De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 2 maart 2026 besloten de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen tot 8 april 2027. De ondertoezichtstelling was eerder ingesteld vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en is reeds meerdere malen verlengd.
De ouders zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De minderjarige woont bij de moeder. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging omdat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd. Hoewel de omgang tussen vader en minderjarige goed is, is de communicatie tussen de ouders over belangrijke zaken onvoldoende. De GI heeft nog geen hulpverlening ingezet om deze communicatie te verbeteren, maar zal dit op korte termijn doen.
Zowel de vader als de moeder verzetten zich niet tegen de verlenging. De moeder betreurt dat de situatie onveranderd is en acht de ondertoezichtstelling noodzakelijk zolang het gezag gezamenlijk blijft. De kinderrechter acht de wettelijke voorwaarden voor verlenging vervuld en legt de GI op om uiterlijk 29 september 2026 een rapportage in te dienen over de ingezette hulpverlening en de gevolgen daarvan voor het gezagsverzoek in een lopende bodemprocedure.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.