Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2663

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
26/1862 OPIUMW vovo
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening verlenging begunstigingstermijn sluiting bedrijfspand op grond van Opiumwet

De burgemeester van Moerdijk heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten een bedrijfspand en het bijbehorende erf te sluiten voor 24 maanden vanwege de vondst van bijna 2.000 kilogram cocaïne. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze sluiting en vroegen om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op 1 april 2026 en stelde vast dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is om de drugshandel te bestrijden. Verzoekers stelden alternatieve maatregelen voor, maar deze werden onvoldoende geacht om het doel te bereiken.

Bij de belangenafweging werd erkend dat de sluiting nadelige gevolgen heeft voor het bedrijf en de werknemers, maar dat de burgemeester onvoldoende rekening had gehouden met deze belangen. Daarom werd de begunstigingstermijn met één maand verlengd om het bedrijf meer tijd te geven zich aan te passen.

De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. De uitspraak sluit aan bij de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over woningsluitingen op grond van de Opiumwet.

Uitkomst: De begunstigingstermijn van de sluiting van het bedrijfspand wordt met één maand verlengd en de burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE AWB 26/1862 VV

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van1 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster 1] B.V. (verzoekster 1),gevestigd te [plaats 1] ,
[verzoekster 2] B.V. (verzoekster 2),gevestigd te [plaats 1] ,
[verzoekster 3] B.V. (verzoekster 3),gevestigd te [plaats 2] ,
[verzoekster 4] B.V. (verzoekster 4),gevestigd te [plaats 3] ,
[verzoeker 5] (verzoeker 5),uit [plaats 3] en
[verzoeker 6] (verzoeker 6),uit [plaats 3] ,
hierna gezamenlijk aangeduid als: verzoekers,
(gemachtigde: mr. W.J.E. van der Werf),
en

de burgemeester van Moerdijk (burgemeester), verweerder.

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 18 maart 2026 heeft de burgemeester besloten om het bedrijfspand en het bijbehorende erf van verzoekers aan [adres] met ingang van 24 maart 2026 voor 24 maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet
.Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De burgemeester heeft op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens verzoekers deelgenomen: de gemachtigde, mr. J.W.D. Roozemond, [verzoeker 6] en [naam]; [verzoeker 5] was telefonisch aanwezig. Namens de burgemeester zijn mr. R. van Helden en mr. dr. M.L.P. van Houten verschenen.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft een voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn met één maand wordt verlengd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Toetsingskader
3. Deze zaak gaat over de sluiting van een bedrijfspand vanwege een grote hoeveelheid drugs die daar is aangetroffen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 16 juli 2025 een overzichtsuitspraak gedaan. In deze uitspraak is de lijn in de jurisprudentie omtrent woningsluitingen op grond van de Opiumwet verduidelijkt. [1] Het toetsingskader voor lokalen en daarbij behorende erven is hetzelfde als voor woningen. De voorzieningenrechter beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van dit toetsingskader.
Bevoegdheid
4. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd is om handhavend op te treden. Er is namelijk een enorme hoeveelheid harddrugs gevonden (netto 1.964,93 kilogram cocaïne).
Damoclesbeleid
5. Over de wijze waarop de burgemeester van die bevoegdheid gebruik maakt, heeft hij het Damoclesbeleid district De Markiezaten/Moerdijk 2020 (Damoclesbeleid) vastgesteld. Op grond van artikel 5 van Pro het Damoclesbeleid volgt op een eerste overtreding indien in een lokaal harddrugs worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, een sluiting voor 12 maanden.
5.1.
De sluitingsduur kan op grond van dit beleid langer worden in het geval van verzwarende omstandigheden. Daar heeft de burgemeester in dit geval ook gebruik van gemaakt. Dit is vooral relevant voor de duur van de sluiting, maar in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure is dit minder relevant. De voorzieningenrechter geeft de burgemeester in overweging om hier tijdens de bezwaarprocedure goed naar te kijken, maar vindt vooralsnog verzwarende omstandigheden wel aanwezig. Er is namelijk een enorme hoeveelheid harddrugs gevonden en het is voldoende aannemelijk dat sprake is van drugshandel in georganiseerd verband.
Geschiktheid
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft onderbouwd dat de sluiting geschikt was. De sluiting is een geschikt middel om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Door de sluiting wordt de bekendheid van het pand binnen het drugscircuit weggenomen. De kans op eventuele vergeldingsacties vanuit het criminele milieu wordt door het middel van sluiting verkleind. Ook mag de signaalfunctie die uitgaat van een sluiting een rol spelen bij de onderbouwing van de geschiktheid.
Noodzaak
7. Bij beoordeling of sluiting noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
7.1.
Verzoekers hebben een groot scala aan mogelijke alternatieve maatregelen voorgesteld, zoals het openstellen van de administratie van het bedrijf, het overdragen van het bestuur aan de zoon of broer van verzoeker 5 en cameratoezicht op het bedrijfsterrein. Dit zijn op zich goede maatregelen, maar de voorzieningenrechter volgt de burgmeester in zijn standpunt dat deze maatregelen onvoldoende zijn om de doelen die zijn gesteld te bereiken. De voorzieningenrechter acht de sluiting dan ook noodzakelijk.
Evenwichtigheid
8. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de betrokkenen is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico hebben genomen op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten.
8.1.
De voorzieningenrechter acht het belang van het bedrijf en van de werknemers evident aanwezig. De burgemeester heeft de belangen van de medewerkers naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende meegewogen bij het bestreden besluit, dit blijkt in ieder geval niet uit het besluit. Hij zal hier in de bezwaarfase uitdrukkelijk aandacht aan moeten besteden.
8.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrijf bij sluiting op zeer korte termijn failliet gaat. Dat sprake is van grote nadelige gevolgen en dat het bedrijfspand niet zomaar vervangbaar is, volgt de voorzieningenrechter wel. Maar het bedrijf houdt zich ook bezig met activiteiten die niet alleen plaatsvinden in het bedrijfspand, maar ook op schepen. Een eventueel faillissement op langere termijn raakt uiteraard ook het belang van de medewerkers. Dit dient de burgemeester bij zijn belangenafweging te betrekken bij het nemen van een beslissing op bezwaar.
8.3.
Nu de burgemeester tot nu toe niet kenbaar rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de medewerkers, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, om het bedrijf wat meer tijd te geven om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Alles afwegend vindt de voorzieningenrechter een verlenging van de begunstigingstermijn met een maand passend. Hij beseft dat dit voor het bedrijf relatief kort is, maar dit doet ook recht aan het belang van de burgemeester bij een spoedige sluiting.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter verlengt de begunstigingstermijn tot 1 mei 2026.
9.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Dat is een bedrag van € 397,-. Daarnaast krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe in die zin dat de begunstigingstermijn wordt verlengd tot
  • veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 397,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze mondelinge uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.