Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2645

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
BRE 25/4585
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 APVArt. 41 APVArt. 27 AlcoholwetArt. 28 AlcoholwetArt. 3 Alcoholwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling exploitatie- en alcoholvergunning voor horecabedrijf in gemengd binnenstadgebied

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester om een exploitatievergunning en alcoholwetvergunning te verlenen aan vergunninghoudster voor een horecabedrijf aan een locatie in Tilburg. De vergunningen zijn verleend voor het pand, maar het tuinterras is later herroepen na bezwaar. Eisers voeren aan dat het pand niet geschikt is voor feesten met versterkte muziek vanwege geluidsoverlast en dat de vergunningen in strijd zijn met het collegebesluit dat nieuwe horeca beperkt tot daghoreca.

De rechtbank overweegt dat het pand de bestemming 'horeca van categorie 2' heeft en dat de exploitatievergunning en alcoholwetvergunning voor het pand in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. De herroeping van de vergunningen voor het tuinterras is terecht. De burgemeester heeft de woon- en leefsituatie en openbare orde beoordeeld en geconcludeerd dat de overlast binnen aanvaardbare grenzen blijft, mede door genomen maatregelen van vergunninghoudster.

De rechtbank oordeelt dat eisers enige overlast moeten dulden gezien de gemengde functie van het gebied en dat het collegebesluit niet van toepassing is op bestaande horeca zoals deze locatie. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunningen voor het pand blijven in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van omwonenden tegen de vergunningen is ongegrond verklaard en de vergunningen voor het pand blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4585
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser 1]en
[eiser 2] ,uit [plaats] , eisers
en
de burgemeester van de gemeente Tilburg, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Aan de zaak neemt als derde-partij deel:
Cookaholics Stadsvilla B.V., uit Tilburg (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. M.D. Kaak).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghoudster verleende exploitatievergunning en alcoholwetvergunning. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de burgemeester de exploitatievergunning en alcoholwetvergunning op goede gronden aan vergunninghoudster heeft verleend.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de exploitatievergunning en alcoholwetvergunning op goede gronden aan vergunninghoudster heeft verleend, voor zover deze zien op het pand (de coure en de serre). Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaken. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Vergunninghoudster heeft een exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning aangevraagd. Met besluiten van 9 december 2024 heeft de burgemeester deze vergunningen verleend. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op de bezwaren van bezwaarmakers, waaronder eisers, heeft de burgemeester de verleende exploitatievergunning en alcoholwetvergunning herroepen voor zover deze betrekking hebben op het tuinterras. Voor het overige zijn de verleende vergunningen in stand gelaten.
2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer BRE 25/4406. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] .
In de zaak met zaaknummer BRE 25/4406 waren tevens derde-partijen [naam 3] en [naam 4] aanwezig.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Vergunninghoudster huurt een gedeelte van het pand en erf gelegen aan [adres] (hierna: de locatie) (onder meer bekend onder de namen ‘ [bedrijf 1] ’ en ‘ [bedrijf 2] ’). Vergunninghoudster exploiteert op de locatie een horecabedrijf. Zij organiseert onder andere borrels, pop-up restaurants, culinaire wandelingen en feestavonden (zowel bruiloften als zakelijke evenementen), op donderdag van 17:00 tot 01:00 uur en op vrijdag tot en met zondag van 09:00 tot 02:00 uur.
3.1. Op 28 augustus 2024 heeft vergunninghoudster een exploitatievergunning en een alcoholwetvergunning aangevraagd voor de locatie.
3.2. Met de besluiten van 9 december 2024 (primaire besluiten) heeft de burgemeester de exploitatievergunning en de alcoholwetvergunning verleend voor de volgende lokaliteiten en terrassen:
  • Coure 110 m2
  • Serre 91 m2
  • Tuinterras eigen terrein 100 m2
Aan de exploitatievergunning zijn (onder meer) de volgende voorschriften verbonden:
  • De wijze van exploitatie mag de openbare orde en veiligheid niet nadelig beïnvloeden.
  • De ondernemer en leidinggevenden / beheerders moeten alles in het werk stellen om de overlast voor de omgeving te voorkomen.
  • De leidinggevenden / beheerders zijn verplicht personen die overlast veroorzaken daarop aan te spreken en zo nodig de politie te waarschuwen.
3.3. Eisers en twee andere omwonenden hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
3.3. Op 3 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de commissie voor de bezwaarschriften (de commissie). Na afloop van de hoorzitting zijn nog aanvullende vragen gesteld aan partijen.
3.4. In een advies van 15 juli 2025 heeft de commissie de burgemeester geadviseerd om de bezwaren van bezwaarmakers deels gegrond te verklaren met dien verstande dat in heroverweging de besluiten worden herroepen voor zover deze betrekking hebben op het tuinterras. Voor het overige wordt geadviseerd de besluiten onder aanvulling van de motivering in stand te laten.
3.5. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 heeft de burgemeester de bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard. De burgemeester herroept de exploitatievergunning en de alcoholwetvergunning voor zover deze betrekking hebben op het tuinterras. Voor het overige blijven de primaire besluiten, onder aanvulling van de motivering, in stand.
3.6. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover daarin is besloten dat de verleende exploitatievergunning en alcoholwetvergunning voor het pand op de locatie in stand kunnen blijven.
3.7. Vergunninghoudster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover daarin is besloten dat de verleende exploitatievergunning en alcoholwetvergunning voor het tuinterras worden herroepen en alsnog worden geweigerd (BRE 25/4406).
Beroepsgronden
4. Eisers stellen dat het pand niet geschikt is voor feesten en partijen met elektrisch versterkte muziek, omdat er geen adequate geluidsisolatie is. Ook gaat het komen en vertrekken van gasten volgens eisers gepaard met veel geluidsoverlast.
4.1. Eisers voeren aan dat de burgemeester ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat het bewonersaantal van de buurt de afgelopen jaren flink is gegroeid, doordat er veel appartementen en een opvanglocatie voor statushouders en vluchtelingen uit Oekraïne bij zijn gekomen.
4.2. Eisers stellen tot slot dat sprake is van nieuwe horeca, zodat de verleende vergunningen in strijd zijn met het collegebesluit van 23 januari 2018, op grond waarvan er in deze buurt (“het Dwaalgebied”) alleen nog dag horeca – met sluiting om 23:00 uur – bij mag komen. Het verlenen van deze vergunningen is gelet daarop volgens eisers onredelijk.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [1] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel [adres] was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Binnenstad 2010” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg. Volgens het bestemmingsplan “Binnenstad 2010” geldt op het perceel de bestemming ‘gemengd-binnenstad’, met de functieaanduidingen ‘horeca van categorie 2’ voor het pand en ‘erf’ voor de rest van het perceel.
Op grond van artikel 7.1.2, onder a van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding horeca van de categorie 1 of 2 de gronden mede daartoe bestemd.
Op grond van artikel 1.68 wordt tot horeca van de categorie 2 gerekend: dezelfde horecagelegenheden als onder horeca van de categorie 1, maar dan met een netto vloeroppervlak (n.v.o.) van 150 m2 tot maximaal 500 m2 n.v.o, alsmede partycentra tot maximaal 500 m2 n.v.o.
Op grond van artikel 1.67 wordt tot horeca van de categorie 1 gerekend: (eet)café, restaurant, brasserie, lunchroom, cafetaria, snackbar e.d. met een netto vloeroppervlak (n.v.o.) van ten hoogste 150 m2. Tevens worden tot horeca van de categorie 1 gerekend winkelondersteunende (d.w.z. op winkelend publiek gerichte) horecavoorzieningen die een onderdeel uitmaken van winkelwarenhuizen of inpandig gesitueerd zijn in besloten winkelpassages en waarvoor de winkelsluitingstijden worden aangehouden.
Op grond van artikel 38, eerste lid van de APV is het een exploitant verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
Artikel 41, eerste lid van de APV bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 kan Pro weigeren indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan.
Zijn de exploitatievergunning en de alcoholwetvergunning voor het pand (de coure en de serre) in strijd met het omgevingsplan?
6. Vast staat dat het pand op de locatie de functieaanduiding ‘horeca van categorie 2’ heeft. Ter zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat het verlenen van een exploitatievergunning voor het pand (de coure en de serre) in overeenstemming is met de planregels, zodat de exploitatievergunning voor het pand in zoverre kon worden verleend.
6.1. Evenmin is in geschil dat voor het pand geen weigeringsgronden zoals bedoeld in artikel 27 van Pro de Alcoholwet van toepassing zijn, zodat de alcoholwetvergunning voor het pand in zoverre ook kon worden verleend.
6.2. De verleende exploitatievergunning en alcoholwetvergunning voor het tuinterras zijn naar het oordeel van de rechtbank wel in strijd met het omgevingsplan, zodat de burgemeester deze in het bestreden besluit terecht heeft herroepen. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de uitspraak in de zaak met zaaknummer BRE 25/4406.
Wordt de woon- en leefsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloed?
7. De rechtbank begrijpt dat eisers een beroep doen op artikel 41, tweede lid van de APV. Op grond van dat artikel kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel Pro of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Op grond van het derde lid houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.
7.1. Eisers hebben ter zitting nogmaals benadrukt dat zij al vele jaren ernstige geluidsoverlast ervaren als gevolg van de activiteiten die op de locatie worden georganiseerd.
7.2. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een situatie waarin aangenomen moet worden dat de woon- en leefsituatie op dusdanig nadelige wijze wordt beïnvloed dat de vergunning had moeten worden geweigerd. De burgemeester heeft daarbij betrokken dat er niet eerder een vergunning van vergunninghoudster is ingetrokken of geweigerd wegens overlast. Ook heeft de burgemeester betrokken dat op 5 augustus 2016 een last onder dwangsom is opgelegd aan de toenmalige exploitant omdat geluidsnormen werden overschreden en dat deze last onder dwangsom op 15 januari 2019 weer is ingetrokken omdat er meer dan twee jaar geen dwangsommen waren verbeurd. De burgemeester leidt hieruit af dat exploitatie van een horeca-inrichting op deze locatie binnen de geldende geluidsnormen wel mogelijk is. Verder heeft de burgemeester overwogen dat in het pand al tientallen jaren opeenvolgende horeca-inrichtingen worden geëxploiteerd. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is volgens de burgemeester dus rekening gehouden met de ruimtelijke belangen van omwonenden en de impact die de vestiging van een horecabedrijf van categorie 2 op die plek heeft. Het pand is gelegen aan de rand van het zogenaamde Dwaalgebied, een gemengd gebied waar wonen een belangrijke functie is, maar waar ook ruimte is voor andere functies, zoals horeca, winkelen en werken. Enige mate van levendigheid (en daarmee enige mate van overlast) is in dit gebied volgens de burgemeester gewoon en acceptabel. Dat er in de directe omgeving een groot aantal woningen en panden met andere functies aanwezig zijn draagt bij aan de wenselijke functiemix in het Dwaalgebied. Ook de aanwezigheid van een horeca-inrichting draagt daaraan bij. De burgemeester acht verder van belang dat de horeca-inrichting van vergunninghoudster wordt geëxploiteerd van donderdag tot en met zondag en dat het gaat om normale horeca-activiteiten. Daarbij heeft vergunninghoudster aangegeven diverse maatregelen te hebben genomen (en in de toekomst nog wil nemen) om de overlast voor omwonenden tegen te gaan. De overlast (onder andere van vertrekkende bezoekers) moet op grond van de voorschriften bij de exploitatievergunning zoveel mogelijk worden voorkomen door vergunninghoudster. Volgens de burgemeester is het komen en gaan van bezoekers echter inherent aan het toestaan van horeca van categorie 2 op deze locatie, zodat enige vorm van overlast hierdoor moet worden aanvaard.
7.3. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat in het pand horeca van categorie 2 is toegestaan. Eisers wonen in de binnenstad van Tilburg, in een gemengd gebied, waar naast wonen ook andere functies zijn toegestaan. Enige mate van overlast zullen zij gelet daarop moeten dulden. De rechtbank merkt op dat de voorgeschiedenis en wijze van exploiteren door eerdere exploitanten niet zonder meer een reden kunnen vormen om de vergunningen te weigeren. Gelet op alle omstandigheden die de burgemeester bij zijn beoordeling heeft betrokken, is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat niet is gebleken dat sprake is van een situatie waarin de woon- en leefsituatie van eisers op dusdanig nadelige wijze wordt beïnvloed dat de vergunning had moeten worden geweigerd. Overlast dient op grond van de voorschriften bij de exploitatievergunning zoveel mogelijk te worden voorkomen. Vergunninghoudster heeft ook al diverse maatregelen genomen om de overlast te beperken. Als eisers menen dat desalniettemin sprake is van een overtreding van wettelijke voorschriften en/of voorschriften uit de vergunning dan dienen zij dat bij de burgemeester te melden en kan handhavend worden opgetreden.
Is sprake van nieuwe horeca?
8. In een collegebesluit van 23 januari 2018 (hierna: het collegebesluit) heeft het college het besluit genomen om in het Dwaalgebied (en het kernwinkelgebied) slechts vestiging van nieuwe dag horeca, met openingstijden tussen 07:00u en 23:00u, toe te staan.
8.1. Eisers stellen dat hier sprake is van nieuwe horeca, zodat de verleende vergunningen in strijd zijn met het collegebesluit.
8.2. De burgemeester stelt dat geen sprake is van nieuwe horeca, omdat het gaat om een reeds lange tijd bestaand horecapand waar doorlopend een exploitatievergunning van kracht is geweest. Hij wijst daarbij op de bijlage bij het collegebesluit “Overzicht van horeca in het Dwaalgebied en de directe omgeving”, waarin het perceel aan de [adres] wordt genoemd.
8.3. De rechtbank overweegt dat vergunninghoudster weliswaar een nieuwe horecaondernemer is op deze locatie, maar dat van nieuwe horeca zoals bedoeld in het collegebesluit geen sprake is. Vast staat namelijk dat het pand op grond van het bestemmingsplan uit 2010 de functieaanduiding horeca van categorie 2 heeft en dat er altijd exploitatievergunningen van kracht zijn geweest voor het pand. Dat mogelijk niet altijd gebruik werd gemaakt van die vergunningen, zoals eisers hebben aangevoerd, doet daar niet aan af. De bedoeling van het collegebesluit was dat er voor bestaande horeca niets zou veranderen. Uit het overzicht in de bijlage bij het collegebesluit volgt dat het pand aan de [adres] als bestaande horeca is aangemerkt. De rechtbank volgt eisers dus niet in hun stelling dat de burgemeester alleen dag horeca had mogen toestaan op deze locatie.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat het beroep van eisers ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 31 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene Plaatselijke Verordening Tilburg (APV)

Artikel 38, eerste lid van de APV bepaalt dat het de exploitant is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren.
Artikel 41, eerste lid van de APV bepaalt dat de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 kan Pro weigeren indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met het omgevingsplan.
Op grond van artikel 41, tweede lid van de APV kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 38 geheel Pro of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of zal worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.
Op grond van het derde lid houdt de burgemeester bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse blootstaat of zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

Bestemmingsplan “Binnenstad 2010” (tijdelijk deel van het omgevingsplan)

Artikel 7 Gemengd Pro-Binnenstad
7.1
Bestemmingsomschrijving
(…)
7.1.2
Aanduidingen
a. Ter plaatse van de aanduiding horeca van de categorie 1 of 2 en zoals nader beschreven in
Bijlage 3 Register horecabedrijven binnen het plangebied´ zijn de voor ´Gemengd-Binnenstad´ aangewezen gronden mede bestemd voor de daarbij weergegeven functie(s);
(…)

Alcoholwet

Op grond van artikel 3, eerste lid van de Alcoholwet is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van de burgemeester het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.
Artikel 28 bepaalt Pro dat een vergunning wordt verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde Pro weigeringsgronden aanwezig is.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.