Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2568

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
BRE 26/984
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:20 AwbArt. 4.4 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing op Woo-verzoek over haalbaarheidsonderzoek AZC

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het college van burgemeester en wethouders van Tilburg omdat het volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek om informatie openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo). Het verzoek betrof het haalbaarheidsonderzoek van een asielzoekerscentrum op een specifieke locatie.

De rechtbank stelt vast dat het college op 14 januari 2026 een besluit heeft genomen op het verzoek van 4 december 2025, binnen de wettelijke beslistermijn. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Hoewel eiser stelt dat het besluit niet volledig duidelijk en deugdelijk gemotiveerd is, is dit geen grond voor ontvankelijkheid van het beroep; dit kan in een bezwaarprocedure worden aangevochten.

De rechtbank verwijst het beroep dat gericht is tegen het besluit van 14 januari 2026 door naar het college ter behandeling als bezwaar. Eiser is hierover geïnformeerd en kan alsnog bezwaar maken. Indien eiser geen bezwaarprocedure start, wordt het besluit onherroepelijk. De rechtbank legt geen dwangsom op en wijst proceskosten af.

Uitkomst: Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk omdat het college tijdig heeft beslist; het beroep wordt doorverwezen naar het college als bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/984

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek van 4 december 2025 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Het verzoek heeft betrekking op het haalbaarheidsonderzoek van een Asielzoekerscentrum op de [locatie] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep ontvankelijk?
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank stelt vast dat het college binnen de termijn heeft beslist. [2] Uit de stukken in het dossier blijkt dat het college op
14 januari 2026 een besluit heeft genomen op het verzoek van 4 december 2025.
3.1.
Eiser stelt beroep in omdat hij zich op het standpunt stelt dat er geen volledig duidelijk en deugdelijk gemotiveerd besluit is genomen op het verzoek van eiser. De rechtbank stelt vast dat het besluit van 14 januari 2026 is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Dat het besluit volgens eiser niet volledig duidelijk en deugdelijk gemotiveerd is, doet hier niet aan af. De inhoud van het besluit van 14 januari 2026 zou in een bezwaarprocedure aangevochten kunnen worden.
3.2.
Aangezien de inhoudelijke standpunten van partijen nog onvoldoende zijn uitgesproken, ziet de rechtbank aanleiding het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 14 januari 2026 te verwijzen naar het college ter behandeling als bezwaar. [3]
3.3.
Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift als bezwaarschrift zal doorzenden aan het college onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. [4] Nu dit beroep reeds in het bezit is van het college zal de rechtbank het beroepschrift niet opnieuw toezenden en volstaan met deze mededeling.
3.4.
Uit het dossier blijkt dat eiser zich herhaaldelijk verzet tegen een bezwaarprocedure. Indien eiser na deze uitspraak nog steeds geen bezwaarprocedure wil starten, kan eiser dit kenbaar maken bij het college. De rechtbank merkt ten overvloede op dat het besluit in dat geval onherroepelijk wordt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Het college heeft de beslistermijn niet overschreden. Daarom kan de rechtbank geen beslistermijn opleggen en hoeft het college geen dwangsom aan eiser te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk;
  • verwijst het beroep gericht tegen het besluit van 14 januari 2026 naar het college ter behandeling als bezwaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 3 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Zie artikel 4.4 van de Woo.
3.Artikel 6:20, vierde lid, van de Awb maakt dit mogelijk.
4.Ingevolge artikel 6:15 van Pro de Awb.