Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2696

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
BRE - 25 _ 6331
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering kostenvergoeding bij aanslag rioolheffing

Belanghebbende, eigenaar van een woning, kreeg voor 2025 een aanslag rioolheffing opgelegd gebaseerd op een geschat waterverbruik van 500 tot 1.000 m³. Na bezwaar werd de aanslag verminderd tot een bedrag gebaseerd op een verbruik van 1 tot 500 m³. De heffingsambtenaar weigerde echter een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe te kennen.

De rechtbank oordeelt dat de aanslag geautomatiseerd is opgelegd op basis van gegevens van Brabant Water, die als een normale en zorgvuldige werkwijze wordt beschouwd. Er is geen sprake van een aan de heffingsambtenaar toe te rekenen onrechtmatigheid, omdat de gegevens niet zodanig uitzonderlijk waren dat de heffingsambtenaar had moeten twijfelen aan de juistheid.

Omdat geen onrechtmatigheid is vastgesteld, bestaat er geen recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Belanghebbende krijgt ook geen proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6331
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 10 november 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 30 januari 2025 aan belanghebbende voor het jaar 2025 onder andere een aanslag rioolheffing eigenaar woning (aanslag rioolheffing) opgelegd naar een bedrag van € 396,55. Daarbij is uitgegaan van een gebruik van 500 tot 1.000 m³ water.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag rioolheffing verminderd tot € 50,20 naar een verbruik van 1 tot 500 m³ water. De heffingsambtenaar heeft geen kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, zijn gemachtigde en namens de heffingsambtenaar mr. A.G. Hendriks.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning aan [adres] in [plaats] .
2.1.
Hij heeft in de jaren vóór 2024 steeds een schatting van zijn waterverbruik aan Brabant Water doorgegeven omdat de meter onder de parketvloer lag. In 2024 is dit verholpen, waardoor de werkelijke watermeterstand kon worden uitgelezen. Als gevolg daarvan heeft over de periode 2023/2024 in de jaarafrekening van Brabant Water een inhaalafrekening plaatsgevonden.
2.2.
Brabant Water heeft aan de gemeente Waalwijk over de periode 26 juli 2023 tot en met 24 juli 2024 een waterverbruik van 628 m³ doorgegeven. De aanslag rioolheffing voor het jaar 2025 is op dit gegeven gebaseerd.
2.3.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende de jaarafrekening van Brabant Water over de periode 24 juli 2024 tot 10 juli 2025 overgelegd. Uit deze jaarafrekening blijkt een verbruik van 195 m³ over die periode. De heffingsambtenaar heeft aan de hand van het werkelijk verbruik de aanslag rioolheffing gecorrigeerd.

Motivering

3. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de heffingsambtenaar terecht geen kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, op zijn verzoek door de heffingsambtenaar moeten worden vergoed voor zover de aanslag wordt herroepen wegens een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. [1]
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat de aanslag rioolheffing geautomatiseerd wordt opgelegd op basis van de gegevens die de gemeente van onder meer Brabant Water ontvangt. Dat acht de rechtbank als uitgangspunt een normale en zorgvuldige werkwijze. De heffingsambtenaar hoeft deze gegevens niet handmatig te controleren, tenzij deze gegevens dermate uitzonderlijk zijn dat het de heffingsambtenaar zou moeten opvallen dat de gegevens niet kunnen kloppen.
3.3.
In dit geval zijn de gegevens die de heffingsambtenaar van Brabant Water heeft doorgekregen, en waarop de aanslag rioolheffing is gebaseerd, naar het oordeel van de rechtbank niet zo uitzonderlijk dat het de heffingsambtenaar had moeten opvallen dat dit niet het werkelijke waterverbruik van belanghebbende kon zijn. De aanslag is uiteindelijk vastgesteld naar een waterverbruik in slechts één categorie hoger dan het werkelijke waterverbruik en dan de voorgaande jaren. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig gehandeld door de aanslag te baseren op de gegevens van Brabant Water. Van een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid is dan ook geen sprake. Dat betekent dat reeds daarom geen recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
3.4.
Aan de behandeling van de overige geschilpunten komt de rechtbank niet toe.

Conclusie en gevolgen

4. De heffingsambtenaar heeft terecht geen kostenvergoeding toegekend voor de bezwaarfase. Het beroep is dus ongegrond.
4.1.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende geen proceskostenvergoeding voor de beroepsfase en krijgt belanghebbende het griffierecht ook niet terug.
4.2.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 26 maart 2026 en gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee dit proces-verbaal aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 7:15 van Pro de Awb.