ECLI:NL:RBZWB:2026:258

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
02-220164-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging, mishandeling en bedreiging met gevangenisstraf en bijzondere voorwaarden

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan belaging, twee mishandelingen en bedreiging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 16 december 2024 tot en met 29 juli 2025 stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-partner, [slachtoffer 1], door haar veelvuldig te bellen, te appen, haar thuis op te zoeken en haar te klemrijden. Daarnaast heeft hij op 27 juli 2025 [slachtoffer 1] mishandeld door haar te duwen en bij de keel vast te pakken, en heeft hij [slachtoffer 2], een vriend van [slachtoffer 1], mishandeld en bedreigd. De rechtbank achtte de verdachte strafbaar en legde een gevangenisstraf op van 180 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Tevens zijn er bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringstoezicht en een contactverbod met de slachtoffers. De rechtbank heeft de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden bepaald, gezien het risico op herhaling van strafbare feiten.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummer: 02-220164-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 januari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1981,
thans verblijvende te [adres]
raadsvrouw mr. R.T.K. Davidse, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 januari 2026, waarbij de officier van justitie mr. F.M. van Peski en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
1. belaging van [slachtoffer 1] ;
2. mishandeling van [slachtoffer 1] ;
3. mishandeling van [slachtoffer 2] ;
4. bedreiging van [slachtoffer 2] .

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 acht zij de belaging in de periode van 16 december 2024 tot en met 29 juli 2025 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 2 acht zij alleen het duwen van [slachtoffer 1] wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich ten aanzien van feit 1 primair op het standpunt dat de ten laste gelegde pleegperiode moet worden beperkt tot de periode van 13 maart 2025 tot en met 29 juli 2025. Subsidiair stelt zij zich ten aanzien van dat feit op het standpunt dat die pleegperiode moet worden beperkt tot de periode van 16 december 2024 tot en met 29 juli 2025. Voor zover de belaging ziet op het gooien van een zelfmoordbrief in de brievenbus en het klemrijden van [slachtoffer 1] , verzoekt zij verdachte van die onderdelen vrij te spreken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het klemrijden en omdat het gooien van een zelfmoordbrief in de brievenbus niet past bij het doel van belaging. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Ten aanzien van feit 1
Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van [slachtoffer 1] . De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 1] en is van oordeel dat zij ook door verdachte is klemgereden. Daarnaast is zij van oordeel dat het gooien van een zelfmoordbrief in de brievenbus van [slachtoffer 1] niet als een op zichzelf staande gedraging moet worden gezien, maar als onderdeel van alle gedragingen van verdachte. Verdachte heeft ook verklaard dat hij dit heeft gedaan om aandacht van [slachtoffer 1] te vragen. Gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte tezamen, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van [slachtoffer 1] , is de rechtbank van oordeel dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest met het oogmerk haar te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen.
Ten aanzien van de periode waarin de belaging heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank acht niet de gehele ten laste gelegde periode bewezen en is van oordeel dat deze moet worden beperkt tot 16 december 2024 tot en met 29 juli 2025. Op 16 december 2024 heeft de eerste melding door [slachtoffer 1] bij de politie plaatsgevonden en verdachte heeft zelf verklaard dat hij na zijn detox in december 2024 is begonnen met het veelvuldig bellen van [slachtoffer 1] en het sturen van veel berichten naar haar. Over de periode daarvoor is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte haar toen stelselmatig heeft lastiggevallen, zodat verdachte van de periode vóór 16 december 2024 wordt vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2
Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 27 juli 2025 [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar te duwen en bij de keel/hals vast te pakken.
Ten aanzien van feit 3
Gelet op de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 27 juli 2025 [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte hem ook heeft geduwd, omdat daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 4
Op basis van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte op 27 juli 2025 [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door naar hem de ten laste gelegde bewoordingen te uiten en vervolgens de ten laste gelegde gedraging te verrichten.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
in de periode van 16 december 2024 tot en met 29 juli 2025 in Nederland, wederrechtelijk
stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door die [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen en appen en thuis op te
zoeken en zich rond de woning van die [slachtoffer 1] op te houden en een zelfmoordbrief in de brievenbus te gooien en die [slachtoffer 1] klem te rijden
,met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
2.
op 27 juli 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door [slachtoffer 1] te duwen en bij de keel/hals vast te pakken;
3.
op 27 juli 2025 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te slaan;
4.
op 27 juli 2025 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ‘weet je wat? ik ga je steken’ en vervolgens naar de keuken is gelopen en in de keukenlade heeft gezocht.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 75 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering in haar rapport van 4 november 2025 zijn geadviseerd, met uitzondering van het locatiegebod. De elektronische monitoring moet voor 2 jaar van kracht blijven. Zij vordert daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht. Tot slot vordert zij aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uur.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de stappen die hij maakt ten behoeve van zijn persoonlijke ontwikkeling en het feit dat er al een hulpverleningstraject is opgezet, is het niet passend om hem weer naar de gevangenis te sturen. Er kan worden volstaan met de geëiste gevangenisstraf. Een taakstraf, zoals die is geëist, is niet passend, omdat die de stabiliteit op verschillende gebieden zal vertragen. Ten aanzien van de te koppelen bijzondere voorwaarden aan een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, vraagt de verdediging zich af in hoeverre een contactverbod moet worden opgenomen als bijzondere voorwaarde, omdat er goed contact is tussen verdachte en [slachtoffer 1] en hun kinderen. Zij verzoekt het locatieverbod – gelet op een vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte – aan te passen, in die zin dat deze wordt beperkt tot de straat waarin [slachtoffer 1] woonachtig is, en dat daar geen elektronische monitoring aan wordt verbonden. Ten aanzien van de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging en mishandeling van zijn ex-partner, [slachtoffer 1] , en aan mishandeling en bedreiging van [slachtoffer 2] , een vriend van [slachtoffer 1] .
Verdachte is in de avond van 27 juli 2025 de woning van [slachtoffer 1] binnengestormd en heeft vervolgens [slachtoffer 1] en de daar aanwezige [slachtoffer 2] mishandeld. Door deze mishandelingen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ook heeft verdachte [slachtoffer 2] op diezelfde avond bedreigd waarmee hij gevoelens van angst heeft veroorzaakt bij [slachtoffer 2] . Zorgelijk is dat de kinderen van [slachtoffer 1] en verdachte ten tijde van de mishandelingen en de bedreiging ook aanwezig waren in de woning, een plek waar niet alleen [slachtoffer 1] , maar ook de kinderen zich veilig moeten (kunnen) voelen.
De belaging van [slachtoffer 1] heeft zich gedurende een periode van ruim 7 maanden afgespeeld, waarbij verdachte [slachtoffer 1] veelvuldig heeft gebeld, geappt, thuis heeft opgezocht, zich rond de woning van [slachtoffer 1] heeft opgehouden, een zelfmoordbrief in haar brievenbus heeft gegooid en haar heeft klemgereden. Door zijn handelen heeft verdachte in ernstige mate stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] . Uit haar aangifte blijkt dat de gedragingen van verdachte gevoelens van onveiligheid, angst en onrust hebben veroorzaakt.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte van 19 november 2025, waaruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, ook voor feiten die betrekking hebben op huiselijk geweld. Ook blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Verder slaat de rechtbank acht op het rapport van de reclassering van 4 november 2025. De reclassering heeft geconcludeerd dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Geadviseerd is bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , een locatieverbod (met elektronische monitoring) voor het adres waar [slachtoffer 1] woonachtig is en een straal van 5 kilometer rondom dat adres, een locatiegebod (met elektronische monitoring), dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening, geen andere huisvesting zonder toestemming en meewerken aan middelencontrole. Ook is de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en van het reclasseringstoezicht geadviseerd. De kans op een misdrijf met schade voor personen is volgens de reclassering namelijk groot.
Straf
Alles afwegend en rekening houdend met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is. Deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf vormt een stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen en maakt het stellen van bijzondere voorwaarden mogelijk. De rechtbank ziet aanleiding om een deel van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden aan de voorwaardelijke straf te verbinden en ook het reclasseringstoezicht op te leggen. Voor het opleggen van een locatiegebod wordt geen aanleiding gezien, zodat deze voorwaarde niet aan de voorwaardelijke straf zal worden gekoppeld. De rechtbank is van oordeel dat het risico op herhaling voldoende kan worden ingeperkt door het geadviseerde contactverbod en het locatieverbod op te leggen, in die zin dat het locatieverbod wordt beperkt tot de straat waar [slachtoffer 1] woonachtig is. De rechtbank ziet geen aanleiding om de elektronische monitoring aan het locatieverbod te koppelen.
Tot slot ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast een taakstraf op te leggen, omdat in de op te leggen gevangenisstraf al voldoende rekening is gehouden met de ernst van de feiten.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: belaging;
feit 2: mishandeling;
feit 3: mishandeling;
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware
mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen, waarvan 75 (vijfenzeventig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich binnen 24 uur na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Tactus Flevoland op het adres Randstad 22-183, 1316 BM, Almere. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* dat verdachte zich laat behandelen door de Waag Flevoland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek.
Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] -1988, zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt. Uitzondering in deze zijn de contacten (volgens vooraf vastgelegde afspraken) rondom hun gezamenlijke kinderen;
* dat verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] -1989, zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte zich niet bevindt in de straat waar [slachtoffer 1] woont, namelijk [straat] te [plaats] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
* dat verdachte zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van het openbaar ministerie;
* dat verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van [alcohol en cannabis] om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- stelt vast dat
van rechtswege de volgende voorwaardengelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Dadelijke uitvoerbaarheid
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke gevangenisstraf verbonden bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. G.H. Nomes en
mr. B. Akdikan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Huwae, griffier, en is
uitgesproken ter openbare zitting op 22 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 29 juli 2025
te [plaats] ,
althans in Nederland,
wederrechtelijk
stelselmatig
opzettelijk
inbreuk heeft gemaakt
op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door die [slachtoffer 1] veelvuldig te bellen en/of appen en/of thuis op te
zoeken en/of zich rond de woning van die [slachtoffer 1] op te houden en/of
een zelfmoordbrief in de brievenbus te gooien en/of die [slachtoffer 1] klem te
rijden
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te
dulden en/of vrees aan te jagen;
( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2.
hij op of omstreeks 27 juli 2025 te [plaats]
[slachtoffer 1] heeft mishandeld, door [slachtoffer 1] te duwen en/of bij de
keel/hals vast te pakken;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3.
hij op of omstreeks 27 juli 2025 te [plaats]
[slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] te slaan en/of te duwen;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
4.
hij op of omstreeks 27 juli 2025 te [plaats]
[slachtoffer 2] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ‘weet je wat? ik ga je
steken’ en/of vervolgens naar de keuken is gelopen en in de keukenlade
heeft gezocht, althans woorden en/of daden van gelijke dreigende aard
of strekking;
( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )