Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2591

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/445120 / JE RK 26-269
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Merbel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2011. De minderjarige verblijft momenteel in een behandel- en expertisecentrum en volgt een behandeling gericht op zelfbeeld, seksuele ontwikkeling en relationeel gedrag. Ondanks positieve stappen is de ontwikkelingsbedreiging nog niet weggenomen.

De vader, die het ouderlijk gezag heeft, is niet in staat gebleken de opvoedsituatie voldoende te verbeteren, waardoor terugkeer naar huis niet mogelijk is. De minderjarige heeft aangegeven weg te willen bij de huidige locatie vanwege strenge regels en onduidelijkheid over stappen, maar wenst wel dichter bij haar vader te wonen. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming ondersteunen het verzoek tot verlenging, benadrukkend dat verdere behandeling en begeleiding noodzakelijk zijn.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De behandeling moet worden voortgezet en het contact tussen vader en minderjarige verder worden onderzocht. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige is via een mailbericht geïnformeerd over de uitkomst en de redenen daarvoor.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van een jaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445120 / JE RK 26-269
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI ,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordigster van de GI.
  • een vertegenwoordigster van de Raad.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover via Teams een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 9 maart 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 9 maart 2022 en tot 9 maart 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 9 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van 8 september 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 9 maart 2023. Deze machtiging is bij beschikking van 28 februari 2023 verlengd tot 9 maart 2024.
2.4.
Bij beschikking van 2 november 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van twee weken. Het overige deel is aangehouden tot de mondelinge behandeling op 10 november 2023.
2.5.
Bij beschikking van 10 november 2023 is de beschikking van 2 november 2023 herroepen met ingang van 10 november 2023. In de genoemde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 10 november 2023 en tot 24 november 2023.
2.6.
Bij beschikking van 2 januari 2024 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 2 januari 2024 en tot 16 januari 2024.
2.7.
Bij beschikking van 11 januari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 16 januari 2024 en tot 9 maart 2024. Deze machtiging is bij beschikking van 14 februari 2024 verlengd tot 9 maart 2025.
2.8.
Bij beschikking van 4 april 2024 is een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 4 april 2024 tot 18 april 2024.
2.9.
Bij beschikking van 9 april 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 9 april 2024 en tot 9 juni 2024.
2.10.
Bij beschikking van 5 juni 2024 is een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp verleend, met ingang van 9 juni 2024 en tot 9 december 2024.
2.11.
Bij beschikking van 7 juni 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 9 juni 2024 en tot 9 maart 2025. Deze machtiging is bij beschikking van 21 februari 2025 verlengd tot 9 maart 2026.
2.12.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in het behandel- en expertisecentrum [locatie] van [accommodatie] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
In het gesprek met de kinderrechter geeft [minderjarige] aan weg te willen bij [locatie] van [accommodatie] . De regels zijn te streng en beperkend. Het is voor [minderjarige] bovendien onduidelijk welke stappen ze moet zetten. Haar mentor is hier niet duidelijk over. Het liefste wil [minderjarige] weer thuis wonen bij haar vader. Omdat ze weet dat dat geen optie is gaat de voorkeur uit naar een gezinshuis in de buurt van haar vader. Inmiddels volgt [minderjarige] een half jaar speciaal onderwijs. Ze wil graag op haar huidige school, die in de buurt zit van [locatie] , blijven. Verder geeft [minderjarige] aan dat ze met name aan het einde van de dag niet lekker in haar vel zit en dat ze dan veel moet huilen. Dit komt mede door het overlijden van haar moeder.
4.2.
De GI handhaaft het verzoek. Ter onderbouwing van het verzoek geeft de GI aan dat [minderjarige] niet bij haar vader kan wonen. Ondanks alle pogingen van de vader en de hulpverlening is het niet gelukt om de opvoedsituatie bij de vader in voldoende mate te verbeteren. De GI benadrukt dat verdere behandeling nodig is, waarbij de GI nog zoekende is in welke behandelingen het meest passend zijn voor [minderjarige] . Er moet in ieder geval trauma- en rouwverwerking ingezet worden. Verder begrijpt de GI de wens van [minderjarige] en haar vader om dichter bij elkaar te wonen. Een plek voor [minderjarige] in [plaats] is wenselijk, maar dit kan alleen als een passende plek wordt gevonden. Hierin is het belangrijk dat [minderjarige] perspectief krijgt. Het contact tussen [minderjarige] en haar vader verloopt goed. De opbouw hiervan zal nog verder onderzocht moeten worden. Vorige zomer wilde [minderjarige] na een vakantie bij opa en oma niet terug keren naar [locatie] van [accommodatie] . Naar aanleiding hiervan zijn de regels voor [minderjarige] aangescherpt.
4.3.
De Raad staat achter het verzoek van de GI. De Raad licht toe dat het belangrijk is dat [minderjarige] zich ondanks de strenge kaders gesteund en gehoord voelt. Er zijn voor [minderjarige] concrete doelen nodig zodat ze aan zichzelf kan werken en gemotiveerd blijft. [minderjarige] moet voldoende gecomplimenteerd worden voor de vooruitgang die ze boekt. Het is bovendien belangrijk dat de vader standvastig blijft, aan [minderjarige] blijft meegeven dat zij niet bij de vader kan opgroeien en [minderjarige] steunt in de te behalen doelen. De Raad is het eens met de GI dat toekomstperspectief voor [minderjarige] belangrijk is.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op diens verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
De kinderrechter ziet dat [minderjarige] de laatste periode goede stappen heeft gemaakt. [minderjarige] gaat sinds een half jaar weer naar school en ze volgt een behandeling bij [locatie] van [accommodatie] op het gebied van zelfbeeld, seksuele ontwikkeling en het aanleren van gezond relationeel en seksueel gedrag. Eind 2025 en begin 2026 heeft [minderjarige] ook enkele keren bij haar vader en haar stiefmoeder gelogeerd. Dit bezoek verliep positief.
5.5.
Tegelijkertijd is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen. Door een belast verleden laat zij risicovol en impulsief gedrag zien. [minderjarige] kan de gevolgen van haar gedrag en handelen niet altijd overzien, wat kan leiden tot risicovolle situaties. Bovendien is er bij [minderjarige] sprake van trauma en kind-eigen problematiek. Ook is afgelopen jaar haar moeder overleden, hetgeen voor veel verdriet zorgt. Het is daarom belangrijk dat de behandeling van [minderjarige] gecontinueerd en gemonitord wordt. Daarnaast moet de opbouw van het contact tussen de vader en [minderjarige] verder onderzocht worden.
5.6.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Er is goede regie van de GI nodig. De GI moet kijken naar een passende plek voor nadat de huidige behandeling is afgerond. Ook de vader heeft begeleiding nodig om voldoende weerbaar te zijn en structuur te kunnen bieden aan [minderjarige] . Verder speelt de GI een belangrijk rol in de opbouw van het contact tussen [minderjarige] en haar vader. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat een overdracht naar het vrijwillig kader op dit moment niet mogelijk is.
5.7.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.8.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De opvoedsituatie thuis is tot op heden niet verbeterd. Vader kan niet de structuur, begeleiding en behandeling bieden die [minderjarige] nodig heeft. Het is daarom op dit moment niet mogelijk om bij de vader te wonen. Bij [locatie] krijgt [minderjarige] wel de juiste behandeling en begeleiding. De gestarte behandeling is bovendien nog niet afgrond en moet gecontinueerd worden.
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.10.
De kinderrechter heeft [minderjarige] , op haar verzoek, via een mailbericht op de hoogte gesteld van de beslissing. Dit mailbericht luidt als volgt:
“Beste [minderjarige] ,
Op 2 maart 2026 hebben wij met elkaar gesproken. We hebben toen afgesproken dat jouw vader jou op de hoogte zou stellen van mijn beslissing. Maar omdat hij niet aanwezig kon zijn bij de zitting van 4 maart 2026 vind ik het beter dat ik jou vertel wat ik heb besloten. Daarom stuur ik jou deze mail.
Ik heb besloten om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar. Dat betekent dat de jeugdbeschermer nog een jaar langer betrokken blijft. Ook heb ik besloten de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van een jaar. Dat betekent dat jij nu op [locatie] van [accommodatie] blijft. Daar baal jij misschien van. Daarom leg ik je kort uit waarom ik dat heb besloten. Maar eerst wil ik je zeggen dat ik het echt knap van jou vind dat jij zulke grote en goede stappen hebt gezet! Ik ben ook blij dat je weer naar school gaat en dat je het daar goed naar je zin hebt.
Jouw behandeling bij [accommodatie] is nog niet klaar en er moeten nog meer stappen gezet worden om het goed met jou te laten gaan. Ik heb tegen de jeugdbeschermer gezegd dat jouw mentor jou wel duidelijk moet vertellen welke stappen nog gezet moeten worden want ik weet dat dat voor jou nu niet duidelijk is. In jouw hart zou je het liefste weer bij je vader gaan wonen. Maar dat is niet goed voor jou. De jeugdbeschermer heeft mij verteld dat er in overleg met jou gekeken gaat worden of er een andere plek voor jou is, meer in de buurt van je vader. De komende tijd zal er ook nagedacht worden of er meer contact kan zijn tussen jou en je vader. Dit contact is fijn en belangrijk voor jou. Ik heb verteld aan de jeugdbeschermer dat jij vooral aan het eind van de dag echt niet lekker in je vel zit. Want dat vind ik heel naar voor jou en ik maak me daar zorgen om. De jeugdbeschermer zal dit bespreken met jouw mentor. Er moet op die momenten meer oog voor jou zijn.
Ik hoop dat mijn mail duidelijk is voor jou en ik wens je het allerbeste.”

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 9 maart 2026 en tot 9 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 maart 2026 en tot 9 maart 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 18 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.