Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag tot herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA, ingediend op 24 mei 2024. Na een ingebrekestelling op 6 augustus 2024 en meerdere contactmomenten met het UWV, waaronder op 19 januari 2026, stelde eiseres op 26 januari 2026 beroep in. De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond vanwege de overschrijding van de beslistermijn.
Het UWV gaf aan dat de overschrijding werd veroorzaakt door een tekort aan verzekeringsartsen en dat het onduidelijk is wanneer een besluit kan worden genomen. De rechtbank acht een termijn van vier maanden redelijk om alsnog een besluit te nemen, rekening houdend met de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en het belang van tijdige beslissing voor eiseres.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Het UWV wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €397 en proceskosten van €467 aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 2 april 2026.