Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2585

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 april 2026
Zaaknummer
C/02/444612 / JE RK 26-191
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Sumner
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens complexe scheiding en spanningen tussen ouders

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen, geboren in 2011, 2013 en 2014, die bij hun moeder wonen. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De ondertoezichtstelling was eerder verlengd tot 14 maart 2026.

De gecertificeerde instelling stelt dat de kinderen nog steeds ernstig worden belast door de complexe scheiding en spanningen tussen de ouders. Contact tussen de kinderen en de vader verloopt moeizaam, waarbij twee kinderen geen contact meer willen en het contact van het derde kind onder druk staat. Hulpverlening is ingezet, maar heeft onvoldoende effect. De vader houdt zich niet aan afspraken en de moeder heeft moeite haar emoties buiten de kinderen te houden.

De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging niet met vrijwillige hulp kan worden weggenomen en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk blijft. De verlenging wordt daarom voor een jaar toegekend, met het oog op het traject bij een psychologenpraktijk en het opstellen van een ouderschapsplan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de drie minderjarige kinderen wordt verlengd met een jaar vanwege aanhoudende spanningen tussen de ouders en onvoldoende verbetering ondanks hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444612 / JE RK 26-191
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S. Burger uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026;
  • het bericht met bijlagen van 28 februari 2026 van de vader.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
Per bericht van 28 februari 2026 heeft de vader laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen, doordat hij geen mogelijkheid heeft om vrij te krijgen van zijn werk. De vader is dan ook niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. Op 2 maart 2026 heeft de moeder laten weten dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geen gebruik willen maken van het kindgesprek met de kinderrechter. [minderjarige 1] heeft wel een brief geschreven aan de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd met ingang van 14 maart 2025 tot 14 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt, na mondelinge vermeerdering van het verzoek tijdens de zitting, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt het volgende ten grondslag aan het verzoek. Er is sprake van een complexe scheiding, waarbij de kinderen worden belast met de spanningen tussen de ouders.
Ondanks de ingezette hulpverlening vanuit de Gezinsmanager en [hulpverlening] worden de kinderen nog steeds belast met de strijd en de spanningen tussen de ouders. Ook is er nog geen onbelast contact tussen de kinderen en de vader. Inmiddels heeft [minderjarige 1] sinds november 2024 geen contact meer met de vader. [minderjarige 1] staat verder niet open voor hulpverlening. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onderhielden wel het contact met de vader. Sinds september 2025 gaan [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar [hulpverlening] . Tot nu toe heeft [minderjarige 3] echter geen klik met de behandelaar. Bij [minderjarige 2] is de behandeling gericht op PMT. In september 2025 geeft [minderjarige 2] aan dat hij niet wil dat de vader naar de voetbal komt kijken, ook niet in de weekenden dat [minderjarige 2] bij de vader is. De GI heeft hierover een gesprek gevoerd met de vader. Op 28 januari 2026 heeft de GI verder een gesprek met [minderjarige 2] om te kijken of er afspraken kunnen worden gemaakt.
4.2.
Verder heeft [minderjarige 3] in september 2025 aangegeven dat zij niet meer naar de vader wil. [minderjarige 1] heeft hier een zorgelijke rol in naar [minderjarige 3] toe. [minderjarige 3] heeft vervolgens de afspraak gemaakt om samen met [hulpverlening] een planning te maken voor het weekend dat [minderjarige 3] naar de vader gaat gedurende twee uur. Dit verliep goed, totdat [minderjarige 3] op 12 januari 2026 aangeeft niet meer naar de vader te willen. [minderjarige 3] ervaart angsten en druk vanuit de vader. Zo probeert de vader nog iets te veranderen in de planning, waarna [minderjarige 3] geen nee durft te zeggen. De GI heeft dit meermaals besproken met vader, maar het lukt de vader niet om zich aan de gemaakte afspraken te houden. Daarnaast lukt het de moeder onvoldoende om haar emoties weg te houden bij de kinderen. Hierdoor is er telkens sturing vanuit de GI noodzakelijk. De GI heeft een aanmelding gedaan bij psychologenpraktijk [psychologenpraktijk] . Tijdens het traject zullen er constructieve afspraken worden gemaakt tussen de ouders, welke worden vastgelegd in een ouderschapsplan, en zal er gekeken worden in welke vorm er contact(herstel) mogelijk is tussen de kinderen en de vader. Voor [minderjarige 2] zal er een regeling worden overeengekomen en voor [minderjarige 3] zal er gekeken worden of er toegewerkt kan worden naar een regeling, omdat de GI merkt dat de deur voor contact met de vader bij [minderjarige 3] momenteel nog niet helemaal dicht is. Ten aanzien van [minderjarige 1] is de opzet momenteel om de regie over het contact bij [minderjarige 1] te leggen. Ten aanzien van het contact met de kinderen is het van belang dat er meer begeleiding komt voor de vader. De GI wacht nog op een advies vanuit [psychologenpraktijk] . Daarmee komt er zicht op wat het hoogst haalbare gaat zijn en waar qua borging op moet worden ingezet.
4.3.
In haar brief aan de kinderrechter heeft [minderjarige 1] het volgende verteld. [minderjarige 1] heeft zich lang ellendig en verdrietig gevoeld. Toen zij niet meer kon, voelde zij zich eindelijk begrepen vanuit de Gezinsmanager om te besluiten dat zij geen contact meer wilde met de vader. Het gesprek dat zij daarna heeft gevoerd met de vader was pijnlijk, omdat hij [minderjarige 1] niet snapt. Dit maakte haar boos. Toen die gevoelens gezakt waren, ging het beter met [minderjarige 1] en kon zij zich weer focussen op school, vriendinnen en haar werk. [minderjarige 1] geeft aan dat zij geen contact meer wil met haar vader en dat zij het heel fijn vindt dat zij eindelijk begrepen wordt. [minderjarige 1] voelt zich veilig en begrepen bij de moeder. Verder vindt [minderjarige 1] dat er dingen in het verzoek staan, die niet kloppen.
4.4.
Door en namens de moeder is tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder stemt in met het verzoek van de GI. Het afgelopen jaar is er vooruitgang te zien in de situatie door de ondertoezichtstelling en de moeder ervaart veel steun aan de GI. De moeder heeft het gevoel dat de kinderen nu begrepen worden. Zo gaat het momenteel goed met [minderjarige 1] . De moeder geeft aan dat [minderjarige 3] inmiddels voor de vijfde keer heeft besloten dat zij geen contact wil met de vader. [minderjarige 3] kon heel verdrietig zijn over het niet nakomen van afspraken door de vader. Inmiddels heeft [minderjarige 3] dat niet meer, nu er geen contact is. Ook geeft het meer rust dat de vader is verhuisd. Verder vindt [minderjarige 2] het volgens de moeder prima hoe het momenteel gaat, op het probleem rondom de voetbal na. Hoewel de ondertoezichtstelling in de afrondende fase lijkt te zitten, lijkt er nog geen oplossing gevonden voor de spanningsvolle situatie tussen de ouders. Ondanks de inzet van de GI lijkt daar geen verbetering in te komen. Zo ontbreekt het de vader nog aan inzicht in zijn aandeel in de situatie. De moeder vraagt zich af hoe de ouders zullen communiceren, als de GI niet meer betrokken is. De komende tijd vindt de moeder het van belang dat er afspraken worden vastgelegd tussen de ouders middels een ouderschapsplan en dat de GI de situatie blijft monitoren. Verder geeft de moeder aan dat zij het vervelend vond om te lezen dat haar emoties in de weg zouden staan.
4.5.
De vader heeft in zijn bericht van 28 februari 2026 naar voren gebracht. De vader maakt zich veel zorgen om de kinderen. In het afgelopen jaar is er geen initiatief genomen tot contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] . Dat [minderjarige 1] niet open staat voor professionele hulp wil niet zeggen dat er geen andere initiatieven kunnen worden opgezet. Verder zit [minderjarige 2] klem. Hij voelt druk en sluit zich af voor hulp. [minderjarige 3] zit eveneens klem. De vader denkt dat [minderjarige 3] zich schuldig voelde tegenover haar moeder en zus toen zij bij de vader was. De vader en [minderjarige 3] hebben elkaar inmiddels ruim twee maanden niet gezien. Vanuit de GI en de moeder is het contact minimaal. Er lopen geen initiatieven om de omgang weer op te bouwen. De vader begrijpt niet dat de kinderen in een loyaliteitsconflict zelf de keuze mogen maken om de vader wel of niet te zien. Sinds de ondertoezichtstelling is de omgang enkel verslechterd in plaats van verbeterd. Toch wil de vader wel dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. Doordat er nog geen enkele doelstelling is behaald in de afgelopen twee jaar, kan de vader zich niet voorstellen dat een verlenging van zes maanden voldoende is. Een duur van twaalf maanden lijkt de vader meer gepast. Verder wil de vader graag dat de gestelde doelen nogmaals worden uitgelicht en dat er passende maatregelen worden genomen indien nodig.

5.De beoordeling

Mondelinge vermeerdering van het verzoek
5.1.
Tijdens de zitting heeft de GI het verzoek gewijzigd, in die zin dat de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verzoekt voor de duur van een jaar in plaats van een duur van zes maanden. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven geen bezwaar te hebben tegen deze mondelinge vermeerdering van het verzoek. De vader is niet verschenen, echter geeft de vader in zijn bericht van 28 februari 2026 aan dat een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar hem meer gepast lijkt. Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat de vermeerdering van het verzoek geen strijd oplevert met de goede procesorde. De vermeerdering van het verzoek is dan ook door de kinderrechter toegestaan, wat betekent dat de rechtbank zal beslissen op het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.
Verlenging ondertoezichtstelling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan (Artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek, hierna: BW). De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Tussen de ouders is sprake van een complexe scheiding. De kinderen worden nog steeds belast met de spanningen tussen de ouders. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben ieder op hun eigen manier moeite met de situatie tussen hun ouders en het contact met de vader. Zo heeft [minderjarige 1] sinds november 2024 besloten dat zij geen contact wil met de vader. Ook [minderjarige 3] heeft inmiddels, sinds 12 januari 2026, besloten dat zij geen contact meer wil met de vader. Er zijn daarbij zorgen over de rol die [minderjarige 1] daarbij speelt richting [minderjarige 3] . [minderjarige 2] heeft nog contact met de vader, echter moet er voorkomen worden dat dit contact onder druk komt te staan vanwege het ontbreken van contact tussen de vader, [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Verder lukt het de ouders onvoldoende om afspraken te maken met elkaar in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ondanks de ingezette hulpverlening vanuit de Gezinsmanager en [hulpverlening] worden de kinderen nog steeds belast met de strijd en de spanningen tussen de ouders. Het lukt de vader niet om zich aan de gemaakte afspraken te houden, ondanks dat de GI dit meermaals met de vader heeft besproken. Daarnaast lukt het de moeder onvoldoende om haar emoties weg te houden bij de kinderen. Hierdoor is er sturing vanuit de GI noodzakelijk. Inmiddels is er een aanmelding gedaan bij psychologenpraktijk [psychologenpraktijk] . Dit traject zal binnenkort gaan starten. Door middel van dit traject zal er zicht komen op wat het hoogst haalbare gaat zijn en waar qua borging op moet worden ingezet. De regie van de GI is nog noodzakelijk om zicht te kunnen houden op de hiervoor genoemde zorgen, het verloop van het traject bij [psychologenpraktijk] en om ervoor te kunnen zorgen dat er de komende tijd passende stappen worden gezet, voor zowel de ouders als de kinderen. Daarnaast is het van belang dat de GI de situatie blijft monitoren om te zien of het de ouders lukt om zich aan de gemaakte afspraken uit het ouderschapsplan te houden en, indien dat noodzakelijk is, ouders daarin te sturen in het belang van de kinderen.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De komende periode is het daarbij van belang dat de ouders middels het traject bij [psychologenpraktijk] duidelijke afspraken maken rondom de kinderen, waaronder over het contact tussen de vader en de kinderen. Daarbij is het van belang dat deze afspraken worden vastgelegd in een ouderschapsplan. Hiermee stralen de ouders namelijk naar de kinderen uit dat zij beide achter deze afspraken staan, wat een positieve werking kan hebben op de kinderen. Gelet op de doelen die nog moeten worden behaald en de verwachte tijd die daarvoor noodzakelijk zal zijn, verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.7.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 14 maart 2026 tot 14 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Oorschot als griffier, en op schrift gesteld op 17 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.