Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2580

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/986
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet alsnog binnen termijn beslissen op bezwaar omgevingsvergunning arbeidsmigranten

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het huisvesten van arbeidsmigranten. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, ondanks een verlenging van de beslistermijn tot uiterlijk 5 december 2025.

Na ingebrekestelling door eiseres op 13 januari 2026 en het verstrijken van de wettelijke termijn, stelde de rechtbank het beroep kennelijk gegrond vast. Het college gaf aan aanvullende informatie nodig te hebben, die op 23 maart 2026 werd opgevraagd, met een uiterste aanleverdatum van 4 mei 2026.

De rechtbank bepaalde dat het college uiterlijk 30 juni 2026 een besluit op bezwaar moet nemen en legde een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Tevens moet het college het griffierecht en proceskosten van eiseres vergoeden. Het beroep werd zonder zitting behandeld op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het college moet uiterlijk 30 juni 2026 een besluit op bezwaar nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V. uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Altena.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 28 juli 2025 tegen het besluit van 16 juni 2025, verzonden op 20 juni 2025, inhoudende de weigering van een door eiseres aangevraagde omgevingsvergunning voor het huisvesten van arbeidsmigranten op het [adres] in [plaats] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 28 juli 2025. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
.Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. [2] Het college heeft de termijn verlengd met zes weken. Het college had dus uiterlijk op 5 december 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft het college op 13 januari 2026 in gebreke gesteld, dit is door het college niet betwist, en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan het college worden opgelegd?
4. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Het college heeft uitgelegd dat het tot 30 juni 2026 nodig heeft omdat het voor het nemen van een besluit op bezwaar nog aanvullende informatie van eiseres nodig heeft. Deze aanvullende informatie heeft het college op 23 maart 2026 opgevraagd bij eiseres. Eiseres heeft, gelet op de grote hoeveelheid aanvullende informatie, tot en met 4 mei 2026 de tijd gekregen om deze aanvullende informatie aan te leveren. Daarna moet aan de hand van deze aanvullende informatie een besluit door het college zelf genomen worden (met bijbehorend collegevoorstel), dit kan niet in mandaat, omdat het besluit afwijkt van het advies van de Vaste commissie voor advies van bezwaarschriften. De rechtbank vindt dat een goede reden. Het college moet daarom uiterlijk 30 juni 2026 een besluit op bezwaar bekendmaken. De rechtbank ziet geen aanleiding om op voorhand te bepalen dat deze termijn wordt opgeschort indien eiseres niet tijdig alle benodigde informatie heeft aangeleverd. Dat is een onzekere toekomstige gebeurtenis.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het college de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6.2.
Het college heeft verzocht om het verzoek om proceskosten af te wijzen, nu het
-mede- aan eiseres ligt dat niet kan worden beslist op het bezwaarschrift. De rechtbank ziet hier geen aanleiding voor. De beslistermijn was al op 5 december 2025 verstreken en het college heeft eiseres, pas na het instellen van het beroep op 4 februari 2026, bij brief van 23 maart 2026 verzocht om de aanvullende informatie aan te leveren.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op om uiterlijk 30 juni 2026 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.