Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:2545

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
26/1291 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:41 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening bijstandsuitkering niet-ontvankelijk wegens connexiteit en niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de opschorting en intrekking van haar bijstandsuitkering per 1 februari 2026 door het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren. Orionis had op 10 februari 2026 de bijstandsuitkering opgeschort en op 24 februari 2026 ingetrokken. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar stelde geen beroep in tegen de beslissing op bezwaar van 12 maart 2026.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 23 maart 2026, waarbij verzoekster niet aanwezig was. De rechter stelde vast dat het verzoek niet voldeed aan het connexiteitsvereiste, omdat er geen beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Daarnaast was het griffierecht van €54,- niet betaald, ondanks herhaalde waarschuwingen.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure en niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1291 PW VV
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren (Orionis).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de opschorting en intrekking van haar bijstandsuitkering per 1 februari 2026 op grond van de Participatiewet.
1.1.
Orionis heeft met het besluit van 10 februari 2026 (primair besluit I) het recht van verzoekster op een bijstandsuitkering opgeschort met ingang van 1 februari 2026.
Met het besluit van 24 februari 2026 (primair besluit II) heeft Orionis het recht van verzoekster op een bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 februari 2026.
1.2.
Verzoekster heeft bewaar gemaakt tegen de primaire besluiten en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Met het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft Orionis het bezwaar van verzoekster tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] namens Orionis. Verzoekster was, zonder voorafgaand bericht, niet aanwezig.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of een beroep tegen dat besluit voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
4. Verzoekster heeft haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend tijdens de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter stelt vast dat op 12 maart 2026 een beslissing op bezwaar is genomen. Met verzoekster is op 13 maart 2026 telefonisch afgesproken, en bij brief van 16 maart 2026 schriftelijk bevestigd, dat de voorlopige voorziening aangemerkt kan worden als een verzoek gerelateerd aan de beroepsprocedure. Verzoekster is ook medegedeeld dat daarvoor nodig is dat zij zo spoedig mogelijk doch uiterlijk voor de zitting van 23 maart 2026 beroep instelt tegen de beslissing op bezwaar.
5. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten tijde van de zitting (nog) geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 12 maart 2026. Dat betekent dat er op dit moment geen sprake is van een beroepsprocedure zodat niet is voldaan aan de voorwaarde van connexiteit. Het verzoek zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Daarnaast moet degene die een verzoek om voorlopige voorziening vraagt, griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. Bij aangetekende brief van 6 maart 2026 is verzoekster erop gewezen dat zij binnen twee weken na dagtekening van de brief het griffierecht moet voldoen. In het telefoongesprek van 13 maart 2026 is verzoekster erop gewezen dat zij het griffierecht uiterlijk voorafgaand aan de zitting moet betalen. Omdat verzoekster het griffierecht niet (tijdig) heeft betaald, zal het verzoek ook om deze reden niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. Dat betekent dat het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld zal worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026 door mr. A.G.J.M. de Weert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.