Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2602

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 april 2026
Zaaknummer
C/02/445418 / JE RK 26-330
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Toekoen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging spoed- en reguliere machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van een spoedmachtiging en een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2024, die momenteel onder toezicht staat en geplaatst is in een crisispleeggezin.

De GI baseert haar verzoek op zorgen over de veiligheid van de minderjarige, met name na een incident waarbij de vader de minderjarige zonder toestemming en in strijd met veiligheidsafspraken heeft meegenomen. De moeder had de vader echter gevraagd de minderjarige op te halen, waarna de vader contact met haar blokkeerde. De GI stelt dat de moeder onvoldoende in staat is om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen en pleit voor plaatsing in een moeder-kindhuis.

De moeder erkent de noodzaak van de initiële spoedmachtiging maar verzet zich tegen verlenging vanwege het belang van het hechtingsproces. Zij stelt dat zij nu een stabiele situatie heeft en de veiligheid kan garanderen. De vader ontkent onveilige situaties en wijst op zijn eigen netwerk en begeleiding. De kinderrechter oordeelt dat de spoedmachtiging geldig blijft tot 11 maart 2026, maar dat er geen nieuwe feiten zijn die verlenging rechtvaardigen. De wettelijke vereisten voor uithuisplaatsing zijn niet langer aanwezig, zodat het verzoek wordt afgewezen en de minderjarige uiterlijk 10 maart 2026 terugkeert naar de moeder.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging spoed- en reguliere machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen; minderjarige keert uiterlijk 10 maart 2026 terug naar moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/445418 / JE RK 26-330
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een spoed- en reguliere machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
advocaat mr. S. Koçak.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
  • de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 februari 2026 en de daarin vermelde stukken;
  • de op 4 maart 2026 van de advocaat van de vader ontvangen producties.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder en haar advocaat;
  • de vader en zijn advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar moeder. Op dit moment is zij op grond van de in rechtsoverweging 2.4. genoemde machtiging geplaatst in een crisispleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 12 december 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 december 2025 tot 12 december 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee weken, te weten met ingang van 25 februari 2026 tot 11 maart 2026.

3.Het (resterende) verzoek

3.1.
In de eerste plaats ligt ter beoordeling voor of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat de spoedbeslissing van 25 februari 2026 dient te worden herroepen.
3.2.
Daarnaast ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de GI om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de nog resterende duur van twee weken, te rekenen vanaf 11 maart 2026 en aansluitend in een pleeggezin voor de duur van een maand en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.Het standpunt van de GI

4.1.
Ter toelichting op haar verzoek en actuele standpunt is namens de GI het navolgende aangevoerd. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder. [minderjarige] is nu zestien maanden oud. Gelet op deze zeer jonge leeftijd is zij volledig afhankelijk van de verzorgende ouder voor stabiele en veilige zorg. De vader heeft uitsluitend recht op begeleid contact met haar. Dit betekent dat hij haar niet onbegeleid mag meenemen. Er zijn inmiddels grote zorgen ontstaan over de veiligheid van [minderjarige] . Dit omdat de vader in de week voorafgaand aan 25 februari 2026 haar onverwacht en zonder toestemming heeft opgehaald bij het kinderdagverblijf. De GI heeft naar aanleiding daarvan opnieuw expliciete veiligheidsafspraken gemaakt met de moeder, weer luidende dat de vader [minderjarige] niet zonder begeleiding mag meenemen en dat er sprake blijft van begeleid contact.
4.2.
Het op 25 februari 2026 meenemen van [minderjarige] door de vader is gebeurd op verzoek van de moeder. Op 24 februari 2026 heeft de moeder immers, ondanks de duidelijke veiligheidsafspraken, de vader verzocht [minderjarige] op te halen bij het kinderdagverblijf. Na het ophalen van [minderjarige] heeft de vader de moeder geblokkeerd op zijn telefoon en weigerde hij kenbaar te maken waar [minderjarige] verbleef, waardoor er op dat moment geen zicht was op haar verblijf en veiligheid. Tijdens een daaropvolgend telefonisch contact met de jeugdbeschermer maakte de vader kenbaar dat hij [minderjarige] niet zou terugbrengen naar de moeder. De vader gaf tevens aan niet te weten hoe hij de zorg voor [minderjarige] moest organiseren, omdat hij op dat moment moest werken. De vader liet in het gesprek tevens blijken dat hij uitgesproken traditionele opvattingen heeft over gezinsverhoudingen en over de rolverdeling tussen man en vrouw. De GI zag in deze situatie aanleiding tot het indienen van een spoedverzoek, omdat [minderjarige] in haar opvatting op dat moment niet alleen bij de vader maar ook bij de moeder onvoldoende veilig was en het daarom op dat moment in het belang van haar verzorging en opvoeding dringend en onverwijld noodzakelijk was om haar met spoed uit huis te plaatsen. Op 25 februari 2026 was nog niet bekend waar [minderjarige] verbleef. Daarom is op die dag het spoedverzoek gedaan. De kinderrechter heeft vervolgens bij beschikking van dezelfde dag een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van twee weken. Vervolgens is [minderjarige] geplaatst in een crisispleeggezin op een geheime locatie.
4.3.
De GI hanteert als uitgangspunt dat het in het belang van [minderjarige] en van haar verdere ontwikkeling is dat zij in een rustige, stabiele en veilige zorg- en opvoedomgeving kan opgroeien. Het ontbreekt haar op dit moment aan deze stabiliteit en veiligheid, in de eerste plaats wegens de voortdurende escalaties tussen de ouders. Daarnaast speelt met name een rol dat [minderjarige] op 24 februari 2026 in een onveilige situatie is gebracht nadat, in strijd met de gemaakte veiligheidsafspraken, de vader haar heeft meegenomen, hij vervolgens elk contact heeft geblokkeerd en de moeder aan de vader bleek te hebben gevraagd om [minderjarige] op te halen.
4.4.
Op grond van de actuele omstandigheden, zoals hiervóór toegelicht, handhaaft de GI haar verzoek. De GI acht het voor [minderjarige] primair van belang dat zij met de moeder op een veilige plek kan verblijven, waarbij wordt gedacht aan een moeder-kindhuis. Hierover wil de GI zo snel mogelijk met de moeder in gesprek. Er dient vanuit de plaatsing in het moeder-kindhuis te worden gewerkt aan de vergroting van de weerbaarheid van de moeder. Dit omdat de moeder onvoldoende in staat is gebleken om [minderjarige] te beschermen tegen het dwingende en onvoorspelbare gedrag van de vader. In afwachting van de moeder-kind huisplaatsing zal er contact tussen [minderjarige] en de moeder worden gerealiseerd met een frequentie van éénmaal per week op een neutrale locatie in aanwezigheid van de grootouders, moederszijde.

5.De standpunten van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zij begrijpt de noodzaak van het verlenen van een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken. De moeder zag zich op 24 februari 2026 geconfronteerd met de situatie dat zij door de vader onder druk werd geplaatst en zij op dat moment niet anders kon, ook om de goede vrede te bewaren, dan erin meegaan dat [minderjarige] door de vader werd opgehaald bij het kinderdagverblijf. De moeder is zich bewust van haar kwetsbaarheid, ook beseft zij dat het voorval waarbij [minderjarige] in een onveilige situatie is geraakt, nooit meer mag voorkomen. Echter staat daar tegenover dat zij op dit moment een zeer stabiel leven heeft. Zij heeft een eigen woning en zij werkt als automonteur bij een werkgever die flexibel is. Daarnaast weet zij zich omringd door personen in haar netwerk, waaronder haar ouders, die zich oprecht bekommeren om haar welzijn en dat van [minderjarige] . Er kan daarom op worden vertrouwd dat de moeder zich nu voldoende staande weet te houden en zij ook in staat is om de veiligheid van [minderjarige] in alle opzichten te waarborgen.
5.1.
De moeder is zich absoluut bewust van de afhankelijkheid van [minderjarige] , gezien haar zeer jonge leeftijd, van haar als verzorgende ouder. Zij is daarom vastbesloten om in het vervolg de aan haar door de GI gegeven instructies, adviezen en veiligheidsafspraken in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling consequent op te volgen en in geen geval meer te zullen toegeven aan druk, zodra die door opnieuw door de vader op haar mocht worden uitgeoefend. Verder begrijpt de moeder dat de GI momenteel de mogelijkheden onderzoekt om een moeder-kind plaatsing te realiseren, zij heeft zich daarin inmiddels al verdiept. Echter kan zij niet achter het verzoek staan tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de nog resterende duur van twee weken en aansluitend regulier voor de duur van een maand. Dit omdat dit nadelig is voor het hechtingsproces tussen [minderjarige] en de moeder. Een en ander is ook van belang voor [minderjarige] ’s toekomstige (identiteits)ontwikkeling. Namens de moeder wordt daarom verzocht beide delen van het verzoek af te wijzen.
5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, het volgende aangevoerd. In zijn opvatting is er geen sprake van het niet nakomen van veiligheidsafspraken en/of van onttrekking door hem van [minderjarige] . In dat verband wordt gewezen op een als productie ingezonden WhatsApp overzicht. Daaruit blijkt dat op 24 februari 2026 de moeder [minderjarige] niet bij het kinderdagverblijf kon ophalen en zij de vader op dat moment geen andere keuze liet dan deze taak op zich te nemen, ondanks dat dit voor hem toen wegens zijn werkzaamheden lastig te regelen viel. Verder zag het blokkeren van de moeder door de vader op een onenigheid over de uitoefening van het ouderschap, welke blokkade inmiddels is opgeheven. Daarnaast wordt gewezen op de beschikking van 12 december 2025, meer specifiek rechtsoverweging 5.4, waarin door de kinderrechter is overwogen dat er hulpverlening dient te worden ingezet op de oudercommunicatie en dat de ouders met de GI een ouderschapsplan dient op te stellen, waarin zij afspraken maken over [minderjarige] , voor nu en voor de langere termijn. Er is echter tot dusver geen ouderschapsplan opgesteld. Ondanks het korte tijdsverloop sinds 12 december 2025 had van de GI mogen worden verwacht dat zij behoorlijk was gevorderd met de verbetering van de oudercommunicatie en het opstellen van het ouderschapsplan.
5.3.
De vader heeft een opvatting over hoe hij vindt dat [minderjarige] zou moeten opgroeien en over de rol die hij in haar leven als ouder moet (kunnen) vervullen. Ook heeft hij in dat verband zorgen over de zorg- en opvoedsituatie bij de moeder thuis alsook over haar opvoedcapaciteiten. De vader vindt echter bij de GI daarover geen gehoor. Hij herkent zich niet in de stelling van de GI dat hij met [minderjarige] uitsluitend onder begeleiding contact zou mogen hebben. De GI heeft geen schriftelijke aanwijzing gegeven waarin veiligheidsafspraken zijn opgenomen, waaruit dit blijkt. Ook is de vader overigens geen professionele instantie bekend, die deze begeleiding op zich zou nemen. Momenteel heeft de vader ondersteuning in de vorm van ambulante individuele begeleiding, schuldsanering en bewindvoering. Verder heeft hij binnen zijn familienetwerk een oom en tante bereid gevonden om [minderjarige] (tijdelijk) op te vangen. De vader stelt zich met deze toelichting op het standpunt dat het verzoek ten aanzien van beide onderdelen dient te worden afgewezen.

6.De beoordeling

Spoedbeslissing machtiging tot uithuisplaatsing
6.1.
Bij voormelde beschikking van 25 februari 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 11 maart 2026, zonder voorafgaand verhoor van de GI en de belanghebbenden. Zij zijn nu door de kinderrechter gehoord.
6.2.
De kinderrechter moet beoordelen of er tijdens de zitting nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 25 februari 2026 moet worden herroepen. Hij stelt vast dat hiervan geen sprake is en dat daarom de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg in stand blijft voor de periode tot 11 maart 2026.
Resterende deel spoedverzoek en reguliere verzoek
6.3.
Volgens artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.
Bij de beoordeling van het resterende (spoed)verzoek betrekt de kinderrechter dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld en dat er in het kader daarvan gewerkt is c.q. wordt gewerkt aan het vormgeven door de vader en de moeder aan hun ouderschap na scheiding en het komen tot een situatie, waarin er tussen de ouders sprake is van samenwerking en het nemen van beslissingen over [minderjarige] op basis van gelijkwaardigheid, waarin er zicht is op beide opvoedsituaties en [minderjarige] een onbelast contact met haar beide ouders heeft. Dit dient te worden bereikt door middel van hulpverlening ten aanzien van onder meer de verbetering van de oudercommunicatie, het opstellen van een ouderschapsplan voor nu en voor de langere termijn, de inzet van een intensief traject gericht op de opvoeding en verzorging van [minderjarige] en het verkrijgen van zicht op het ouderschap van de vader.
6.5.
Uit het verhandelde ter zitting en de inhoud van de stukken blijkt naar het oordeel van de kinderrechter dat, ondanks de tot dusver ingezette hulpverlening, de doelstellingen van de ondertoezichtstelling grotendeels nog niet zijn gerealiseerd. Immers verloopt de communicatie en de samenwerking tussen de moeder en de vader in het belang van [minderjarige] nog niet constructief en zijn er daardoor met enige regelmaat conflicten en escalaties. Als illustratief daarvoor beschouwt de kinderrechter het voorval dat heeft geleid tot de indiening door de GI van de onderhavige verzoeken. De afzonderlijke visies bij beide ouders staan haaks op elkaar.
6.6.
Uit de inhoud van de voormelde appberichten blijkt naar het oordeel van de kinderrechter overduidelijk dat ten tijde van het bewuste voorval, dat tot gevolg had dat [minderjarige] in de opvatting van de GI bij de vader en ook bij de moeder onvoldoende veilig was, het ophalen door [minderjarige] door de vader met expliciete instemming van de moeder is gebeurd. Er was bovendien sprake van een situatie, waarbij de vader daarvoor extra moeite moest doen, omdat dit voor hem praktische problemen gaf wegens zijn werkzaamheden op dat moment. Tevens hecht de kinderrechter er bijzonder belang aan dat de moeder ter zitting kenbaar heeft gemaakt dat zij in staat is, mede dankzij de flexibele opstelling van haar werkgever en de geboden ondersteuning vanuit haar netwerk, voor [minderjarige] te zorgen en haar veiligheid voor nu en in de toekomst te garanderen. Ook heeft zij aangegeven dat zij vastbesloten is om de instructies en adviezen vanuit de GI in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling in het vervolg consequent op te volgen en zo daar sprake van is, niet meer te zullen toegeven aan eventuele druk uitgeoefend door de vader. Verder staat zij achter een onderzoek door de GI naar de mogelijkheden van een moeder-kind plaatsing.
6.7.
Op grond van alle voormelde omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor een uithuisplaatsing niet (langer) wordt voldaan. Er blijkt immers niet van een noodzaak in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het resterende deel van het spoedverzoek en het reguliere verzoek zal om die reden worden afgewezen. Dit betekent dat [minderjarige] uiterlijk op de einddatum van de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, te weten 10 maart 2026, weer aan de zorg en verantwoording van de moeder dient te zijn toevertrouwd. Het is vervolgens aan de moeder als hoofdopvoeder om ervoor te zorgen dat de veiligheid van [minderjarige] nu en in de toekomst, met inachtneming van eventuele veiligheidsafspraken, daadwerkelijk gewaarborgd is en dat zij consequent meewerkt aan de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling, ook als die ziet op het realiseren van een moeder-kind plaatsing en op de opbouw van contacten tussen [minderjarige] en de vader. Ook van de vader wordt in dat opzicht gevraagd dat hij zich volledig open stelt voor de instructies en adviezen die aan hem door de GI worden gegeven en dat deze consequent door hem worden opgevolgd.
6.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek ten aanzien van beide onderdelen (restverzoek spoed van twee weken en regulier verzoek voor een maand) af.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier en schriftelijk uitgewerkt op 19 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.