Op 13 oktober 2025 vonden drie branden plaats in de gemeente 's-Hertogenbosch. Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk in brand steken van een bedrijfsbus en twee andere voertuigen. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor betrokkenheid van verdachte bij de eerste twee branden en sprak hem daarvan vrij.
Voor de derde brand, waarbij een bedrijfsbus, een geparkeerde auto en een bedrijfspand schade opliepen, achtte de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk brandstichting pleegde. Verdachte's verklaring dat de brand per ongeluk ontstond werd als ongeloofwaardig verworpen. Hoewel er bewoners in nabijgelegen woningen waren, was concreet gevaar voor hen niet vastgesteld, waardoor verdachte partieel werd vrijgesproken van levensgevaar.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op slachtoffers en de maatschappij, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking en verslavingsproblematiek. De straf werd vastgesteld op 240 dagen gevangenisstraf, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding. Vorderingen van benadeelden werden afgewezen wegens vrijspraak of onduidelijkheid over schade.