Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2697

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25/3711
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:24 AwbArt. 12 AVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens onduidelijkheid over belanghebbendheid bij inzageverzoek persoonsgegevens

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk om inzage in zijn persoonsgegevens, maar het college nam het verzoek niet in behandeling en kende geen dwangsom toe. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege twijfel over de identiteit van eiser, onder meer door discrepanties in handtekeningen.

Eiser stelde dat het bezwaar ontvankelijk was omdat hij het bezwaar per post had hersteld en dat de handtekening op het bezwaarschrift overeenkwam met het identiteitsbewijs. De rechtbank oordeelde echter dat de identiteit van eiser niet kon worden vastgesteld, mede door afwijkende handtekeningen en verschillen in naamgebruik, en dat eiser niet had voldaan aan de vereisten voor belanghebbendheid.

De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat niet is vastgesteld dat de indiener van het beroep belanghebbende is. Hierdoor werd de zaak niet inhoudelijk beoordeeld en kreeg eiser geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter S. Hindriks op 8 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende vaststelling van zijn belanghebbendheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3711

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk(het college), verweerder

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaarschrift tegen het besluit van het college om geen dwangsom toe te kennen. Het niet-ontvankelijk verklaren zag ook op het bezwaar tegen de mededeling om een verzoek niet als inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in behandeling te nemen. Eiser is het niet eens met het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar en heeft daarom beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is omdat de rechtbank niet heeft kunnen verifiëren dat de indiener van het beroep belanghebbend is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Voor de leesbaarheid van deze uitspraak gebruikt de rechtbank steeds de aanduiding ‘eiser’, terwijl het onder meer juist de vraag is of hij de indiener van het beroep is.

Feiten en procesverloop

2. Eiser heeft het college met het e-mailbericht van 29 november 2024 verzocht om inzage in zijn verwerkte persoonsgegevens, met daarbij een kopie van een identiteitsbewijs (een verblijfsdocument met de verblijfstitel ‘regulier voor bepaalde tijd’).
2.1.
Op 2 januari 2025 heeft eiser het college per e-mail in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op zijn verzoek. Een privacy-officer van de gemeente heeft met het e-mailbericht van 7 januari 2025 en met de brief van 10 januari 2025 aan eiser medegedeeld dat een verzoek om inzage niet per e-mail kan worden ingediend. Eiser heeft in reactie hierop op 9 januari 2025 gevraagd waar hij bezwaar kan maken tegen de beslissing om zijn verzoek niet in behandeling te nemen. De privacy-officer van de gemeente heeft op 17 januari 2025 aan eiser medegedeeld dat tegen de weigering om het verzoek in behandeling te nemen geen bezwaar of beroep openstaat.
2.2.
Met het besluit van 10 februari 2025 heeft het college bepaald dat zij geen dwangsom aan eiser verschuldigd is.
2.3.
Eiser heeft op 16 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen zowel het besluit om geen dwangsom toe te kennen als tegen het niet in behandeling nemen van het inzageverzoek. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Op 8 juli 2025 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II), waarbij de beslissing van 17 juni 2025 is gewijzigd, omdat deze enkele onvolkomenheden bevat.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op bestreden besluit II. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. W. Rombouts namens het college. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het standpunt van het college
3. Het college stelt zich – onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt dat zij de identiteit van de verzoeker van het inzageverzoek noch van eiser met voldoende zekerheid kan vaststellen. Zij kan daarom evenmin vaststellen of eiser belanghebbende is in de zin van de Awb. Er is volgens het college sprake van een discrepantie tussen de diverse handtekeningen onder de processtukken. De handtekening onder het bezwaarschrift, de handtekening op het identiteitsbewijs, de handtekening onder het verzoek van 29 november 2024 en de handtekening onder de ingebrekestelling van 2 januari 2025 komen niet overeen. Hierdoor is de identiteit van eiser niet vast te stellen, terwijl dit wel noodzakelijk is om te bepalen of de bezwaarmaker als belanghebbende aangemerkt kan worden. Omdat niet vast is te stellen of eiser een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaarschrift, heeft het college het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.
Het standpunt van eiser
4. Volgens eiser heeft het college haar bevoegdheid om een bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren ten onrechte uitgeoefend. Een bezwaar kan alleen niet-ontvankelijk worden verklaard als aan formele vereisten niet wordt voldaan en herstel niet mogelijk is of niet tijdig is verricht. Eiser is van mening dat herstel is verricht met het bezwaarschrift dat op 28 maart 2025 opnieuw, maar nu per post in plaats van per e-mail, is toegezonden. Bovendien erkent de eigen correspondentie van het college dat de handtekening van het per post ingediende bezwaarschrift overeenkomt met het bij het verzoek gevoegde identiteitsbewijs. De ontvankelijkheidsgrond faalt daarom volgens eiser.
Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en dat het besluit ondeugdelijk is vanwege de wisselende stellingname van het college. Het college heeft procedurele drempels opgeworpen, terwijl artikel 12 van Pro de AVG openlaat via welke elektronische middelen een verzoek kan worden gedaan en de Awb niet toelaat dat een bestuursorgaan een elektronisch verzoek buiten behandeling laat dat niet bij wettelijk voorschrift is aangewezen als verplichte route. Door niet tijdig te besluiten op het inzageverzoek heeft het college de wettelijke beslistermijn volgens eiser overschreden.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
6. Voordat de rechtbank kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep, moet de rechtbank eerst uit eigen beweging (ambtshalve) beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Daarnaast heeft verweerder bepleit dat het beroep niet-ontvankelijk is.
-
Belanghebbendheid
7. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
7.1.
Volgens artikel 1:2, eerste lid van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 8:1 van Pro de Awb kan alleen een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Voor rechtsbescherming via de bestuursrechter is dan ook vereist dat de indiener van het beroep belanghebbende is. De wetgever heeft deze eis mede gesteld om te voorkomen dat eenieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen aanwenden.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat in dit geval grote twijfel bestaat over de identiteit van eiser als indiener van het beroepschrift. Hoewel bestreden besluit I en II zijn geadresseerd aan ‘[eiser]’, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat daadwerkelijk beroep is ingesteld door de op de kopie van het verblijfsdocument vermelde [eiser]. Daartoe overweegt de rechtbank dat het college zowel in de bezwaarfase als in beroep voldoende heeft gemotiveerd dat twijfel bestaat over de identiteit van eiser. Er bestaat discrepantie tussen de handtekeningen op de in het dossier aanwezige stukken en de schrijfwijze van de naam van eiser op het verblijfsdocument en in de BRP (‘[eiser]’) wijkt af van de schrijfwijze op de ingediende stukken (‘[eiser]’). De stelling van de beweerdelijk gemachtigde van eiser dat er andere officiële documenten bestaan met deze laatste schrijfwijze, is niet met stukken onderbouwd. Gezien de inhoud van het verweer van het college had het op de weg van de beweerdelijk gemachtigde van eiser gelegen om de twijfel over de identiteit van eiser te weerleggen.
De rechtbank gebruikt de formulering ‘beweerdelijk’ overigens omdat gezien de grote twijfel over de identiteit van eiser, die grote twijfel ook geldt voor de ingediende machtiging.
7.3.
De rechtbank heeft de beweerdelijk gemachtigde van eiser voorafgaand aan de zitting om een correcte machtiging gevraagd waaruit de betrokkenheid van de op het verblijfsdocument vermelde persoon had moeten blijken. De beweerdelijk gemachtigde heeft in reactie daarop op 17 december 2025 een ondertekende machtiging overgelegd. Hiermee zijn de tegenstrijdigheden naar het oordeel van de rechtbank niet opgeheven, omdat opnieuw sprake is van een afwijkende handtekening. Eiser of zijn beweerdelijk gemachtigde heeft geen verklaring gegeven waarom de handtekeningen afwijken.
7.4.
Hoewel de beweerdelijk gemachtigde van eiser een met pen ondertekende machtiging heeft ingediend, blijft er voor de rechtbank aanleiding bestaan om te twijfelen aan de identiteit van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de identiteit van eiser niet vast is komen te staan, waardoor niet te verifiëren is of de indiener van het beroep belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb is.
7.5.
Daarmee heeft eiser niet voldaan aan de vereisten van artikel 8:1 van Pro de Awb De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eiser daarom niet-ontvankelijk is.
-
Misbruik van recht
8. Het college heeft ter zitting opgeworpen dat in dit geval sprake is van misbruik van recht, omdat eiser de procedure anders gebruikt dan waarvoor deze bedoeld is. Volgens het college heeft (de beweerdelijk gemachtigde van) eiser, in plaats van gebruik te maken van de geboden mogelijkheden om het verzuim te herstellen, consequent voor de frustrerende route gekozen.
8.1.
Gelet op het feit dat de rechtbank van oordeel is dat het beroep van eiser al niet-ontvankelijk is, hoeft deze stelling niet te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van V.J. Wuijten, griffier, op 8 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Op grond van artikel 1:2, eerste lid wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
Artikel 8:1 bepaalt Pro dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter.
Volgens artikel 8:24, tweede lid kan de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
Burgerlijk Wetboek (BW)
In artikel 3:13 is Pro de grondslag voor ‘misbruik van recht’ neergelegd:
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.