Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2698

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/1110
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 2:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens reeds genomen besluit op Woo-verzoek

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek van 10 oktober 2025 bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge. De rechtbank stelt vast dat het college op 20 november 2025 al een besluit heeft genomen en verzonden, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.

Eiser betoogt dat het besluit niet voldoet aan de eisen van de Woo en Awb, maar de rechtbank oordeelt dat dit feitelijk een besluit is waarop eerst de bezwaarprocedure moet worden gevolgd. De rechtbank constateert dat eiser wel degelijk een bezwaar heeft ingediend, ook al heeft hij dit niet formeel zo genoemd, en dat het college dit bezwaar ten onrechte niet in behandeling heeft genomen.

De rechtbank bepaalt dat het college het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden, maar dat er geen proceskosten zijn die vergoed kunnen worden. Het beroep tegen het besluit zelf is eveneens niet-ontvankelijk omdat de bezwaarprocedure niet is doorlopen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 8 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek is niet-ontvankelijk omdat het college al een besluit heeft genomen; het college moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

ECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1110

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn per e-mail ingediende aanvraag op grond van de Wet open overheid (Woo) van 10 oktober 2025 om informatie die betrekking heeft op de samenwerking tussen de gemeente Halderberge en het commerciële fotobedrijf of franchise te noemen [bedrijf] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Beroep tegen niet tijdig beslissen
3. De rechtbank stelt vast dat het college voordat eiser op 10 februari 2026 beroep instelde, al een besluit op het Woo-verzoek van 10 oktober 2025 heeft genomen, namelijk op 20 november 2025 en verzonden op 24 november 2025.
3.1.
De rechtbank begrijpt uit wat eiser schrijft dat hij vindt dat de beslissing van 20 november 2025 geen besluit is op zijn aanvraag, omdat deze beslissing niet voldoet aan de eisen van de Woo en de Awb. Maar wat daar inhoudelijk ook van zij, de vraag of de inhoud van dit besluit voldoet aan de wettelijke voorschriften, doet niets af aan het feit dat het college met de beslissing van 20 november 2025 heeft beslist op eisers Woo-verzoek. Dit is dus een besluit op zijn aanvraag.
3.2.
Het beroep tegen het niet op tijd beslissen op het Woo-verzoek van 10 oktober 2025 is dus niet-ontvankelijk omdat er al een besluit is. De rechtbank kan geen beslistermijn opleggen en het college hoeft geen dwangsom aan eiser te betalen.
Beroep tegen het besluit van 20 november 2025?
3.3.
Voor zover eiser, zoals uit zijn aanvullende informatie van 9 maart 2025 (door eiser ‘pleidooi’ genoemd) blijkt, de bedoeling heeft gehad om inhoudelijk beroep in te stellen tegen het besluit van 20 november op zijn Woo-verzoek, merkt de rechtbank op dat dit niet mogelijk is. Eiser moet eerst de bezwaarprocedure bij het college doorlopen. [2]
Bezwaar tegen het besluit van 20 november 2025?
3.4.
Het college stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat er geen bezwaar is ingediend tegen het besluit van 20 november 2025. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen.
3.5.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn e-mail van 26 november 2025 gemotiveerd heeft aangegeven dat hij de motivering van het besluit in meerdere opzichten onduidelijk en mogelijk onvolledig vindt. Het college stelt dat dit geen bezwaar is, maar een verzoek om aanvullende/nadere toelichting op het besluit. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen daar vraagtekens bij worden gezet.
3.6.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser in zijn e-mail van 22 december 2025 aangeeft dat acht van de negen expliciet en concreet geformuleerde vragen zijn afgedaan met antwoorden in de trant van “onbekend” of “niet aanwezig”. Een dergelijke beantwoording voldoet volgens eiser niet aan de eisen die de Woo stelt aan een zorgvuldige, volledige en transparante behandeling van informatieverzoeken, noch aan de op het bestuursorgaan rustende onderzoeks- en motiveringsplicht. In dezelfde e-mail vraagt eiser om een volledige en deugdelijk gemotiveerde herbeoordeling van de afhandeling van het betreffende Woo-verzoek.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat dit laatste in ieder geval moet worden aangemerkt als een bezwaar. Dat dit door eiser zelf niet als bezwaar wordt benoemd, doet niets af aan het feit dat het inhoudelijk een bezwaar is. Het college heeft dit dan ook ten onrechte niet in als bezwaar in behandeling genomen en dient dit alsnog te doen.
3.8.
Als het college van mening is dat het bezwaar niet op de juiste wijze is ingediend [3] of dat er andere formele gebreken aan kleven, dan zal het eiser in de gelegenheid moeten stellen dit verzuim binnen een door het college bepaalde termijn te herstellen. [4]
Griffierecht en proceskosten
4. Het college heeft op 4 februari 2026 (in reactie op de ingebrekestelling door eiser) aan eiser laten weten dat de afhandeling van het Woo-verzoek is afgerond nu er op tijd is beslist en de bezwaartermijn is verstreken. Er is bij vermeld dat er geen verdere inhoudelijke reacties volgen op herhaalde verzoeken die betrekking hebben op hetzelfde besluit. Op 10 februari 2026 heeft eiser beroep ingesteld. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser wel bezwaar heeft ingediend bij het college, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet op tijd beslissen op het Woo-verzoek van 10 oktober 2025 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 20 november 2024 niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 8 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb.
3.Zoals beschreven in artikel 2:15, eerste lid, van de Awb, zoals dat luidde tot 1 januari 2026.
4.Zoals genoemd in artikel 6:6 van Pro de Awb.