ECLI:NL:RBZWB:2026:2551

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
C-02-434245 FA RK 25-1928
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming verhuizing minderjarige naar Turkije en omgangsregeling vastgesteld

Partijen zijn gescheiden en hebben een minderjarige zoon. De moeder wil met het kind naar Turkije verhuizen, waarvoor zij vervangende toestemming van de rechtbank vraagt. De vader was aanvankelijk tegen de verhuizing en vorderde een verbod met dwangsom, maar heeft later zijn verweer ingetrokken vanwege het loyaliteitsconflict van het kind.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De moeder krijgt toestemming om met het kind naar Turkije te verhuizen, waarbij de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. De verzoeken van de vader om de verhuizing te verbieden en een dwangsom op te leggen worden afgewezen.

Ten aanzien van de omgang is afgesproken dat het initiatief tot contact bij het kind ligt, zonder blokkades door de moeder of haar familie. De rechtbank wijst het verzoek tot vaststelling van een concrete omgangsregeling af, maar benadrukt het belang van regelmatig contact en de gezamenlijke verantwoordelijkheid van beide ouders.

De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026 door rechter Oomes, met griffier Bishop-van Kollenburg. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De moeder krijgt toestemming om met de minderjarige naar Turkije te verhuizen en het contactinitiatief ligt bij het kind.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/434245 FA RK 25-1928
datum uitspraak: 24 februari 2026
beschikking betreffende vervangende toestemming voor verhuizing en omgangsregeling
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen vrouw
,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer te Waalwijk,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende processtukken:
- het op 14 april 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het op 22 oktober 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlage;
- het F9-formulier van 23 oktober 2025 van mr. Van Kerkhof;
- de brief van 23 oktober 2025 van mr. Van Reeven-Özer;
- de brief van 5 november 2025 van mr. Van Kerkhof;
- de brief van 10 november 2025 van mr. Van Reeven-Özer.
1.2.
[minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van de verzoeken vindt. Hij heeft de rechtbank een brief gestuurd.
1.3.
De aanvankelijk geplande mondelinge behandeling heeft, gelet op de meest recente berichten van partijen, geen doorgang meer gevonden.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 19 januari 2009 tot 30 oktober 2013.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen is het navolgende minderjarige kind geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] .
2.3.
De vrouw is alleen belast met het gezag over [minderjarige] .
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 15 april 2025 is voor zover nu van belang:
- de vrouw verboden om met [minderjarige] te emigreren naar Turkije of een ander land (zonder voorafgaande vervangende toestemming van de rechtbank in de bodemzaak);
- de vrouw veroordeeld tot nakoming van de onderling overeengekomen
omgangsregeling, waarbij een wekelijks fysiek contact tussen de man en [minderjarige] voor de duur van acht uren plaatsvindt in de woning van de man in [woonplaats] en het wekelijks contact tussen de man en [minderjarige] in de periode dat [minderjarige] in het buitenland verblijft via (video)belcontact plaatsvindt;
2.5.
De man heeft de Turkse nationaliteit, de vrouw en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.De verzoeken

3.1.
De man verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I
primair, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen als genoemd onder punt 13 van het verzoekschrift;
Subsidiair, een in goede justitie door de rechtbank te bepalen definitieve contactregeling vast te stellen;
II de vrouw te verbieden om met [minderjarige] te emigreren (zonder voorafgaande
vervangende toestemming van de rechtbank), zulks op straffe van een door de
vrouw aan de man te betalen dwangsom van € 1.000,= voor ieder dagdeel dat zij
nalatig is om aan de in deze te wijzen beschikking te voldoen, tot een maximum van
€ 100.000,=, dan wel een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
3.2.
De vrouw verzoekt, bij wijze van zelfstandige verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw vervangende toestemming te verlenen om samen met [minderjarige] te mogen verhuizen naar Turkije;
een omgangsregeling vast te stellen waarbij de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
- twee keer per week middels videobellen,
- één keer per jaar gedurende twee weken zonder overnachting, waarbij de vrouw zal zorgdragen voor het brengen van [minderjarige] naar Nederland om aldaar uitvoering te kunnen geven aan de omgangsmomenten;
c. althans een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank rechtens juist acht.

4.De beoordeling

4.1.
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen aangezien [minderjarige] ten tijde van het indienen van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op de verzoeken is Nederlands recht van toepassing.
4.2.
Bij brief van 5 november 2025 heeft de man aangegeven dat hij niet langer verweer voert tegen het verzoek van de vrouw met betrekking tot de (voorgenomen) verhuizing met [minderjarige] naar Turkije. Hij heeft gemerkt dat [minderjarige] in een loyaliteitsconflict zit. [minderjarige] wil graag met de vrouw naar Turkije verhuizen en kijkt de man er op aan dat deze verhuizing vooralsnog geen doorgang kan vinden. De man vreest een onherstelbaar conflict met zijn zoon als de verhuizing niet ondernomen mag worden. Hoewel de man een mogelijk risico ziet dat het contact tussen hem en [minderjarige] zal verwateren, voert hij, in het belang van [minderjarige] , niet langer verweer tegen het verzoek van de vrouw. Het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor verhuizing met [minderjarige] naar Turkije kan worden toegewezen. De man acht het daarbij van belang dat, vanaf het moment dat [minderjarige] in Turkije zal zijn, het initiatief tot het contact tussen hen bij [minderjarige] komt te liggen, zodat hij niet verder gebukt gaat onder het aanwezige loyaliteitsconflict. Daarbij is wel van belang dat er geen sprake mag zijn van een door de vrouw en haar familie opgelegde blokkade in het contact tussen hem en [minderjarige] . De man verzoekt ook dit vast te leggen in een beschikking. Een mondelinge behandeling is niet noodzakelijk.
4.3.
Bij brief van 10 november 2025 heeft de vrouw gereageerd op het gewijzigde standpunt van de man. Zij stemt in met de door de man gewenste regeling en benadrukt dat er op geen enkele wijze sprake is geweest en zal zijn van een door haar dan wel door haar familie opgelegde blokkade in het contact tussen de man en [minderjarige] . Namens de vrouw wordt ook verzocht een en ander in een beschikking vast te leggen.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit voormelde berichten volgt dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de vrouw met [minderjarige] naar Turkije zal verhuizen. Zoals ook door de man is aangegeven en blijkt uit de brief van [minderjarige] , komt dit overeen met de wens van [minderjarige] . De rechtbank zal met inachtneming van het voorgaande het verzoek van de vrouw met betrekking tot de vervangende toestemming voor verhuizing met [minderjarige] naar Turkije dan ook toewijzen. De rechtbank zal deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. Dit brengt mee dat de verzoeken van de man om de vrouw te verbieden naar Turkije te verhuizen en om aan de naleving van dat verbod een dwangsom te verbinden, zullen worden afgewezen.
4.5.
Met betrekking tot de omgang overweegt de rechtbank als volgt. De man acht het in het belang van [minderjarige] dat het initiatief tot het contact tussen hen bij [minderjarige] komt te liggen, waarbij er geen sprake mag zijn van een door de (familie van de) vrouw opgelegde blokkade in het contact tussen vader en zoon. De man verzoekt deze wijze van contact tussen de man en [minderjarige] vast te leggen. De vrouw stemt hiermee in en verklaart dat er geen sprake is (geweest) van enige blokkade in het contact. De rechtbank begrijpt uit deze gewijzigde standpunten, dat partijen niet langer vaststelling van een concrete omgangsregeling wensen. De rechtbank zal dan ook volstaan met de weergave van de wijze van het contact waar partijen het over eens zijn geworden, zoals hiervoor is weergegeven. De rechtbank geeft partijen daarbij wel mee dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij regelmatig contact heeft met de man. De rechtbank gaat ervan uit dat hij hierin door beide ouders gesteund wordt, zodat de verantwoordelijkheid van het contact niet volledig en alleen bij hem wordt neergelegd. Het voorgaande leidt er toe dat het meer of anders verzochte, in de (inleidende) verzoeken tot vaststelling van een concrete omgangsregeling, zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
verleent aan de vrouw toestemming om met [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] , te verhuizen naar Turkije;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Bishop-van Kollenburg, griffier, in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: