bodem van zijn financiële middelen in zicht komt. Daarmee is het spoedeisend belang van zijn vordering gegeven.
Toetsingsmaatstaf
4.3.
In dit kort geding dient te worden beoordeeld of het bestaan van de vordering van de bewindvoerder voldoende aannemelijk is en dat het, mede gelet op de belangen van partijen over en weer, gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan in een bodemprocedure vooruit te lopen door het treffen van de gevorderde voorziening. Gelet op het karakter van een kort geding past daarbij geen uitgebreid onderzoek en is er geen plaats voor nadere bewijsvoering.
Re-integratie
4.4.
[eiser] heeft tijdens ziekte recht op loon (artikel 7:629 lid 1 BW Pro). Hij heeft dat recht niet (onder meer) voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door [gedaagde] of door een door haar aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop zijn gericht om [eiser] in staat te stellen passende arbeid te verrichten (artikel 7:629 lid 3 sub d BW Pro).
4.5.
De bedrijfsarts heeft (stepped) mediation geadviseerd voor de re-integratie van [eiser] . [eiser] had daaraan moeten meewerken. Dat heeft hij niet gedaan. VerzuimVizie heeft [eiser] driemaal uitgenodigd voor een mediationgesprek, op 9 en 26 september 2025 en op 24 oktober 2025. [eiser] is op geen van die gesprekken verschenen. Er is niet gebleken van een deugdelijke grond voor [eiser] waarom hij niet is verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van de bewindvoerder verklaard dat [eiser] geestelijke problemen heeft en dat er daarom geen onwil maar onmacht bij [eiser] is. De kantonrechter overweegt dat de omstandigheid dat [eiser] geestelijke problemen heeft, op zichzelf nog niet betekent dat hij niet kon meewerken aan een mediationgesprek. Een nadere en toereikende toelichting van de bewindvoerder - bijvoorbeeld aan de hand van een deskundigenoordeel van het UWV of een verklaring van een behandelaar van [eiser] - waarom een mediationgesprek niet kon worden gevergd van [eiser] vanwege geestelijke problemen, was op zijn plaats geweest. Die toelichting heeft de bewindvoerder niet gegeven.
4.6.
Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter was [gedaagde] daarom gerechtigd het loon stop te zetten vanaf oktober 2025. Dat was een gepaste sanctie van [gedaagde] . Daarbij weegt mee dat VerzuimVizie in haar e-mail van 23 september 2025 [eiser] al een waarschuwing had gegeven (productie 8 van [gedaagde] ). In die e-mail werd [eiser] uitgenodigd voor het mediationgesprek op 26 september 2025. Daarbij werd aangekondigd dat als [eiser] het advies van de bedrijfsarts (voor mediation) niet zou opvolgen, [gedaagde] een loonstop zou toepassen. Bij e-mail van 7 oktober 2025 (productie 9 van [gedaagde] ) heeft VerzuimVizie [eiser] uitgenodigd voor een mediationgesprek op 24 oktober 2025. Daarbij is nogmaals gewaarschuwd dat als [eiser] niet op het gesprek zou verschijnen, een sanctie wordt toegepast. Weliswaar wordt in de e-mail in algemene zin vermeld: “sanctie”, maar voor [eiser] had voldoende duidelijk moeten zijn dat daaronder valt de loonstop die reeds was aangekondigd in de e-mail van 23 september 2025. Het voorgaande geldt des te meer gelet op de omstandigheid dat het niet meewerken aan het re-integratietraject eerder ook al had geleid tot consequenties voor het loon van [eiser] . Zo had [gedaagde] op 24 april 2025 al een aantal maanden tot de zomer van 2025 het loon opgeschort, omdat [eiser] toen ook onvoldoende meewerkte met de re-integratie. [eiser] was dus een gewaarschuwd man.
4.7.
De bewindvoerder voert nog aan dat niet VerzuimVizie, maar [gedaagde] de loonstop had moeten aankondigen. Daarin wordt hij niet gevolgd. Het gaat erom dat de waarschuwing voor de loonstop [eiser] heeft bereikt. Dat is het geval. Het is niet van belang of die waarschuwing wordt gegeven door [gedaagde] zelf of door VerzuimVizie namens haar.
4.8.
Daarnaast voert de bewindvoerder aan dat [gedaagde] hem had moeten aanschrijven in plaats van (alleen) [eiser] aan te schrijven, voordat zij overging tot toepassing van een loonstop. Volgens de bewindvoerder gaat het namelijk om het loon van [eiser] en daar gaat een bewindvoerder over. Bovendien had hij bij brief van 26 mei 2025 al eens verzocht om de communicatie via hem te laten lopen (productie 2 van de bewindvoerder), aldus de bewindvoerder. De bewindvoerder wordt daarin niet gevolgd. Het meewerken aan de re-integratie is een verplichting die [eiser] zelf moet nakomen. Het is [eiser] die had moeten verschijnen op het mediationgesprek. Het was daarom terecht dat [eiser] ook zelf is aangeschreven om mee te werken aan de re-integratie en hem daarbij de consequenties van niet meewerken is vermeld. Overigens is er ook wel degelijk contact geweest tussen [gedaagde] en de bewindvoerder. [gedaagde] heeft in een e-mail van 4 december 2025 aan de bewindvoerder gemeld waarom de loonstop werd toegepast (productie 10 van [gedaagde] ). De tussenkomst van de bewindvoerder heeft er niet toe geleid dat [eiser] zich alsnog bereid heeft verklaard om aan mediation mee te werken.
4.9.
Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure de rechter zal oordelen dat [eiser] recht heeft op betaling van het loon vanaf oktober 2025. De vordering in dit kort geding tot betaling van het loon vanaf oktober 2025 tot en met februari 2026, vermeerderd met rente en wettelijke verhoging, zal daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.10.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van de bewindvoerder af,
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de bewindvoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.