Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2648

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
23/10562
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 25 Wet WIAArt. 65 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en verlenging wachttijd WIA

Eisers, een werkgever en werknemer, zijn het niet eens met de door het UWV opgelegde loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte. De werknemer meldde zich ziek na een ongeval op 18 september 2019 en diende de WIA-aanvraag pas op 28 december 2022 volledig in, wat 546 dagen te laat was. Hierdoor werd de wachttijd voor loondoorbetaling verlengd tot 15 maart 2023.

Het UWV legde op 24 februari 2023 een loonsanctie op omdat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Eisers voerden aan dat de loonsanctie niet kon worden opgelegd omdat geen voorafgaand schriftelijk besluit was genomen over de verlenging van de wachttijd en dat de eerste ziektedag onjuist was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de eerste ziektedag onbetwist 18 september 2019 was en dat de werkgever verantwoordelijk was voor de juiste melding aan de Arbodienst.

De rechtbank stelde vast dat het UWV terecht de wachttijd had verlengd vanwege de te late WIA-aanvraag en dat de loonsanctie terecht was opgelegd. Uit het arbeidsdeskundig onderzoek bleek dat de werknemer niet structureel passend werk verrichtte en dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had geleverd, zoals het niet tijdig inzetten van spoor 1 en 2 trajecten. De toekenning van een WIA-uitkering aan de werknemer sluit niet uit dat de werkgever tekort is geschoten in zijn verplichtingen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. Eisers kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de loonsanctie en verlenging van de wachttijd door het UWV.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/10562

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen

1. [eiseres] B.V.uit [plaats 1] , eiseres,
2. [eiser] ,eiser, uit [plaats 2] ,
gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting van eiseres met 52 weken tijdens ziekte van eiser (de loonsanctie), op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eisers zijn het niet eens met de opgelegde loonsanctie. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op goede gronden de loonsanctie heeft opgelegd. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 februari 2023 heeft het UWV aangegeven dat eiseres niet voldoende heeft gedaan om haar werknemer [eiser] (eiser) te re-integreren. Het UWV heeft de loondoorbetalingsverplichting van eiseres aan eiser verlengd met 52 weken tot 13 maart 2024.
2.1.
Met het bestreden besluit van 15 september 2023 op het bezwaar van eisers is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eisers en namens het UWV mr. M.B.A. van Grinsven.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft zich, nadat hij op 17 september 2019 betrokken is geraakt bij een ongeval, op 18 september 2019 ziekgemeld voor zijn werk als calculator hij het autoschadebedrijf van eiseres. Op 12 oktober 2022 heeft hij een WIA-uitkering aangevraagd.
Op 18 oktober 2022 heeft het UWV aangegeven dat de WIA-aanvraag niet compleet is. Eiser is in de gelegenheid gesteld de ontbrekende documenten van het re-integratieverslag uiterlijk 25 oktober 2022 in te dienen.
Met het besluit van 2 november 2022 heeft het UWV aan eiser aangegeven dat niet alle opgevraagde documenten zijn aangeleverd. De WIA-aanvraag kan daarom niet in behandeling worden genomen. Zodra eiser de documenten heeft kan hij opnieuw een WIA-uitkering aanvragen.
Op 28 december 2022 heeft het UWV de ontbrekende stukken alsnog ontvangen. Het UWV heeft deze datum aangemerkt als datum waarop de WIA-uitkering is aangevraagd.
Met het besluit van 11 januari 2023 heeft het UWV aan eiseres aangegeven dat eiser de WIA-aanvraag uiterlijk 30 juni 2021 in had moeten dienen. De aanvraag is eerst op 28 december 2022 volledig ingediend. De aanvraag is daarmee 546 dagen te laat ingediend. Dit betekent dat een eventuele WIA-uitkering niet eerder dan 15 maart 2023 kan ingaan. De periode waarover het loon moet worden doorbetaald tijdens ziekte heeft het UWV verlengd tot 15 maart 2023. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
Na een beoordeling door een arbeidsdeskundige op 22 februari 2023 heeft het UWV geconcludeerd dat eiseres te weinig re-integratie-inspanningen heeft verricht.
3.1.
Met het primaire besluit van 24 februari 2023 heeft het UWV bepaald dat eiseres het loon moet doorbetalen tot 13 maart 2024. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.2.
Met het besluit van 17 mei 2023 heeft het UWV het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen gronden van bezwaar zijn ingediend. Op 20 juni 2023 heeft het UWV laten weten de bezwaarzaak te heropenen en inhoudelijk in behandeling te nemen.
Bestreden besluit
4. Met het bestreden besluit van 15 september 2023 heeft het UWV het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapportage van arbeidsdeskundige bezwaar & beroep (hierna: arbeidsdeskundige b&b) [arbeidsdeskundige b&b] van 10 augustus 2023 ten grondslag.
4.1.
In het bestreden besluit is verder aangegeven dat met de beslissing van 11 januari 2023 de wachttijd voor de WIA is opgeschoven naar 15 maart 2023. De loonsanctie is op 24 februari 2023 opgelegd, en daarmee voor het bereiken van het einde van de wachttijd.
Beroep
5. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat op 24 februari 2023 geen loonsanctie meer kon worden opgelegd. Volgens eisers is aan dit besluit tot oplegging van de loonsanctie geen schriftelijke mededeling of besluit voorafgegaan waarin is aangegeven dat, en met welke periode, het UWV het tijdvak waarin eiser jegens eiseres recht heeft op loon op grond van artikel 7:629, elfde lid, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit betekent dat er op 24 februari 2023 geen besluit meer tot het opleggen van de loonsanctie conform het bepaalde in artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA kon worden genomen. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden.
5.1.
Ter zitting hebben eisers verder betoogd dat de Arbodienst in de ‘Aangifte van langdurige ziekte in de 42e week’ (hierna: de 42-weeksmelding) uitgaat van de eerste ziektedag van 2 januari 2021. Dit heeft gevolgen voor de datum waarop de WIA-uitkering moest zijn aangevraagd en de vraag of een loonsanctie wel opgelegd kan worden.
Verder hebben eisers ter zitting aangegeven dat de loonsanctie medisch gezien ook niet opgelegd had mogen worden, aangezien eiser slechts over marginale mogelijkheden beschikte en inmiddels ook een WIA-uitkering ontvangt.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van toepassing zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
Eerste ziektedag
7. Ten aanzien van het standpunt van eisers dat de Arbodienst bij de 42-weeksmelding van 15 februari 2022 is uitgegaan van de datum van 2 januari 2021 als eerste ziektedag, overweegt de rechtbank dat uit het dossier onmiskenbaar blijkt dat eiser op 17 september 2019 betrokken is geweest bij een ongeval en zich vervolgens op 18 september 2019 ziek heeft gemeld. Dat is de eerste ziektedag. Overigens hebben eisers dit ter zitting ook erkend. Dat de door eiseres ingeschakelde Arbodienst bij de 42-weeksmelding een latere datum van ziekmelding heeft gehanteerd komt voor rekening en risico van eiseres. Het had immers op de weg van eiseres gelegen om de juiste datum van de eerste ziekmelding van eiser aan de Arbodienst door te geven. De stelling van eiseres dat door meerdere eigendomswisselingen binnen de organisatie destijds niet alle dingen even goed zijn opgepakt, doet daaraan niet af.
7.1.
Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank daarom uit van de eerste ziektedag van 18 september 2019.
Verlenging wachttijd
8. Indien een WIA-aanvraag niet tijdig wordt ingediend, wordt de duur van het tijdvak van 104 weken, waarin een werknemer recht heeft op loondoorbetaling, op grond van artikel 7:629, elfde lid, sub a, van het BW verlengd met de duur van de vertraging van de WIA-aanvraag.
8.1
Met het besluit van 11 januari 2023 is naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiseres medegedeeld dat de WIA-aanvraag van eiser uiterlijk op 30 juni 2021 ingediend had moeten zijn. De aanvraag is echter eerst op 28 december 2022 (volledig) ingediend. De aanvraag is hiermee 546 dagen te laat ingediend, hetgeen betekent dat de eventuele WIA-uitkering niet eerder kan ingaan dan 15 maart 2023. Omdat de aanvraag voor een WIA-uitkering te laat is ingediend, is de periode waarover eiseres het loon tijdens ziekte moet doorbetalen verlengd tot 15 maart 2023. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
8.2.
De loonsanctie is met het besluit van 24 februari 2023 opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De loonsanctie is aldus opgelegd vóór het bereiken van einde wachttijd van 15 maart 2023. Het betoog van eisers dat geen loonsanctie meer kon worden opgelegd, omdat aan het besluit tot oplegging van de loonsanctie geen schriftelijke mededeling of besluit is voorafgegaan waarin is aangegeven dat, en met welke periode, het UWV het tijdvak waarin eiser jegens eiseres recht heeft op loon op grond van artikel 7:629, elfde lid, sub a, van het BW, heeft verlengd, slaagt dan ook niet.
Heeft het UWV terecht een loonsanctie opgelegd?
9. Eisers hebben aangegeven dat eiser slechts over marginale mogelijkheden beschikt en uiteindelijk ook een WIA-uitkering heeft gekregen. Voor zover eisers hiermee betogen dat een voldoende bevredigend resultaat is bereikt dan wel dat eiseres voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat daarom geen loonsanctie opgelegd zou kunnen worden, overweegt de rechtbank het volgende.
9.1.
De beoordelingsperiode is 18 september 2019 (datum ziekmelding) tot 24 februari 2023 (datum primair besluit).
9.2.
Op grond van artikel 65 van Pro de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het UWV of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Deze beoordeling is gebaseerd op in ieder geval een arbeidskundig onderzoek. Als sprake is van medische vragen of onduidelijkheden vindt ook een onderzoek door een verzekeringsarts plaats.
In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter [1] (hierna: de Beleidsregels) is het toetsingskader voor het UWV opgenomen. Het UWV zal eerst moeten beoordelen of er sprake is van een bevredigend resultaat. Is er geen bevredigend resultaat dan zal het UWV moeten beoordelen of de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Is hiervan geen sprake en de werkgever heeft geen deugdelijke grond daarvoor, dan zal het UWV een loonsanctie opleggen.
Omdat het loonsanctiebesluit een voor de werkgever belastend besluit is, is het aan het UWV om aannemelijk te maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij te beoordelen of dit zonder deugdelijke grond is geschied. Het gaat bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen om de vraag of de werkgever daartoe in redelijkheid heeft kunnen komen. Daarbij is niet vereist dat het UWV concreet aangeeft welke stappen de werkgever moet ondernemen. Wel moet de door het UWV gegeven motivering zodanig concreet zijn dat het de werkgever op basis daarvan voldoende duidelijk kan zijn waaruit zijn tekortkoming bestaat. [2]
Is sprake van een bevredigend resultaat?
9.3.
Het UWV heeft het standpunt ingenomen dat de re-integratie-inspanningen niet tot een bevredigend resultaat hebben geleid.
De primaire arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 22 februari 2023 gesteld dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat. De werknemer werkt niet structureel in passend werk dat zo dicht mogelijk aansluit bij zijn resterende functionele mogelijkheden, terwijl er in passend werk met een structureel karakter ook niet tenminste 65% van het oude loon wordt verdiend. De werknemer werkt niet in werk met een structureel karakter. De primaire arbeidsdeskundige betrekt daarbij het actueel oordeel van 12 oktober 2022 waarin staat vermeld dat werknemer ondanks zijn medische beperkingen door wilskracht en angst voor het verlies van zijn functie is blijven doorwerken in zijn volledige uren in een deel van zijn werkzaamheden, namelijk alleen het kantoorgedeelte. In de loop van de dag neemt zijn concentratie en het verdelen van de aandacht af, na halverwege de middag is het eigenlijk grotendeels verdwenen, waardoor hij klussen naar de volgende dag moet doorschuiven.
Op vragen van de primaire arbeidsdeskundige heeft eiser geantwoord dat de werknemer nooit in de volle omvang zijn uren heeft gewerkt en ook niet zijn volledige werkzaamheden heeft verricht. Er wordt betwijfeld of de werkzaamheden duurzaam zijn.
De arbeidsdeskundige b&b heeft hierop aangevuld dat door het ontbreken van gericht onderzoek in de wachttijd niet duidelijk is of de werknemer tijdens de re-integratie in het eigen bedrijf passende werkzaamheden uitvoert die zo dicht mogelijk aansluiten bij zijn resterende functionele mogelijkheden. Een werkhervatting in volle omvang bleek niet succesvol. Daarom heeft de arbeidsdeskundige terecht ingezoomd op de re-integratie inspanningen.
De rechtbank volgt, gelet op het voorgaande het standpunt van het UWV dat geen sprake is geweest van een bevredigend resultaat.
Zijn de re-integratie-inspanningen voldoende geweest?
9.4.
Volgens de Beleidsregels moet bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en de werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Daarbij geldt als volgorde dat eerst wordt ingezet op hervatting in eigen werk (al dan niet aangepast), dan wel in een andere passende functie bij eiseres dan wel een andere passende functie bij een andere werkgever. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van het beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft. Van werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.
9.5.
De primaire arbeidsdeskundige acht de inspanningen van de werkgever onvoldoende. De werkgever heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de herplaatsingsmogelijkheden in eigen, aangepast of ander passend werk zijn dat zo dicht mogelijk aansluit bij de functionele mogelijkheden bij de eigen werkgever. De werkgever geeft daarbij aan de WIA-beoordeling af te wachten voordat de mogelijkheden in spoor 1 nader worden onderzocht. Er is niet adequaat opvolging gegeven aan de ontwikkelingen door middel van nader onderzoek. Er is niet tijdig een adequaat traject tweede spoor ingezet. Er is op geen enkel moment een traject tweede spoor opgestart.
De arbeidsdeskundige b&b stelt dat de bedrijfsarts op 10 maart 2021 heeft geadviseerd een arbeidsdeskundig onderzoek in te zetten. Dat advies is door de werkgever niet opgevolgd.
Een spoor 1 onderzoek had in een veel eerder stadium deel moeten uitmaken van de re-integratie-inspanningen. Op basis daarvan had een plan gemaakt moeten worden waarbij de vragen worden beantwoord of behoud in spoor 1 in het eigen werk realistisch is, of er aanpassingen noodzakelijk zijn en wat de invloed daarvan is op de loonwaarde. Wanneer structurele werkhervatting rond de eerstejaarsbeoordeling niet in te schatten was, had een tweede spoor overwogen moeten worden. Dat alles is niet terug te zien. Door de afwachtende houding zijn mogelijk kansen gemist tot deelname aan passende arbeid.
Gelet op het bovenstaande heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.
9.6.
De stelling van eiseres dat eiser inmiddels een WIA-uitkering heeft gekregen, wat betekent dat er slechts minimale mogelijkheden voor hem waren, impliceert niet dat geen loonsanctie meer zou kunnen worden opgelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [3] kan uit de toekenning van een WIA-uitkering aan een werknemer geen conclusie worden getrokken ter beantwoording van de vraag of een werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. De toekenning van een WIA-uitkering vindt achteraf plaats op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan die aan de orde zijn bij de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van de werkgever. Uit de WIA-toekenning van 28 juni 2024 blijkt overigens dat eiser 42,34% arbeidsongeschikt werd geacht. Dat sprake was van marginale mogelijkheden volgt hier niet uit en blijkt overigens ook niet uit het inzetbaarheidsprofiel van 10 maart 2022.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Vermunt, griffier, op 1 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Burgerlijk Wetboek
Artikel 7:629, eerste lid,
Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon (…)
Artikel 7:629, elfde lid,
Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in lid 1, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven;
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Artikel 25, negende lid,
Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en Pro de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt Pro dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het UWV het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde verplichtingen of re-integratie-inspanningen kan herstellen. De verlenging bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken. (…)
Artikel 25, elfde lid,
Verlenging van het tijdvak als bedoeld in het negende lid vindt niet plaats indien het UWV de beschikking omtrent de toepassing van het negende lid niet geeft voor de afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23, of indien toepassing is gegeven aan artikel 24 van Pro deze wet dan wel aan het artikel 629 lid Pro 11, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of artikel 76a, zesde lid, onderdeel a, van de Ziektewet, voor afloop van het verlengde tijdvak.
Artikel 65
De aanvraag voor een uitkering op grond van deze wet gaat vergezeld van een re-integratie-verslag als bedoeld in artikel 25, derde lid. De eerste zin is niet van toepassing voorzover artikel 26, eerste lid, toepassing vindt. Het UWV beoordeelt of de werkgever en de verzekerde […] in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.
Beleidsregels beoordelingskader poortwachter
Artikel 1
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 65 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 34a, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, het beoordelingskader zoals vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.
Bijlage
Voorafgaande aan de beoordeling van het recht op uitkering verricht het UWV eerst de poortwachterstoets. In dit kader beoordeelt het UWV allereerst of er voldoende re-integratieresultaat is bereikt, en als dat niet zo is of werkgever en werknemer samen gedurende de eerste twee jaar van ziekte voldoende inspanningen hebben verricht om de functionele mogelijkheden zo veel mogelijk te vergroten en de bestaande arbeidsmogelijkheden zo goed mogelijk te kunnen benutten in het eigen bedrijf of bij een ander bedrijf. Na een positief oordeel over de geleverde inspanningen wordt het recht op uitkering beoordeeld; na een negatief oordeel wordt de beoordeling van het recht op uitkering opgeschort en loopt de loondoorbetalingsplicht van de werkgever maximaal
52 weken door (loonsanctie) totdat de vereiste re-integratie-inspanningen hebben plaatsgevonden.
Er is sprake van een bevredigend resultaat wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is maar het UWV de inspanningen van de werkgever op basis van dit beoordelingskader wel voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een deugdelijke grond heeft.
Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.
De medische aspecten bij re-integratie betreffen de vaststelling van de mogelijkheden die de werknemer nog heeft ten aanzien van eigen werk en eventuele andere passende arbeid. Deze medische beoordeling dient als uitgangspunt voor de vaststelling van mogelijkheden om de belastbaarheid te vergroten (herstel) en van de re-integratie-inspanningen.
De bedrijfsarts begeleidt de werknemer tijdens ziekte, beoordeelt diens mogelijkheden om te functioneren en adviseert van daaruit over de re-integratie. Het UWV toetst aan het eind van de eerste twee ziektejaren of voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht en of het resultaat daarvan plausibel is, in aanmerking genomen de functionele mogelijkheden van de werknemer; zonodig wordt de verzekeringsarts daarbij ingeschakeld.
Het is de taak van de bedrijfsarts om de hiervoor geschetste medische beoordeling te verrichten en de werkgever en werknemer te ondersteunen en te adviseren ten behoeve van de verzuimbegeleiding en re-integratie. De bedrijfsarts verricht zijn beoordelende en begeleidende taak aan de hand van de voorgeschreven processtappen tijdens de ziekteperiode. De bedrijfsarts stelt bijvoorbeeld bij dreigende langdurige ziekte een probleemanalyse op en adviseert daarin werkgever en werknemer inzake mogelijke interventies en maatregelen. Voorts verantwoordt de bedrijfsarts het medische handelen en zijn actueel medische oordeel aan het eind van de eerste twee ziektejaren in het medische deel van het re-integratieverslag. Op basis hiervan is de verzekeringsarts in staat om zijn beoordeling van de medische aspecten in het kader van de poortwachterstoets en claimbeoordeling voor de Wet WIA te verrichten.

Voetnoten

1.Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1107.