Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2649

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
25/5132 Wlz
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.5 WlzArt. 3.3.1 WlzArt. 3.3.2 WlzArt. 4.2.1 WlzArt. 6.1.2 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling eigen bijdrage Wlz-zorg met persoonsgebonden budget

Eiser ontvangt sinds juli 2024 zorg vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) en maakt gebruik van een modulair pakket thuis en een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee hij zorg inkoopt. Het Centraal Administratie Kantoor (CAK) heeft de eigen bijdrage voor de periode oktober 2024 tot en met januari 2025 vastgesteld op € 2.588,52. Eiser maakte bezwaar tegen deze vaststelling, dat door het CAK ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.

Eiser betoogt dat de eigen bijdrage voor het pgb buitenproportioneel hoog is in vergelijking met de eigen bijdrage voor het modulair pakket thuis, en dat het bezwaartraject onzorgvuldig is verlopen. Ook wijst hij op bijzondere omstandigheden, zoals de noodzaak van ontlasting van zijn partner en het feit dat hij gedwongen was een pgb aan te vragen omdat er geen gecontracteerde zorgaanbieders waren die aan zijn zorgbehoefte voldeden.

De rechtbank oordeelt dat de vaststelling van de eigen bijdrage door het CAK conform het Besluit langdurige zorg en de Regeling langdurige zorg is gedaan, welke dwingendrechtelijk en limitatief zijn. De rechtbank stelt vast dat de situatie van eiser niet gelijk is aan eerdere uitspraken waarin een gedwongen pgb tot een onredelijke last leidde, omdat eiser voldoende geïnformeerd was en het verschil tussen eigen bijdrage en werkelijke zorgkosten minder groot is. Ook is het bezwaartraject zorgvuldig verlopen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de eigen bijdrage Wlz-zorg met pgb wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5132 Wlz

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

gemachtigde: [gemachtigde 1]
en

het Centraal Administratie Kantoor (het CAK), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de eigen bijdrage van eiser op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser ontvangt sinds 31 juli 2024 zorg vanuit de Wlz. Hij ontvangt een modulair pakket thuis (mpt). Daarnaast ontving eiser vanaf 31 oktober 2024 een persoonsgebonden budget (pgb) en kocht daarmee eens per veertien dagen zorg in bij Saar aan Huis.
2.1.
Met een factuur van 21 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het CAK de eigen bijdrage over de maanden oktober 2024 tot en met januari 2025 ter hoogte van € 2.588,52 in rekening gebracht. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.2.
Met het besluit van 26 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft het CAK het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens het CAK mr. S.J.Y. Römer en [gemachtigde 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit, samengevat, aangevoerd dat het van belang is dat zijn partner (tevens gemachtigde) de zorg vol kan houden. Daarvoor is het nodig dat zij eens in de veertien dagen een hele dag (acht uur) wordt ontzorgd. Het CAK had op deze manier geen zorg ingekocht, waardoor eiser gedwongen was een pgb aan te vragen. Met het pgb is tien keer acht uur zorg ingekocht bij Saar aan Huis. Eiser vindt de hoogte van de eigen bijdrage voor het pgb van € 858,54 (2024) en € 900,80 (2025) per maand buitenproportioneel in verhouding tot de laagste eigen bijdrage voor het mpt van € 28,60 (2024) en € 29,20 (2025) bij twintig uur of minder zorg per maand. Ook is het bezwaartraject onzorgvuldig uitgevoerd, onder meer doordat er ten onrechte nooit een afspraak is gemaakt voor een telefonische hoorzitting. Daarnaast zijn bepaalde passages uit het bestreden besluit onnodig kwetsend voor eisers partner.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank merkt allereerst op dat zij het met eiser eens is dat de toonzetting in het achttien pagina’s omvattende bestreden besluit in sommige passages onnodig scherp is. Dit kan op zichzelf echter niet leiden tot een gegrond beroep.
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het CAK de eigen bijdrage voor de door eiser ontvangen Wlz-zorg heeft vastgesteld conform de in het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz) neergelegde regels over de heffing en berekening van de eigen bijdrage.
7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de regels van het Blz en de Rlz over de heffing en berekening van de eigen bijdrage dwingendrechtelijk van aard en limitatief zijn. [1] Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het voorliggende geval toepassing van het wettelijk voorschrift voor betrokkene zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Hiervan is sprake als het besluit in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is.
8. Eiser stelt dat er in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van de regels van het Blz en de Rlz tot een onevenredige uitkomst leidt.
Hij heeft daarbij allereerst gewezen op een uitspraak van de CRvB van 17 juli 2025. [2] De rechtbank stelt vast dat in die zaak het vaststellen van de eigen bijdrage conform het Blz en de Rlz onredelijk bezwarend is geacht omdat er sprake was van een gedwongen pgb, gebrekkige informatievoorziening over de gevolgen van de keuze voor een pgb en een verschil van € 3.236,12 tussen de opgelegde eigen bijdrage en de werkelijke zorgkosten. In het geval van eiser was er weliswaar sprake van een gedwongen pgb omdat er geen gecontracteerde aanbieders waren die acht uur zorg per dag konden leveren, maar van gebrekkige informatievoorziening was geen sprake. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting erkend dat zij destijds de folder over de eigen bijdrage in de Wlz heeft gelezen en heeft bovendien zelf de rekentool van het CAK ingevuld waaruit bleek hoe hoog de eigen bijdrage zou zijn. Daarnaast is het verschil tussen de opgelegde eigen bijdrage en de werkelijke zorgkosten in het geval van eiser minder groot: in het bestreden besluit is onbetwist gesteld dat het over de maanden november 2024 tot en met maart 2025 gaat om een bedrag van € 1.223,37. De situatie van eiser is dus niet hetzelfde als de situatie van de betrokkene in de uitspraak van de CRvB en het beroep op deze uitspraak slaagt daarom niet.
9. Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er een buitenproportioneel verschil zit tussen de eigen bijdrage die, ongeacht het aantal zorguren, wordt opgelegd bij een pgb en de eigen bijdrage die wordt opgelegd bij een mpt bij twintig uur of minder zorg per maand. Dit betreft echter een bewuste keuze van de wetgever. Er is dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de vaststelling van de eigen bijdrage conform het Blz en de Rlz in het geval van eiser onredelijk bezwarend is.
10. Voor zover eiser van mening is dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is verlopen omdat er geen afspraak is gemaakt voor een telefonische hoorzitting, wijst de rechtbank op de onbetwiste schets van de gang van zaken zoals weergegeven in het verweerschrift. De gemachtigde van eiser is op 14 augustus 2025 telefonisch gehoord, waarbij is gevraagd of zij behoefte had aan een vervolggesprek of een hoorzitting waar zij zich op kon voorbereiden. Zij heeft aangegeven dat zij dit niet nodig vond. Ook heeft het CAK gevraagd of het gesprek als hoorzitting mocht worden aangemerkt en daarvoor heeft ze haar akkoord gegeven. Van onzorgvuldige besluitvorming is dan ook niet gebleken.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. M. Breeman en mr. M. Snoeks, leden, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 7 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: wettelijk kader

Wet langdurige zorg
Artikel 3.2.5, eerste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. De eigen bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort, de zorg die verstrekt wordt en de wijze waarop het recht op zorg tot gelding wordt gebracht, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.
Artikel 3.3.1, eerste lid
De verzekerde die recht heeft op zorg, kan ervoor kiezen om zijn recht tot gelding te brengen met zorg in natura, bestaande uit zorg met verblijf in een instelling, een volledig pakket thuis als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel a, of een modulair pakket thuis als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid, onderdeel b, dan wel met een persoonsgebonden budget. De verzekerde kan tevens kiezen om zijn recht tot gelding te brengen met een modulair pakket thuis in combinatie met een persoonsgebonden budget.
Artikel 3.3.2, eerste lid
De Wlz-uitvoerder laat, op aanvraag van de verzekerde en onverminderd het derde, vierde en achtste lid, zorg in natura leveren zonder dat de verzekerde in een instelling verblijft, door middel van:
een volledig pakket thuis dat verleend wordt door één zorgaanbieder, of
een modulair pakket thuis, bestaande uit één of meer losse vormen van zorg als bedoeld in artikel 3.1.1 en andere huishoudelijke hulp dan het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde.
Artikel 4.2.1, eerste en tweede lid
1. De Wlz-uitvoerder heeft een zorgplicht, die inhoudt dat:
hij de bij hem ingeschreven verzekerde informatie verschaft over de leveringsvormen, bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3, en deze verzekerde, indien hij in aanmerking kan komen voor meerdere leveringsvormen, in de gelegenheid stelt voor zorg met verblijf in een instelling, voor een volledig pakket thuis of voor een modulair pakket thuis te kiezen of hem wijst op de mogelijkheid om bij het zorgkantoor een persoonsgebonden budget aan te vragen,
indien de verzekerde zorg in natura zal worden verstrekt:
1° hij ervoor zorgt dat de zorg waarop de verzekerde aangewezen is binnen redelijke termijn en op redelijke afstand van waar deze wenst te gaan wonen dan wel bij hem thuis, wordt geleverd,
2° hij de verzekerde de keuze laat uit alle geschikte, gecontracteerde zorgaanbieders die deze verzekerde de zorg op redelijke termijn kunnen verlenen, of
3° hij de verzekerde desgewenst bemiddelt naar geschikte, gecontracteerde zorgaanbieders,
hij ervoor zorgt dat voor de verzekerde met ingang van het tijdstip waarop het CIZ het indicatiebesluit heeft vastgesteld, cliëntondersteuning beschikbaar is waarop de verzekerde, al dan niet met behulp van zijn vertegenwoordiger of mantelzorger, een beroep kan doen,
hij ervoor zorgt dat voor een verzekerde waarop de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten toepassing vindt of voor diens vertegenwoordiger een cliëntenvertrouwenspersoon als bedoeld in hoofdstuk 4A van die wet beschikbaar is.
2. Het zorgkantoor heeft een zorgplicht, die inhoudt dat:
hij de verzekerden die wonen in de regio waarvoor hij als zorgkantoor is aangewezen, desgevraagd informatie verschaft over de voorwaarden waaronder zij in aanmerking kunnen komen voor een persoonsgebonden budget,
hij, indien hij met toepassing van artikel 3.3.3 een persoonsgebonden budget heeft verleend, ervoor zorgt dat het budget binnen redelijke termijn beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 6.1.2, aanhef en onder a en onder c
Het CAK is belast met:
de vaststelling en de inning van de eigen bijdragen, bedoeld in artikel 3.2.5;
[…]
het namens een WLZ-uitvoerder of het Zorginstituut, verrichten van betalingen aan zorgaanbieders, welke de WLZ-uitvoerders of het Zorginstituut, uit hoofde van de uitvoering van deze wet verschuldigd zijn;
Besluit langdurige zorg
Artikel 3.3.1.3, eerste lid
De verzekerde is de eigen bijdrage verschuldigd aan het CAK.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:996).