Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2578

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/989
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.17a Regeling GeneesmiddelenwetArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen acht weken beslissing nemen op Woo-bezwaar en dwangsom betalen

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over een aanvraag op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van zes weken na het bezwaar een besluit genomen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden. Eiseres heeft de minister vervolgens ingebreke gesteld, waarna zij binnen twee weken beroep kon instellen.

De minister heeft aangegeven acht weken nodig te hebben om het besluit te nemen vanwege de omvang van de documenten en de noodzakelijke zorgvuldigheid, waaronder een hoorzitting en formele besluitvorming. De rechtbank acht deze termijn redelijk en legt deze op.

Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 3 april 2026 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Uitkomst: De minister moet binnen acht weken alsnog een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/989

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. D.J.C. Post),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 2 september 2025 tegen het besluit van 31 juli 2025 op haar verzoek (aanvraag) van 14 april 2025 in het kader van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van informatie met betrekking tot het plaatsen van medicijnen op het Overzicht geneesmiddelen en/of het nemen van een tekortenbesluit als bedoeld in artikel 3.17a van de Regeling Geneesmiddelenwet.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 2 september 2025. De minister moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
. [2] De minister had dus uiterlijk op 23 oktober 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft de minister op 5 januari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
De minister geeft aan dat hij momenteel de circa 150 documenten waarop het bezwaar ziet aan het herbeoordelen is. Daarna volgt het plannen van de hoorzitting en de formele besluitvorming, inclusief parafenroute. Gezien de vereiste stappen en de noodzakelijke zorgvuldigheid bij de herbeoordeling geeft de minister aan dat hij tot acht weken na de verzending van de uitspraak van de rechtbank nodig heeft om een besluit te nemen. De rechtbank vindt dat, gelet op het aantal documenten waar het bezwaar betrekking op heeft en het gegeven dat er nog een hoorzitting gepland moet worden, een goede reden. De minister moet daarom het besluit nemen binnen acht weken na het verzenden van de uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de minister de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.