Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2610

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 april 2026
Zaaknummer
C/02/419513 / FA RK 24-878
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorgregeling uitbreiding contact man met minderjarigen onder regie hulpverlening

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de man tot uitbreiding van de voorlopige zorgregeling met betrekking tot contact met zijn drie minderjarige kinderen. Eerder was vastgesteld dat het contact eens per maand vier uur duurde, deels begeleid. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde om stapsgewijs uit te breiden naar een dag per maand deels onbegeleid contact, onder regie van de hulpverlening.

De rechtbank constateerde dat het contact de afgelopen periode onvoldoende structureel was en dat de verhuizing van de vrouw naar een andere plaats het contact bemoeilijkte. De vrouw was niet verschenen bij de zitting en had zich niet uitgelaten over de uitbreiding, maar uit het rapport bleek dat zij openstond voor uitbreiding met begeleiding.

De rechtbank besloot de voorlopige zorgregeling uit te breiden conform het advies van de Raad, waarbij de casusregisseur een actieve rol krijgt in het opstellen van een plan met vaste data en locaties. De definitieve beslissing wordt aangehouden tot een volgende zitting, waarbij de Raad wordt verzocht een verslag en advies uit te brengen. De beschikking is direct uitvoerbaar vanwege het belang van de minderjarigen.

Uitkomst: De rechtbank breidt de voorlopige zorgregeling uit naar een dag per maand deels onbegeleid contact onder regie van de hulpverlening, met behoud van continuïteit en het belang van de minderjarigen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/419513 / FA RK 24-878
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Nadere beschikking over een zorgregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2012,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 3] 2015,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1.Het (nadere) procesverloop

1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
  • de tussenbeschikking van deze rechtbank van 30 mei 2025 en alle daarin genoemde stukken;
  • het rapport van de Raad van 19 november 2025 met bijlagen, ingekomen bij de rechtbank op 19 november 2025;
  • het op 2 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Kalle;
  • het op 10 februari 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Kalle met bijlage.
1.2
De nadere mondelinge behandeling was aanvankelijk gepland op 13 februari 2026. Deze zitting heeft – ondanks het daartoe gemaakte bezwaar door mr. Kalle – geen doorgang gevonden vanwege ziekte van de vrouw.
1.3
De verzoeken zijn vervolgens nader mondeling behandeld op 25 februari 2026. Bij die behandeling zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en een vertegenwoordigster van de Raad.
1.4
Voorafgaand aan voormelde zitting heeft de vrouw de rechtbank opnieuw gevraagd om de zitting te verplaatsen. Hiertegen is door mr. Kalle opnieuw bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens besloten dat de zitting doorgang zal vinden. Wel heeft de rechtbank de vrouw in de gelegenheid gesteld om digitaal aan te sluiten bij de mondelinge behandeling. De vrouw is – hoewel zij daartoe correct was opgeroepen – niet (digitaal) verschenen.
1.5
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn, per brief van 18 februari 2026, welke tevens per e-mail is verzonden op het bij de rechtbank bekende mailadres van de vrouw, uitgenodigd om te zeggen wat zij van het verzoek vinden. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2.De (nadere) beoordeling

2.1
Bij beschikking van 30 mei 2025 heeft de rechtbank, onder aanhouding van de verzoeken van de man, een voorlopige zorgregeling vastgesteld, conform de regeling die partijen uitvoerden en waarover tussen hen overeenstemming bestond. Deze regeling houdt in dat er contact is tussen de man en de minderjarigen eens per maand voor de duur van vier uur, waarbij het eerste en laatste uur onder begeleiding plaatsvindt. De door de man verzochte voorlopige uitbreiding van het contact was op dat moment nog te vroeg en er diende eerst een overleg plaats te vinden met beide ouders en de hulpverlening. De situatie tussen partijen was fragiel en continuïteit van de contacten was voor de minderjarigen belangrijker dan de snelheid van de opbouw met het risico op afbreuk van dit contact. De rechtbank heeft toen tevens bepaald dat de beslissing over de uitbreiding van de zorgregeling door de betrokken casusregisseur, in overleg met de ouders, genomen wordt.
2.2
Uit het rapport van de Raad van 19 november 2025 blijkt dat de minderjarigen de man sinds juli 2025 niet meer hebben gezien, hetgeen onzekerheid en verwarring kan oproepen bij de minderjarigen. Het is de ouders niet gelukt om een plan te maken met betrekking tot de overdracht na de verhuizing van de vrouw en om het contact in de tussentijd te continueren. Wel is er inmiddels een organisatie gevonden die het contact tussen de man en de minderjarigen kan begeleiden, wat maakt dat er perspectief is op herstel van het contact. Daarnaast is het gebleken dat [hulpverlening 2] positief is over de laatste begeleide contactmomenten. Verder hebben de ouders een beweging naar elkaar gemaakt, nu het hen zelfstandig is gelukt om een belmoment voor de minderjarigen te creëren. De ouders lijken bereid om met elkaar in overleg te gaan over de minderjarigen. Beide ouders zijn van mening dat het contact hervat moet worden en hopen dat er in de toekomst ruimte is voor een uitbreiding. Daarbij stelt de Raad rust, continuïteit en voorspelbaarheid als voorliggend doel. De Raad adviseert, alles overwegend, dat de contactregeling van vier uur per maand (deels) onder begeleiding moet worden gehandhaafd. De Raad is ook van mening dat er toegewerkt dient te worden naar een dag per maand (deels) onbegeleid contact, onder regie van de hulpverlening in het vrijwillige kader. Het staat de ouders vrij om in overleg met de hulpverlening verder uit te breiden en/of ook een belmoment vast te leggen.
2.3
Aan de rechtbank ligt thans ter beoordeling nog voor de verzoeken van de man om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
  • een zorgregeling wordt vastgesteld, waarbij de minderjarigen gedurende één weekend per veertien dagen bij de man zullen verblijven van vrijdag 17:30 uur tot zondag 17:30 uur, waarbij de minderjarigen bij de man zullen eten en hij de minderjarigen bij de vrouw zal ophalen en zal terugbrengen;
  • de minderjarigen in de meivakantie één week en in de zomervakantie minimaal twee aaneengesloten weken bij de man verblijven en de zorg tijdens de overige vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen wordt verdeeld.
2.4
Tijdens de nadere zitting is door en namens de man verzocht om de zorgregeling voorlopig uit te breiden naar één dag per vier weken van 10:00 uur tot 18:00 uur, waarbij de nadere invulling van het contact bij de hulpverlening blijft gelegen. De definitieve beslissing van de rechtbank ten aanzien van het verzoek van de man kan worden aangehouden. De afgelopen periode is er opnieuw weinig gebeurd en heeft het contact niet structureel plaatsgevonden. De verhuizing van de vrouw met de minderjarigen naar [plaats 1] heeft voor vertraging gezorgd en de vrouw lijkt het contact tegen te houden. Ook de beeldbelmomenten verlopen niet structureel en de man heeft het gevoel dat de minderjarigen niet vrijuit kunnen praten vanwege de aanwezigheid van de vrouw. De man vindt het daarom belangrijk dat er middels een tussenbeschikking richting wordt gegeven aan de hulpverlening, waarbij er bijvoorbeeld wordt opgenomen dat na twee omgangsmomenten van vier uur wordt uitgebreid naar een dag. De hulpverlening kan dan de komende periode beoordelen waar dit contact moet plaatsvinden. In [plaats 1] zal de begeleiding bij [hulpverlening 1] blijven. Wanneer het contact in [plaats 1] moet plaatsvinden vindt de man het belangrijk dat dit niet op een afgelegen plek is gelegen. Dit heeft er eerder toe geleid dat de man geen volgend contactmoment heeft willen inplannen. In [plaats 2] of in [plaats 3] kan [hulpverlening 2] het contact begeleiden. De man is daarbij bereid om de minderjarigen op zijn kosten op te halen en terug te brengen. Bij het halen en brengen van de minderjarigen zal dan geen begeleiding aanwezig zijn. Dit is naar de mening van de man geen probleem nu het contact met de minderjarigen goed verloopt.
2.5
De Raad adviseert tijdens de zitting om een voorlopige zorgregeling vast te leggen, waarbij onder regie van de hulpverlening wordt toegewerkt naar uitbreiding van het (deels onbegeleide) contact naar één dag per maand. Daarbij zou een tussenstap kunnen zijn gelegen in contactmomenten van zes uur in plaats van vier uur. Het is belangrijk dat het contact op een zorgvuldige wijze wordt opgebouwd. Het contact tussen de man en de minderjarigen verloopt goed, maar er is bij de minderjarigen ruimte nodig om te wennen aan het contact. Er is immers in het verleden veel gebeurd. Het gebrek aan continuïteit in het contact baart de Raad nog altijd zorgen. De Raad vindt het belangrijk dat er met partijen en de hulpverlening wordt gekomen tot een gedegen plan ten aanzien van het contact, waarbij voor een langere periode wordt vastgelegd wanneer en op welke locatie(s) het contact zal plaatsvinden. Daarbij verwacht de Raad een actievere rol van de casusregisseur. Wanneer het contact kan plaatsvinden in de regio [plaats 2] , zal er vooraf ook zicht moeten worden verkregen op de thuissituatie van de man, gelet op de eerdere zorgen van de Raad.
2.6
Nu de vrouw (opnieuw) niet is verschenen, heeft de vrouw zich tegenover de rechtbank niet uitgelaten over de wens van de man om de voorlopige zorgregeling verder uit te breiden. Uit het raadsrapport volgt wel dat de vrouw ervoor openstaat dat het contact zal worden uitgebreid, voor zover er begeleiding aanwezig is bij het eerste en laatste moment van het contact.
2.7
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken volgt dat het partijen de afgelopen periode niet is gelukt om de zorgregeling adequaat en consequent na te komen. De contactmomenten hebben verschillende malen geen doorgang gevonden en ook de onderling overeengekomen belmomenten worden niet altijd nagekomen. Dit baart de rechtbank zorgen en hier dient in het belang van de minderjarigen verandering in te komen. Uit de (deels) begeleide contacten tussen de man en de minderjarigen blijken geen contra-indicaties voor de uitbreiding van dit contact. De hulpverlening ziet dat het contact tussen de man en de minderjarigen goed verloopt en de band tussen de minderjarigen kan dan ook verder worden opgebouwd. Hier lijken alle partijen het (in ieder geval op het moment dat de Raad hiertoe het schriftelijke advies uitbracht) over eens te zijn. De geadviseerde uitbreiding is naar het oordeel van de rechtbank dan ook in het belang van de minderjarigen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de voorlopige zorgregeling de komende periode onder regie van de casusregisseur stapsgewijs verder zal worden uitgebreid, overeenkomstig het advies van de Raad, naar één dag per maand (deels) onbegeleid. Bij de stapsgewijze uitbreiding dient te allen tijde het belang van de minderjarigen voorop te staan. De rechtbank vindt het belangrijk dat het contact nog plaatsvindt op de wijze zoals reeds in de eerdere tussenbeschikking van de rechtbank is bepaald. Vervolgens kan het contact, overeenkomstig het advies van de Raad tijdens de zitting, worden uitgebreid naar éénmaal per maand voor de duur van zes uur (deels) onbegeleid. Wanneer dit goed is verlopen, kan het contact verder worden uitgebreid naar een gehele dag, van bijvoorbeeld 10:00 uur tot 18:00 uur, zoals namens de man is voorgesteld.
2.8
De definitieve beslissing op de verzoeken van de man zal de rechtbank aanhouden tot de hierna vermelde mondelinge behandeling op [datum] 2026. De komende periode vindt de rechtbank het opnieuw van groot belang dat er continuïteit ontstaat in het contact tussen de man en de minderjarigen. Hierin wordt zowel van de man als van de vrouw de nodige inzet en flexibiliteit verwacht. Om dit vorm te geven verwacht de rechtbank dat de casusregisseur actief met partijen in gesprek zal gaan om te komen tot een gedegen plan voor de komende zes maanden. Het is daarbij belangrijk dat voor een langere periode data en locaties worden overeengekomen en dat partijen zich daar dan ook in het belang van de minderjarigen aan houden. De rechtbank gaat ervan uit dat de Raad, zoals tijdens de zitting is toegezegd, naar aanleiding van de beschikking contact op zal nemen met de casusregisseur om de inhoud daarvan te bespreken, zodat voor alle betrokkenen duidelijk is wat er de komende periode wordt verwacht.
2.9
De rechtbank verzoekt de Raad om uiterlijk twee weken voorafgaand aan de hierna te noemen zittingsdatum verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken en de rechtbank te adviseren ten aanzien van de definitieve beslissing ten aanzien van de verzoeken van de man. Indien de vrouw zich wil laten bijstaan in deze procedure, ligt het op haar weg om de hierna te melden zittingsdatum tijdig aan haar advocaat kenbaar te maken, zodat de advocaat kan bezien of hij of zijn beschikbaar is.
2.1
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat deze beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
bepaalt dat de man en de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, recht hebben op contact met elkaar één keer per maand voor de duur van vier uur, waarbij het eerste en het laatste uur van het bezoek wordt begeleid, waarbij er, onder regie van de casusregisseur en overeenkomstig hetgeen onder r.o. 2.6 is overwogen, zal worden toegewerkt naar één dag per maand (deels) onbegeleid contact;
3.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot de nadere mondelinge behandeling van mr. I. Dijkman van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan de Kousteensedijk 2 te Middelburg, op
[datum] 2026 om [uur], in afwachting van de nadere berichtgeving van de Raad;
3.4
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, om de rechtbank twee weken voorafgaand aan voormelde zittingsdatum te informeren overeenkomstig hetgeen onder r.o. 2.10 is overwogen en daarover te adviseren, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de vrouw en de (advocaat van de) man;
3.5
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor voormelde mondelinge behandeling voor de man en zijn advocaat, de vrouw en de Raad;
3.6
verzoekt de griffier om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit te nodigen voor een apart gesprek met de kinderrechter;
3.7
houdt iedere verdere beslissing op het verzoek aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026 in aanwezigheid van mr. Palings, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.