Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
Samenvatting
Feiten en procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Belanghebbendheid
Misbruik van recht
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk om inzage in zijn persoonsgegevens, maar het college nam het verzoek niet in behandeling en kende geen dwangsom toe. Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege twijfel over de identiteit van eiser, onder meer door discrepanties in handtekeningen.
Eiser stelde dat het bezwaar ontvankelijk was omdat hij het bezwaar per post had hersteld en dat de handtekening op het bezwaarschrift overeenkwam met het identiteitsbewijs. De rechtbank oordeelde echter dat de identiteit van eiser niet kon worden vastgesteld, mede door afwijkende handtekeningen en verschillen in naamgebruik, en dat eiser niet had voldaan aan de vereisten voor belanghebbendheid.
De rechtbank concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat niet is vastgesteld dat de indiener van het beroep belanghebbende is. Hierdoor werd de zaak niet inhoudelijk beoordeeld en kreeg eiser geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter S. Hindriks op 8 april 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende vaststelling van zijn belanghebbendheid.